Nachtboek door bas nawijn (2016)


Nachtboek 42

Zaterdag 24 en Zondag 25 december

De laatste jaren heb ik Kerst niet zo bewust meegemaakt als deze keer. Alles was transparanter. Licht was echt. Duister trouwens ook. In Leersum beleefde ik met Agnes en Marijke een prachtige nachtdienst. Collega Evelyn Noltus koos zorgvuldige woorden rond het thema : “In alle dingen zit een barst. Daar kan het licht doorheen “. Wat een verademing vormden haar trefzekere woorden. Ik hoop niet alleen voor mezelf. Sommige mensen in de kerk ken ik en ik weet iets van hun pijn. Verlies van een lief; oog in oog met het einde van het eigen leven dat nadert;  of intense zorg om verlies dat dreigt. Woorden en liederen smeerden niets dicht, bedolven het niet onder een vrome saus met dikke cliché’s, maar begrepen, verzachtten en richtten de blik op de streepjes licht die door de barsten heen kierden. We reden door een pikdonkere wereld naar huis. Maar overal verlichting aan huizen, versierde struiken en zelfs een stralend boompje middenin een weiland. Mooi dat mensen op elke plek ruimte om te ademen en te leven blijven veroveren op het duister van de nacht. Via de tv zag ik het op vele plaatsen. Eerst in de kerstnacht en vanmorgen gonsde de ether nog na. Zingende Engelsen, plechtstatige Zwitsers, toeristische Italianen, gedegen Friezen, allemaal hielden ze het vaandel hoog (in Rome zelfs letterlijk) met woorden als licht en hoop, vrede en geluk. We mochten het zelf ook met ongelooflijk veel plezier beleven rond de tafel bij mijn  oudste dochter en haar man. Als je deze ervaring goed doordenkt ontdek je hoe enorm kostbaar dit is. Hartverscheurend mooi als je het afzet tegen het diepe duister wat mensen elkaar kunnen aandoen of wat hen domweg overkomt. Ik ga er morgen weer empathie voor opbrengen. Nu ben ik alleen maar heel blij.

 

Maandag 26 december

Kerst ebde weg. De engelen schor gezongen, hun haar viel uit. Herders doodmoe terug bij de schapen, die hen niet eens hebben gemist ; grazen kan gratis. Familie Jozef en Zn kan de eeuwige glimlach verwisselen voor een kritische blik. De buikjes van alle aanbiddeers zijn vol en de kelen gesmeerd. De kopers kwamen weer uit hun hol en bevolkten de winkelboulevards  in vele binnensteden. De Engelsen voetbalden weer alsof hun leven ervan afhing en de wereldgeschiedenis liep door als vanouds. Misschien even wat minder wapengekletter .Of het kwam gewoon niet op het nieuws want het lijkt soms dat de nieuwsbulletins bepalen wat er gebeurt. Wanneer ergens een stad  wordt uitgemoord kan het zijn dat Patty, Jenny, Nellie, Remy of hoe die nieuwsjuffen ook heten mogen laconiek hun uitzending beginnen met de mededeling dat 40 % van de Nederlandse kinderen te dik is of op de verkeerde school zit. Of dat er weer meer vuurwerk is verkocht en dat de politie daar weer meer werk van gaat maken. Net als vorig jaar We hebben nog genoeg goud, wierook en mirre in onze zakken om daar een groot spektakel van te maken. Daarna komen dan de oogartsen met aantallen beschadigingen en chirurgen met restanten vingers of handen. Ach ja, het klinkt misschien wat cynisch maar we zijn gek als we het niet zien. En nu maar hopen dat we  tóch voldoende  hebben opgesnoven van  de onderliggende gedachte van Kerst dat het om mensen gaat, om hun heil, om de relativerende glimlach en de zachte hand. Ik zag in een kerststal een veel te groot kindje  met twee uitgestoken armen. De priester was daar kennelijk zó van onder de indruk dat hij tijdens de preek zijn handen geregeld de kerk in stak. Alsof hij zeggen wilde dat zijn God niets meer achter de hand hield en alles gaf. Stel je eens voor dat we er iets van zouden aannemen. Misschien wordt de wnter tussen mensen dan wat zachter. Als we de aarde zo massaal kunnen opwarmen zou het tussen ons toch ook moeten kunnen.

 

Dinsdag 27 december

Thomas is dood.  In enkele maanden tijd gesloopt door kanker. Hij heeft nog geen 50 jaar mogen leven. Van de meelezers van deze blog kent haast niemand hem. Hij liet zich überhaupt niet makkelijk kennen, ook niet voor insiders. Samen met de jongste dochter van Marijke heeft hij twee prachtige dochters gekregen, die nu nog aan de tienerleeftijd moeten beginnen, zonder vader. Thomas was een man met een gouden hart, twee rechter handen en een dorstige keel.. Dat laatste had ongetwijfeld te maken met een veel te zware rugzak die hij meetorstte en angstvallig gesloten hield. De keren dat ik hem ontmoette verwelkomde hij me grijnzend met : ha, meneer de directeur ! Voor hem was ik geen Bas en in het gesprek werd hij geen Thomas. Toen ik hem afgelopen zomer, aan het begin van zijn ziekbed, opzocht in het UMC gaven zijn ogen afstand aan. Ik heb hem daarna ook niet meer gezien. Deze morgen, tien uur vóór zijn sterven, heeft hij Marijke telefonisch nog om de hand van haar dochter gevraagd.  Op z’n kwetsbaarste moment durfde hij het kennelijk aan.

Formeel te laat, maar gevoelsmatig een overwinning.

 

 

Woensdag 28 december

Het wordt tijd om balans op te maken. Einde van het jaar immers. Gelukkig hoef ik het niet met cijfertjes te doen. Ik zou het niet kunnen ondanks een praktijkdiploma boekhouden. Ik moest dat ooit halen voor mijn baan bij het ministerie . Dat lukte omdat ik leren en studeren gewend was maar ik snapte er niks van. Ik kan geen balans “lezen” . Op vergaderingen van de kerkenraad kwamen die dingen ook wel eens langs. Meestal keek iedereen daar heel somber bij. We staan er slecht voor, was meestal de boodschap. Ik beken dat ik meestal iets anders zat te lezen, echte teksten of boeiende artikelen. Kerk en geld heb ik altijd een vervelende combinatie gevonden. Toen ik net predikant was moest ik een vergadering voorzitten waarin de geldmannen van de kerk hun begroting en zo kwamen toelichten. Dat ging o.a. over mijn eigen salaris. Of dat niet minder kon, vroeg een ambtsdrager die moeite met me had. Bij navraag bleek zijn eigen kerkelijke bijdrage nul komma nul te wezen ! Ik heb me toen voorgenomen (en me daaraan gehouden) om nooit meer iets te willen weten van bijdragen door gemeenteleden ; dat scheelde dolksteken. Het kwam me wel eens op verwijten te staan wanneer ik veel tijd besteedde aan mensen aan de rand van de geloofsgemeenschap : ze kosten ons niet alleen geld maar  ook nog kostbare tijd ! Gelukkig kon ik dat pareren met mooie evangelie-verhalen. Want zeg nou zelf, als Jezus eerst naar een kerkelijke bijdrage had gevraagd was de Sameritaanse vrouw nog steeds in crisis, de man die al veertig jaar verlamd op een bed lag nog  geen meter verder en kon de arme Lazarus de schoot van Abraham wel vergeten. Toen de kritiek bleef aanhouden lag een preek over het verloren schaap voor de hand. Dat het het niet om die 99 in het hok ging, maar om dat éne dat de weg kwijt was. Reactie ?  Mooie preek,  maar er veranderde geen spat. Daar heb ik van geleerd dat ik niet moest denken iets te kunnen veranderen. Hooguit een klein duwtje in een iets ándere richting, want echt veranderen kunnen mensen alleen maar zelf.  Bekeren zeiden ze vroeger. Eigenlijk is het volgens het Heilige Boek : verandering van denken. Dan komt het doen vanzelf. Hoe dat in een balans is uit te werken mogen de echte boekhoudkundigen uitzoeken.

 

Vrijdag30 december

Vanmiddag bij een tentje 10 oliebollen gekocht, voor een goed doel. Dat goede doel was ik vroeger vooral zelf met mijn broers en zussen. Ik zag dan in de keuken de stapel oliebollen groeien, schalen vol. Voor 14 personen en nog wat binnenlopers. Andere hapjes en frutseltjes waren er niet. Dus telkens als ik (of mijn lintworm) riep dat ik honger had, was er eerst de terechtwijzing : “honger hadden we in de oorlog “ en daarna de toestemming : “als je trek hebt neem je maar een oliebol “. Dat duurde tot ongeveer 4 januari. Dan waren die dingen zó hard dat er een kosten/baten analyse op losgelaten werd : weggooien was zonde maar een rekening van de tandarts erger ! Toen begreep ik al dat er veel ergere dingen zijn dan zonden.  Aan het eind van de Oudejaarsavond was het thuis verzamelen geblazen, iedereen in de woonkamer, in een grote kring. Vader las uit de bijbel en sprak een zeer lang gebed uit. Meestal ging dat over de klok van twaalven heen. De Eeuwige kreeg een soort jaaroverzicht van wat er in ons gezin was gebeurd. Terwijl de wereld buiten al stond te knallen zat ik ongeduldig te wachten op het Amen. Toen dat eenmaal had geklonken bedreef ik een vluggertje in het “gelukkig nieuwjaarwensen “ en stoof naar buiten. Vooral de gillende keukenmeiden konden mij bekoren. Jaren later, zelf vader in een klein gezin, hadden we onze oude buurvrouw (5 jaar jonger dan ik nu !) van beneden uitgenodigd om gezellig bij ons oudjaar te vieren. TV had ik nog niet en spelletjes zullen we vast niet gedaan hebben. Vermoedelijk was er Wim Kan via de draadomroep. Het werd uiteindelijk bijna twaalf uur. De buurvrouw  vroeg verwachtingsvol aan de toekomstige dominee om het jaar passend te besluiten. Ik zat pas in mijn tweede jaar maar had toch al zoveel geleerd dat ik wist dat psalm 90 de Oudejaarspsalm bij uitstek is.Die las ik dus. Buurvrouw knikte, sloot haar betraande ogen en vouwde haar handen. O God, ik moest bidden ! Terwijl de klok al 12 sloeg. Ik hoop dat de hemel me boven al het geluid van gillende keukenmeiden uit, heeft kunnen horen. Of toch maar beter van niet. Want toen had ik nog niet geleerd dat “Boven “ doof is voor alle clichégebedjes en dat God vaak met zijn hoofd in de handen zit om zijn oren doof te houden voor al het schandalige wat in zijn naam wordt ópgezegd als gebed. Misschien is het volgende wel genoeg : leer ons zó onze dagen tellen dat wij een wijs hart bekomen. Dat staat ook in die psalm en daar mag je van de dichter gerust “jaren “ van maken. Ik hoop trouwens dat de Eeuwige boven al die luidruchtige knallen en gierende geluiden van morgennacht uit, de kreten van verdriet hoort om mensen die er niet meer zijn, om Thomas die deze dag wordt gecremeerd. Mogen er genoeg hemelse luistervinken op aarde zijn die in Gods naam hóren !

Nachtboek 41

Zondag 18 december

Het donker pikt de komende dagen nog een paar minuutjes extra. Dan zit er tussen “zon op “ en “zon onder “  nog krap 7 uur en drie kwartier. We zijn er op voorbereid. Overal steken we lichtjes aan. En we bekronen het met het feest van het licht. Gezelligheid, lekker eten en misschien wel cadeautjes onder de kerstboom. Daarna mogen de dagen gaan lengen en kan het licht terugkeren. Het christendom heeft hier heel soepel op ingespeeld en aan het oude lichtfeest van de Romeinen een extra dimensie toegevoegd. Met name de evangelist Lukas had een prachtig geboorteverhaal bedacht met herders in de velden, een lucht vol zingende  engelen en een kindje in een stal. Weet je wat, bedachten keizer en kerkvaders in de 4e eeuw, toen het christendom populair werd : we laten die geboorte plaats vinden op het feest van het licht. En zo geschiedde. Wij hebben er die wonderlijke mengeling aan over gehouden van  eten en drinken, ontroering en sentiment, versieringen en cadeaus met : naar een kerstnachtdienst gaan, Stille Nacht in de supermarkten en een instant geloof in engelen en vrede op aarde. Ik blijf het elk jaar weer een boeiend gebeuren vinden. Toen ik zelf nog kerstnachtdiensten “deed “ beschouwde ik het als een uitdaging om door al dat feestgedruis heen dat kind boven water te halen. Omdat het symbool staat voor kwetsbaarheid, nieuw begin, een andere wereld. Want dat kind is groot geworden en heeft piketpaaltjes uitgezet “waarlangs onze voet kan gaan “ om meer mens te worden. Dus : óp naar die stal, buig je hoofd want het poortje is laag en kijk. Geen 5-sterren plek maar arm en klein. Ik las vanmorgen in de NRC van een oud-burgemeester, bijna 70, die bijklust (naast z’n pensioen en aow) voor 7 mille per maand.  Want , zei hij : wat niet betaald is, is niet van waarde. Voor hem dus geen vrijwilligerswerk (waar zijn partij ánderen toe oproept !). Ik hoop dat het ook hem lukt zich door dat poortje te wringen. Trouwens voor mij zelf ook moeilijk. Alle twijfel en cynisme maken het buigen niet lichter. En dan nog neerknielen ook ; mijn knieën kraken sowieso al. Toch zal het moeten, willen we het geheim van het Kerstfeest ontdekken. Dat schuilt in dat kwetsbare. In die oogjes zie je de verschoppelingen en vluchtelingen verbeeld. Ze kijken ons aan, nog steeds, via pijnlijke tv-beelden of schokkende foto’s . Het licht uit hun ogen schijnt in onze duisternis. Ik hoorde vanavond een Belgische psychiater iets zeggen als  : wij zitten met onze dikke ikken allemaal in onze eigen bunker maar dat kan niet duren.  Er gebeurt gegarandeerd iets in je leven waardoor die bunkermuren scheurtjes gaan vertonen en het licht van de ander doorlaten ! Het kan je lief zijn die al die tijd op je heeft gewacht tot je eindelijk eens uit je schulp kroop. Het is in elk geval een ander die iets van jou verwacht. Goud, wierook, mirre, allemaal goed maar jijzelf bent het belangrijkste. Uiterst waardevol en niet te betalen.

Maandag 19 december

Best leuk om eens een alternatief kerstverhaal te vertellen. Het is ongeveer 70 jaar jonger dan de verhalen van Lukas en Mattheüs en komt uit het voor-evangelie van Jakobus, genoemd naar een halfbroer van Jezus. Ik vertel het in eigen woorden, met af en toe een letterlijk citaat van zin of gezegde.

Er was eens een meisje. Maria heette ze. Dochter van Anna en Joachim. Haar ouders konden eerst geen kinderen krijgen. Die hebben eindeloos gebeden en  geofferd en uiteindelijk verhoring gevonden. Ze beloven het meisje te zullen afstaan ten behoeve van de tempeldienst. Als zij 12 jaar is wordt zij naar de priesters gebracht. Die zoeken een man voor haar. Alle weduwnaars worden opgeroepen en met behulp van een duif wordt ene Jozef aangewezen de maagd des Heren bij zich te nemen en haar  te bewaren. Hij sputtert nog wat tegen, want hij heeft al volwassen zoons en zal door de buurt algauw belache-lijk gemaakt worden als die ouwe bok met dat groene blaadje. Maar er zit niets anders op dan het meisje mee naar huis te nemen, waar hij haar meteen alleen achter moet laten. Hij zit namelijk in de bouw en moet voor zijn werk lange tijd van huis. Maria verveelt zich niet. Zij is druk met spinnen en weven. Als ze net 15 geworden is heeft ze enkele bijzondere ervaringen. Terwijl ze naar de waterput loopt hoort ze een stem die zegt dat ze gezegend is onder de vrouwen.Thuis gekomen staat daar een engel en die spreekt de raadselachtige woorden dat de macht van de Heer haar zal overschaduwen en dat ze een zoon zal krijgen. Dat zal wel, denkt ze, komt tijd komt raad en als de engel blijft aandringen zegt ze maar : Amen. Om het daarna maar snel te vergeten. Als ze later  in de tempel komt om haar handwerk af te leveren begint de priester ook weer : gezegend ben je ! Nou, dat laat zich horen. Van plezier rent ze naar het huis van tante Elisabeth en die doet nóg gehemzinniger : wie ben ik dat ik de moeder van mijn Heer tot mij komt ?  Maria denkt : wat krijgen we nou, ik kan niemand tegenkomen of ze beginnen me te zegenen en vreemde dingen te roepen. Ze blijft drie maanden bij haar tante, die trouwens hoogzwanger is en even later een kind met de naam Johannes ter wereld zal brengen.  Als Maria merkt dat ook haar buik dikker wordt krijgt ze de zenuwen en gaat naar huis.

In haar 6e maand komt Jozef terug van zijn jaren durende buitenlandse klus. Als hij de hoogst zwangere Maria ziet raakt hij in paniek. Het begint met zelfbeklag (“ik heb niet goed op haar gepast”) en boosheid (“wie is die schoft die haar heeft bevlekt ?”)  en daarna steekt hij zijn beschuldigende vinger uit naar Maria : nu heb je alles wat je hartje begeert en dan doe je mij dit aan !  Maria houdt vol  dat ze van niks weet, geen man heeft gezien, alleen maar een engel met woorden. Jozef  loopt naar buiten, knalt de deur achter zich dicht en rent de woestijn in, radeloos. Dan neemt de nacht hem in bezit en zie : een engel in een droom. Die legt hem alles uit en opgelucht gaat Jozef terug naar huis. Maar denk maar niet dat nu alles koek en ei is. Zijn buurman Annas is schriftgeleerde en heel nieuwsgierig. Die heeft natuurlijk allang gezien dat Maria zwanger is. Hij gaat naar de tempel en vertelt  dat Jozef het meisje heeft bezwangerd zonder dat ze een bruiloft hebben gegeven . Voor alle zekerheid laat de priester wat knechten op onderzoek uitgaan en die kunnen niets anders dan bevestigen dat de maagd aan het zwellen is. Jozef en Maria moeten voor de rechtbank in de tempel verschijnen en worden hard ondervraagd. Beiden ontkennen onder tranen dat ze iets met elkaar gedaan hebben maar de priester vindt het bewijs te duidelijk.

Het meisje moet weg bij Jozef maar dat wordt hem teveel. Hij krijg een enorme huilbui waardoor de priester vermurwd wordt om een proef te doen. Hij geeft Jozef een flesje testwater  te drinken. Kennelijk een goedje waar je behoorlijk ziek van kunt worden, áls je het al overleeft. Het is alleen ongevaarlijk als je niet gezondigd hebt. Eerst krijgt Jozef het te drinken, die vervolgens voor een paar uur naar buiten wordt gestuurd. Tot ieders verrassing komt hij na die tijd gezond van lijf en leden terug. Dan moet Maria het drinken en ook naar buiten. Die komt ook gezond terug. Dan bindt de priester in. Als God via dit water niet straft doet hij het ook niet. En Jozef en Maria keren opgewekt en blij terug naar huis. Hun blijde verwachting wordt echter al gauw drastisch verstoord door een bevel uit Rome : ze moeten allemaal naar het stadhuis voor een volkstelling. Jozef voorziet problemen. Die komen morgen aan de orde.

 

Dinsdag  20 december

Zo’n volkstelling is natuurlijk niet voor niks. Rome wil precies weten hoeveel mensen er wonen . Per hoofd van de bevolking kunnen ze dan belasting heffen én verhogen wanneer ze dat nodig hebben. Machthebbers hebben nu eenmaal altijd honger. Jozef zit er mee in zijn maag. Hij kan z’n zonen gerust meenemen naar het stadhuis. Maar dat meisje….En dan nog hoogstzwanger ook ! Als ie zegt dat het z’n vrouw is zal het hoongelach niet van de lucht zijn. Maar zegt hij dat het z’n dochter is dan weet iedereen dat ie liegt.En dus gaat hij er vandoor in vol vertrouwen op zijn Heer. Hij zet Maria op een ezel en samen met de zoons van Jozef gaan ze de woestijn in. Maria  is op het laatst en behoorlijk overstuur, lachend en huilend. O wee(ën). Ineens roept ze uit : wat in mij is benauwt me en komt tevoorschijn. Jozef zoekt als de wiedeweerga een spelonk om haar schaamte te beschutten, zet zijn zoons op wacht en gaat op zoek naar een vroedvrouw. Van vermoeidheid krijgt hij duizelingen en hallucinaties en dwaalt maar wat rond. Plotseling ontmoet hij een vrouw die hem vraagt wat er aan de hand is. Nadat hij alles heeft uitgelegd, dat het kind ontvangen is uit heilige Geest en dat zijn naam Jezus zal zijn,  gaat de vrouw, die Salomé heet , met hem mee. Als ze in de buurt van de spelonk komen zien ze bij de opening van de grot eerst een lichtende wolk, daarna alleen maar een groot licht en vervolgens het meisje Maria met een kind aan de borst.  Achter haar staat een vroedvrouw die kennelijk door de zoons van Jozef is gewaarschuwd omdat hij zo lang wegbleef. Als deze vroedvrouw Salomé ziet roept ze haar en zegt : wat ik nóú heb beleefd ! Dit meisje is nog maagd en heeft tóch een kind gebaard, hoewel de natuur haar daar geen ruimte voor geeft. Wel, zegt Salomé, dát wil ik wel eens zien. Nóg beter : ik wil het met mijn eigen vingers voelen. Ze gaat met Maria de spelonk binnen en voert  daar een  inwendig onderzoek uit. Het is waar,  Maria is nog maagd.  Schreeuwend komt Salomé naar buiten en schaamt zich diep voor haar ongeloof. Het is weer een engel van de Heer die nu háár kalmeert en haar meteen beveelt te zwijgen voordat het kind Jeruzalem binnenkomt.  Dáár is inmiddels heel wat anders aan de hand. Er zijn sterrenwichelaars uit het Oosten gekomen,  magiërs , die een nieuwgeboren koning van de Judeeërs  hulde willen bewijzen. Ze hebben een ster gezien, zó groot dat alle andere sterren verbleekten. Zo’n verhaal moet je natuurlijk niet vertellen aan de zittende koning Herodes . Die is meteen bang dat zijn macht verbleken zal en dat ie zijn troon verliest. Hij doet alsof ie hevig geinteresseerd is en hoe ze dit weten en zo en laat zijn ambtenaren meteen googelen waar of die nieuwe koning volgens de Schriften geboren zou moeten zijn.  In Bethlehem is het antwoord, midden tussen Efratha’s velden . Herodes laat de magiërs gaan en verzoekt ze hem te laten weten waar ze de nieuwgeborene hebben gevonden. Dan kan hij ook zelf komen om eer te bewijzen, zegt hij maar hij lacht in ziijn vuistje.  Koningen willen alleen zélf geëerd worden. Je denkt toch niet dat ik door de knieën ga voor een ander.  De magiërs volgen de ster tot aan de spelonk en vinden het kind en zijn moeder. Ze overladen het met goud, wierook en mirre en krijgen daarna van een engel de waarschuwing om langs een andere weg terug te gaan naar hun land. Dus niet naar koning Herodes.

 

Woensdag 21 december

Die Herodes voelt zich als een kind behandeld en neemt wraak op : kinderen ! Hij stuurt er moordenaars op uit om alle zuigelingen tot twee jaar te doden. Moord op kinderen en andere kwetsbaren in de samenleving van mensen

 – zie Duerte op de Filippijnen of de strijdende partijen in Aleppo !  -  is dus niet nieuw. Als Maria hoort wat Herodes van plan is verstopt ze haar kindje Jezus in de kribbe bij de koeien. Maar ook haar tante, die enkele maanden eerder Johannes kreeg, neemt maatregelen. Zij vlucht met de baby de bergen in maar kan nergens een schuilplaats vinden. Ze schreeuwt het uit : berg van God, ontvang moeder en kind. En ogenblikkelijk splijt de berg en ontvangt beiden. Over geborgen zijn gesproken ! Een licht-dragende engel bewaakt hen. De handlangers van Herodes vinden echter wél de vader van Johannes. Dat is Zacharias, priester in de tempel en gewoon aan het werk bij het altaar. Als hij  ontkent te weten waar zijn zoon is denkt Herodes genoeg te weten :  het is natuurlijk Johannes die de nieuwe koning moet worden. Wanneer Zacharias blijft ontkennen wordt hij ter plekke in de tempel genadeloos afgeslacht. Als de collega-priesters de volgende morgen buiten op hem wachten om de zegen te ontvangen, blijft het beklemmend stil. Eén van hen waagt het om naar binnen te gaan en ziet bij het altaar geronnen bloed. Hij hoort een stem die zegt dat Zacharias is vermoord en dat zijn bloed gewroken zal worden. Als de anderen dit horen gaan ze ook naar binnen en zien wat is geschied. Zijn lichaam vinden ze niet, wél zijn bloed : het is van steen geworden. Ze kondigen drie dagen rouw af en benoemen ene Simon tot zijn opvolger. Dat is de man van wie gezegd wordt dat hij door heilige Geest is gewaarschuwd dat hij de dood niet zal zien voordat hij de Christus heeft gezien. (Wij kennen hem van de Lofzang van Simeon in het Lukasevangelie). Jakobus, die de bron is van dit verhaal, vertelt tot slot dat hij zelf dieper de woestijn in is getrokken en gewacht heeft tot Herodes aan zijn eind kwam. Hij vertelt niet hoe het met Maria en haar gezin verder is gegaan. Dat vervolg staat in het Evangelie van Pseudo-Mattheüs uit de 2e/3e eeuw . Het is te mooi om niet in het kort  na te vertellen. Dat doe ik morgen.

 

Donderdag 22 december

Pseudo- Mattheüs vertelt zo rond het jaar 200 het volgende verhaal : 6 dagen na  zijn geboorte is Jezus door Maria uit de kribbe  opgepakt. Daar was hij warm gehouden door een os en een ezel (wat Jesaja al had voorzegd, 1 : 3).  Samen met zijn moeder, Jozef en zijn drie zonen en 1 dochtertje is hij de woestijn ingetrokken, op weg naar Egypte. Daar hopen ze veilig te zijn. Ze kwamen bij een grot waarin ze wilden rusten toen er ineens uit die grot vele draken tevoorschijn kwamen. Jezus stapte van de schoot van zijn moeder en bleef vóór de draken op zijn voeten staan. Die beesten aanbaden hem (zoiets stond al in Psalm 148)  en gingen er vervolgens van door. Maria werd boos. Die draken hadden dat kleine kind wel kwaad kunnen doen. Maar Jezus zei : niet bang zijn omdat ik nog maar een kindje ben. Ik  was en ben nog steeds een volwassen man. Die wilde beesten  tem ik wel. Om dat te illustreren liepen tijdens het vervolg van de reis leeuwen en luipaarden met hen mee, mak als een lam en voortdurend bogen ze hun koppen voor Jezus. Ook wolven sloten zich aan en vormden samen met de bokken en schapen, ossen en ezels een zeer vreedzame beestenbende (zoals de profeet Jesaja al had voorspeld, 65 : 25). Het enige gevaar dat hen allemaal bedreigt is de hitte. Het drinkwater raakt op en de honger slaat toe. Maria is de eerste die opgeeft en onder een palmboom gaat zitten. Ver boven haar hoofd ziet ze in de kruin van de palm heerlijke dadels hangen maar niemand kan erbij. Jozef en Maria kijken elkaar zorgelijk aan maar het is hun kleine die ineens met een vrolijke lach hun somberheid doorbreekt. Vanaf de schoot van zijn moeder roept hij : buig, boom, je takken en herstel met je vruchten mijn moeder ! Meteen buigt de palm zich tot aan de voeten van Maria en verzadigt iedereen met dadels. Als de boom helemaal kaal geplukt is blijft ie nog gebogen staan maar op bevel van de kleine Jezus richt de palm zich op. In dezelfde beweging trekt één van zijn boom-wortels een ader open die verborgen zit in de aarde, waaruit overvloedig water stroomt. Als beloning krijgt de palm dit te horen uit de mond van Jezus : één van jouw takken zal geplant worden in het paradijs van mijn Vader in de hemel. Hij heeft het nog niet gezegd of er verschijnt een engel des Heren boven de palmboom, hij breekt een tak af en neemt die mee omhoog. Iedereen die het ziet verschrikt en ligt voor dood op de grond. Maar de kleine Jezus roept : niet bang zijn. Net zo goed als dat er palmen moeten zijn in de woestijn om te overleven, zijn er in het paradijs palmen voor alle heiligen.  Allemaal zijn ze opgelucht en blij en vervolgen de reis. Maar weer neemt de hitte ze te pakken. En dan te bedenken dat ze nog 30 dagen vooruit moeten voordat ze in Egypte zijn. Als Jozef zich daarover beklaagt zegt Jezus tot hem : hou moed en let op.

Ik zal die 30 dagen bekorten tot één dag. En meteen zien ze in de verte de contouren van de steden van Egypte. Dansend van blijdschap trekken ze de eerste de beste stad binnen. Omdat ze er niemand kennen  bij wie ze onderdak zouden kunnen krijgen, gaan ze naar de plaatselijke tempel. Blijkt één van de grootsten van Egypte te zijn. Er staan 365  goden beelden, voor elke dag één.

Let op wat er dán gebeurt : als Maria met het kindje op de arm de tempel binnentreedt,werpen alle beelden zich ter aarde, waar ze ontwricht en gebroken op hun gezicht blijven liggen ! Precies wat de profeet  Jesaja had voorzegd (19 : 1).   Als dit maar goed gaat. Hoe zal de stad reageren ? Als je goed luistert hoor je de dreiging : gestamp van laarzen, soldaten in aantocht. Voorop de hertog te paard, blinkende sabels, flitsende zwaarden. Wanneer de hertog bij de tempel komt,  daalt hij van zijn paard af, kijkt om zich heen naar al die gevallen godsbeelden, ziet Maria met het kind aan de borst,  loopt naar hen toe , gaat door zijn knieën en aanbidt het kind. Het is muisstil.  De hertog staat op en spreekt iedereen toe met deze woorden : die goden van ons zouden niet op hun gezicht zijn gevallen als ze in dit kind niet dé God van hen allen hadden gezien. Dus gaan wij dat ook doen. Militaire oplossingen kúnnen heel simpel zijn en zelfs positief ! En nog iets : die hertog had in zijn achterhoofd nog een les van de krijgsschool. Er is eerder in hun geschiedenis eens een Farao geweest die niet naar deze God der goden wilde luisteren. Die is wel mooi met heel zijn legermacht verzopen in de Rode Zee (Exodus 14).  Zo’n stommiteit zullen wij nu niet begaan. En dus ging heel de stad geloven in God, dankzij dat kleine kind Jezus. Een poosje later hoorde Jozef dat het gevaar in eigen land geweken was en keerde hij met heel zijn gezin terug naar Israël.

 

Vrijdag 23 december

In Trouw van vandaag staat een aardig artikel over het Jezuskind in de schilderkunst van met name de 15e en 16e eeuw. Dat kind is vaak veel te ouwelijk afgebeeld. Dat is dus net als in met name het laatste verhaal dat ik doorgaf waarin een baby van enkele dagen al volop aan het wooord is en op zien doel af stapt. Ik vermoed dat hier veel kerkelijke leer achter zit. De Zoon van God (uiteraard volwassen) wordt mens en loopt heel het menselijke proces door , te beginnen als baby. Maar daarin schuilt de volwassene, vanaf de eerste dag.

Vraag is tot slot : moet je dit nou allemaal geloven ? Nee hoor. Geloven en moeten is  trouwens een onmogelijke combinatie . Al deze verhalen staan aan de wieg van het christendom. Misschien niet zo vooraan als de geijkte evangelieën maar ze speelden zeker een rol in de eerste eeuwen van onze jaartelling toen het christendom gestalte kreeg. Het Nieuwe Testament kreeg pas  rond de 4e/5e  eeuw zijn definitieve vorm en tot die tijd werd er toegevoegd en geschrapt. Wat er precies gebeurd is zal niemand weten en is ook niet van wezenlijk belang. Veeleer verbeelden de verhalen een mysterie dat zich tot in onze tijd uitstrekt. Wat Kerst betreft is dat gekoppeld aan het feest van het licht dat terugkomt na maanden van toenemende duisternis. Als dát geen droom is ! Namelijk één die werkelijkheid kan worden, al lijkt het met al die draken en afgodsbeelden en moordende machthebbers daar soms van geen kant op. Daarom is het zeer aan te bevelen Kerst en het Licht te vieren tegen alle grote bekken in, want die zullen het niet winnen. Juist de zachte krachten zullen triomferen . En hoe kun je dat nu mooier uitbeelden dan in een kind dat de leiding neemt ?

 

Nachtboek 40

Zondag 11 december

Toen ik vanmorgen wakker werd hing er een sluier om me heen. Klaarblijkelijk een vervreemdende droom gehad. Er moet verdriet in gezeten hebben. Er waren vanbinnen tranen. Die zijn daar gebleven en het duurde vandaag lang voordat ze opgedroogd waren. Het was de wekkerradio die me uit de slaap haalde. Meteen stortte het nieuws zich over me uit : zoveel Turkse agenten en zoveel christenen in een Koptische kerk in Egypte vermoord door bomaan-slagen, zoveel kerkgangers omgekomen in Nigeria toen het dak van hun kerk instortte. Ik had de neiging om de sluier maar om te houden. Hier valt niets te begrijpen. Ik keek op de klok, tien over tien, de wijzerstand  waarmee  nieuwe uurwerken worden verkocht.  Het is een icoontje wat vriendelijk overkomt. Op dit tijdstip wordt in duizenden kerken het  Kyrie gebeden of gezongen. Ontferm U.  Maar ‘t is te laat, de doden zijn al gevallen. Een vriendelijk gebaar van al die bidders, dat wel. Maar wat richt het uit ?  Op t.v. zapte ik heel even langs Harry Mens. Hij herdacht Joop Braakhekke. Om er toch nog een goed nieuws show van te maken zei hij aan het slot van  het In Memoriam , met natte ogen : we hoeven dus geen verdriet meer te hebben. Laten we het glas heffen. Alsof verdriet iets is om je voor te schamen. Bij begrafenissen en crematies kom je dat ook tegen. Na de “plechtigheid “ heffen we het glas en vieren we het leven van de overledene. Maar hij is dood hoor ! Ik doe daar bij voorkeur niet aan mee. Veel liever  deel ik enkele  herinneringen met anderen en maak me daarna graag uit de voeten om zo persoonlijk mogelijk met dat afscheid bezig te zijn. Na afloop van een crematie kan ik het niet laten even naar de rook uit de schoorsteen te kijken en een gedachte mee de hoogte in te sturen. Op een kerkhof loop ik later graag even langs het graf om die woorden neer te leggen die ik eerder voor me hield. Verdriet is heel kostbaar. Volgens Kierkegaard zijn tranen zelfs een geschenk van God. Nu heb ik spijt dat ik ze vanmorgen niet heb aangenomen maar vanbinnen heb laten opdrogen. Want de wereld ziet er anders uit als je door je tranen heen kijkt.

 

Dinsdag 13 december

Een dag vol politiek. Begon met het Vragenuurtje in de 2e Kamer. Kijk ik altijd naar. De procedure is alsvolgt : een kamerlid leest een vraag voor van een papiertje. Meestal gaat dat over een hot item : dit keer over verwaarloosde puppies in Friesland en de lange arm van Turkije. Een bewindspersoon antwoordt. De vragensteller krijgt een 2e termijn en leest het vervolg voor. Dat ie niet tevreden is met het antwoord en of de minister niet ook…tut, tut, tut. Hij of zij leest dat weer voor van een papiertje. Weet dus van tevoren dat ie het er niet mee eens is. Daarna was er een emotioneel afscheid van Samsom. Heeft het natuurlijk geweldig gedaan maar in mijn hart had ik vier jaar geleden al afscheid van hem genomen. Hij had tijdens de verkiezingsdebatten in 2012 moeten zeggen dat hij beoogde met de marktdenker Rutte een regering te vormen. Dan had ik (de kiezer dus)  een keuze gehad of ik dat wilde of niet. Nu ontnam hij me alle lust om ooit nog eens te gaan stemmen. Tenzij “de stem van het volk “ gaat tellen, waar Wilders op gokt. Dan kan het zijn dat we met z’n allen in het geweer moeten komen. Ik hoef dan niet meer op Samsom te stemmen.

Vanavond was de politiek op tv trouwens heel wat heftiger. In een indrukwek-kende uitzending  was Jeroen Pauw in gesprek met twee documentairemakers die in Uruzqan hadden gefilmd en enkele politiek en militair betrokkenen van destijds.Er is weinig meer over van wat toentertijd een “opbouwmissie” werd genoemd. We zijn er te kort gebleven, 24 jonge mensen voor niks gestorven daar, al die stress voor niets, anderhalf miljard weggegooid geld. Wat was er gebeurd als Nederland daar langer was geweest (wat de PvdA niet wilde) ? We trachtten de teelt van papaver (200.000 hectare !) te vervangen door b.v. verbouw van saffraan (100 hectare). Is niet gelukt. De Taliban krijgt onder de eeuwig corrupte regering weer alle kans. De oud-minister  hoorde het allemaal aan met een “opbouw”-trekje rond zijn mond. Hij deed voorkomen alsof hij vond dat de Afghanen hem niet goed hadden begrepen. Geroerd heb ik gekeken naar de ouders die daar hun zoon verloren en naar de militair die op een bermbom reed; hij is dan lichamelijk wat hersteld maar in zijn hoofd blijft het oorlog. Hij vreest het vuurwerk van Oudjaarsnacht omdat hij dan de primaire reactie voelt om er op af te gaan.  De avond sloot af met beelden uit Aleppo. Weer een plaats die net als Srebrenica de geschiedenis in zal gaan onder het motto : we stonden erbij en keken ernaar. Bij het wegzappen zag ik nog net de mogelijk nieuwe Amerikaanse minister van Foreign Affairs . Hij schudde de hand van Poetin : een grote zeer kapitalistische hand in de gewiekste hand van een nieuwe tsaar. Een heel ander beeld dan die handen van die man in de puinhopen van Aleppo die om water en brood schreeuwde. De theoloog van Ruler heeft eens gezegd dat de politiek de enige poort is die leidt van het heil naar de cultuur. Die poort lijkt gebarricadeerd, het heil ver te zoeken en cultuur (“opbouw”) iets van privépersonen. Het wordt tijd voor Kerst, de hemel moet weer eens open, engelenkoren in plaats van grote bekken. arm vóór rijk en nederig vóór schandalig machtig. Ik ga naar bed (wat een luxe !) en doe deze wereld even uit. En fluister zacht : kan er uit al die duistere wolken niet eens een licht der lichten opgaan ?

 

Donderdag 15 december.

Het lukt niet zo met de inspiratie deze week. Heel onrustig slapen, vreselijke beelden op t.v., angstige dromen, dat bevordert niet. Ik zie de barometer naast mijn computer al dagen lang hoge druk weergeven. Misschien komt het daar wel door. Of de volle maan, ik bedenk maar wat. Vanmorgen las ik in het AD een stukje dat me weer eens ouderwets deed lachen. Een 26-jarige vrouw in Barneveld heeft een fitnesscentrum opgericht in Barneveld, waarmee ze  zich speciaal richt op de reformatorische doelgroep. Ze komt uit de gereformeerde gemeente en zag in haar kerk potentiële klanten genoeg maar die wilden niet naar een doorsnee sportschool. Te luide muziek, knipperende  tv’s en veel spierballenwerk. Dat past niet bij “ons”, zegt de oprichtster. Ook qua kleding-voorschriften is er onderscheid. In haar centrum geen blote buiken of korte sportbroekjes. Citaat : “Zelf loop ik rond in een rok, maar sporten in een lange broek mag ook. Alleen vrouwenkleding bij mannen, en andersom, is verboden. Dat staat zo in de Bijbel en daar hou ik me aan.”  Na deze punt kreeg ik een homerische lachbui. De enige teksten die ik ken waarin sprake is van rokken slaan bijna alleen op mannen ! Dat is althans zo in de Statenvertaling, maar die lezen ze juist in haar kerk. De HEERE (zo heet de Eeuwige daar, ze doen er veel grote E’s in) maakte voor Adam en Eva (de enige vrouw)  rokken. Verder Jozef met de veelkleurige rok,de priesters, Samuël, Job, de bruidegom in het Hooglied (die had hem al uitgetrokken vóór de deur van zijn liefste) en Jezus (zijn rok was zonder naad) . Allemaal niet toegelaten tot de refo-fitness. Hadden ze maar een broek aan moeten trekken ! Als die gereformeerde gemeentebroeders en –zusters  echt willen goochelen met bijbelteksten dan heb ík er nog één waarover zij  eens diep moeten nadenken. De apostel Judas, een klein bijbelboekje , net vòòr Openbaringen, dus bijna achterin de bijbel, schrijft in vers 23 : en haat ook den rok die door het vleesch bevlekt is ! Vlees dat met  s c h wordt geschreven koop je niet bij de slager. Daar zit méér dan een luchtje aan, zeg maar gerust : zonde. En bevlekt is ook méér dan een plekje dat weggewerkt moet worden. Het is – om het verhullend te zeggen – een gevolg van de begeerte die de rok opwekt. Mogen ze eigenlijk wel rokken dragen ? Als je zo bijbel gaat lezen en toepassen vraag ik me af wat het verschil is met sommige moslims die we fundamentalisme verwijten ?

 

Vrijdag 16 december

Geluk. Het woord prijkt weer op lieve kerstkaarten en komt terug in bijna alle wensen voor het nieuwe jaar. En over twee weken delen we het grif uit, voor een heel jaar zelfs. Dan lijkt het haast of geluk kan bestaan in een voortdurende toestand. Je gaat gelukkig naar bed, staat gelukkig weer op, zit te stralen op je werk en bij het eten en zelfs in de file of bij een kettingbotsing krijg je die smile maar niet van je gezicht.  Gelukkig (!) weet iedereen dat het leven niet zó in mekaar steekt. Er  gebeurt teveel dat het lachen je doet vergaan. Bij jezelf, bij wie je liefhebt, bij medemensen voor wie je mededogen hebt. Ik keek vanavond naar Paul Wittemans zoektocht naar geluk. Een psycholoog noemde stress, angst en depressie als grote bedreigingen van het geluk van mensen. Zelfs als je daarmee leert leven, of nog mooier : ze teboven komt,  bljft geluk kwetsbaar. Het gaat gekleed in momenten. Ik zocht en vond een mooi citaat van J.W.von Goethe : “Het grootste geluk van de denkende mens is : wat gezocht kon worden gevonden te hebben en het onvindbare in stilte te vereren”.  Wie of wat zoek je ? Misschien die mooie baan of dat prachtige plekje waar je wilt wonen, maar ik denk vooral aan de mensen met wie je wilt leven. Elma Drayer, columniste van De Volkskrant, brak een lans voor deze sociale kant.

Geluk is in je eentje moeilijk vol te houden. Gedeeld geluk is kwetsbaar, kan makkelijk butsen oplopen maar hoeft daardoor (net als bij antiek) niet in waarde te dalen.  Dat “het in stilte vereren van het onvindbare “ ook geluk kan betekenen gaat mij te diep. Ik maakte daar iets van mee als ik in kloosters op bezoek was .In de Provence mocht ik  een keer 5 dagen, temidden van geurende lavendelvelden, tussen nonnen en monniken verkeren. Vijfmaal per dag vereerden zij het onvindbare met overgave en discipline, trouw en respect,

Ik denk dat het voor hen het hoogste geluk was Niet voor mij. Ik moest vaak tussen die lavendel op verhaal komen. Geluk beleef ik in momenten die mij en ons ten deel vallen of die je een ander  kunt aandoen.

Nachtboek 39 (38 ontbreekt)

Maandag 5 december.

Het is een verbazend stille nacht. Het lijkt wel kerst. Vrieskou houdt alles stil. Collega Klaas Hendriks zei eens : stilte is ruimte waar je met woorden niet bij komt. Ik geef maar eerlijk toe : ik ben niet zo goed in stilte. Zeker niet met anderen. Ik heb woorden nodig. Het zijn voor mij niet alleen uitingen van wat er in mij leeft, maar ook hulpmiddelen voor onderweg. Op zoek naar de ander,

naar de zin van alles, naar God of iets anders. Woorden. Vroeger (daar heb je het weer, maar ik heb nu eenmaal meer vroeger dan toekomst) leek het eenvoudiger. Hét woord was het Woord van God. Dat was min of meer uit de hemel komen vallen en stond nu in de bijbel. Die had een woord voor de wereld. Dan kwam er een hele poos niks en dan kwam jij pas aan het woord. Ik heb heel bewust  meegemaakt  dat dit veranderde. Er slopen woorden uit de eigen belevingswereld van de mensen de taal van de kerk binnen. Eerst voorzichtig aan, in bewerkte psalmen die nog de loop van de bijbelse rivier volgden. Maar gaandeweg stroomden ze door de uiterwaarden , de zomerdijk over en vervolgens braken ze door de winterdijk. Het werden woorden van de wereld die haar eigen “psalmen” uitzong of schreeuwde. Het woord ligt allang niet meer alleen in de kerk. De verhalen liggen op straat, daar kwamen ze ook vandaan. Helemaal niet “van boven “ maar gewoon opgeraapt in de woeste geschiedenis van de mensheid. Daarmee is het ook afgelopen met het“Woord “ als machtsmiddel in handen van kerkelijke leiders. Ik zag zondagavond flitsen van een gesprek met een dominee in een achterstandswijk. Zij was daar helemaal onderaan begonnen : simpelweg aanschuiven in kroeg of vrouwen-huis, elkaars woorden zoeken en proberen te verstaan en zó, misschien, ooit, later : samen op verhaal komen. Mogelijk zelfs op hét verhaal van alle mensen.

Je kon aan de stem en de vraagstelling van de interviewer merken dat hij dit maar mager vond voor een dominee. In gedachten zag ik mij weer verschillende tentamens in de godgeleerdheid afleggen. Ik wist precies wat de HH professoren horen wilden en had niet het lef, wat deze vrouw wél had, om met een vriendelijke lach uit te leggen dat ik voor een andere benadering koos. 

Namelijk die van zeer grote twijfel aan die eveneens zeer grote woorden, die toen nog gebezigd werden. Had ik toen de stilte maar aangedurfd en gezegd dat Klaas Hendriks over een halve eeuw zou zeggen dat je daar met woorden niet bij komt. Misschien ben ik ook niet helemaal eerlijk geweest in dit stukje.

Ik schreef dat ik niet zo goed was in stilte. Nú weet ik dat ik nooit mijn eigen woorden had kunnen vinden als er geen diepe stiltes waren geweest, soms vrijwillig gekozen, soms onder zware druk. Vooral in het laatste geval was het moeilijk om dat spontaan als ruimte te ervaren. Dat kwam pas daarna, toen ik de woorden mocht oogsten die in die stilte bovengronds kwamen. 

 

Dinsdag 6 december

Verbluffend te zien hoe vaak het touwtje van Terlouw ter sprake kwam in krantenartikelen. Zaterdag grossierde de NRC erin en (hopelijk) ter afsluiting waren er vanmorgen twee columnisten die het nog eens dunnetjes maar dik overdeden. Ephimenco ,  vooral geinspireerd  door die man van 85 die dit allemaal nog zo fier kon zeggen en collega Suurmond die Terlouw en zijn partij verweet dat zij er juist voor gezorgd hebben dat dat touwtje niet meer uit de brievenbus hangt. Het touwtje staat in de meeste verhalen symbool voor ver-trouwen. Dat zou vroeger groter geweest zijn. Ik ben zelf niet zozeer van het touwtje. In de huizen waarin ik als kind woonde was het er niet. Wij hadden een achterom. Wanneer wij als kinderen uitgespeeld waren kon je door de keuken naar binnen. En bij boeren door de stal. Toen ik net predikant was ging ik op kennismakingsbezoek bij 4 zussen en 3 broers, allemaal vrijgezel en boven de 65,  samen wonend in de boerderij van hun ouders. Keurig opgevoed als ik was belde ik aan bij de voordeur. Het was een trekbel van koper, dat ooit geglansd had en bij mijn eerste poging niet in beweging was te krijgen. Met wat meer kracht lukte het me om er een bescheiden tingeltje uit te krijgen. Wat ik niet wist was dat ik allang gespot was door de vitrages. De bel was nog niet uitgeluid of  een krakerige vrouwenstem aan de andere kant van de deur riep dat de deur niet open kon en of ik maar achterom wilde komen. Een touwtje had hier niet geholpen, zag ik later. Via de deel en een enorme stal kwam ik in een smal gangetje dat leidde naar de woonkamer. In een flits zag ik waarom de voordeur niet open kon : daar lagen hoog opgestapeld oude kranten van vele jaren. In de smoezelige woonkamer zaten de 7 broers en zussen aan een met kranten afgedekte tafel. Daarop een grote pan met hutspot , zeven borden , zeven lepels en een pannetje met jus en vlees. Ik drukte zeven knoestige handen en kreeg een stoel. Of ze eerst even mochten afeten. Onder de tafel liepen wat kippen en op een oude sofa lag een schaap. Ik ging zitten en gelijktijdig viel er een ijzige stilte. Toen ik zocht naar het waarom daarvan zag ik dat ze in stil gebed verzonken waren. Al die bonkige handen gevouwen en de ogen hard dicht geknepen. Het leek alsof ze het erom deden, wetende dat ik hun nieuwe dominee was. Tegelijk was ik opgelucht dat ze – zoals bij anderen wél gebeurde als ik tijdens een maaltijd binnnviel – me niet vroegen om “voor te gaan in dankgebed”. Ik wist dan nooit wat ik moest zeggen. Thuis met de kinderen zongen we iets maar bij het groter worden zijn we ook daarmee gestopt. Ik keek wat rond in de kamer en zag aan één wand twee levensgrote portretten, vader en moeder, vreselijk ernstig en onverbiddelijk, die neerkeken op hun biddende oude kinderen. Alsof er een Amen had geklonken stond iedereen plotseling op en verdween, op de oudste zus na. Zij ruimde af en dat ging heel speciaal : het eten dat op borden was achtergebleven schoof ze terug in de pan, de borden schraapte ze schoon op de kranten en de kranten werden uitgeschud voor de kippen. Of de ds een kop koffie lustte. Nu had mijn voorganger me getipt om daar nooit koffie te drinken : er werd dan n.l. een willekeurig gebruikt kopje gepakt dat met het schort werd schoon geveegd en dan gevuld uit een kan die al uren op een pitje stond. Ik bedankte dus vriendelijk, had net koffie op en zo. Maar een glaasje fris zou ik vast wel willen.

Ontkom maar eens aan dit soort hartelijkheid. Ja graag. Uit zo’n enorme kast werd een glas gepakt en uit de keuken kwam een andere zus ( die kennelijk in het gangetje had staan luisteren) met een fles cassis, één van de weinige drankjes  die ik absoluut niet lust, net kattenpies. Maar om nou weer te bedanken… Dat heb ik geweten : bij elk volgend bezoek kwam hetzelfde glas uit de kast en hetzelfde  drankje op tafel  “omdat ds dat zo lekker vindt ! “. En als u wéér komt, zei oudste zus na een heel gezellig gesprek, komt u dan maar gewoon achterom. Dat was hun touwtje uit de brievenbus. Bij mij deed het nu een belletje rinkelen.

 

Woensdag 7 december

In Trouw las ik dat kerkelijk werkers les krijgen in het dopen van een baby. Een ds met ervaring geeft praktijkles aan 12 studenten. Ze oefenen op een pop maar zijn zelf wel in vol ornaat. Eén student mag het voordoen. Hij druppelt drie keer (Vader, Zoon en Heilige Geest) wat water op het koppetje. De ds doet dat over . Er moet flink water gebruikt worden, het is de zichtbare bediening van het Woord, de mensen moeten wat kunnen zien, zegt ie.  “Hupsakee, zó dat water over het hoofd “. Was ik net een beetje gewend aan huppetee als symbool bij euthanasie (n.a.v.die documentaire waarbij de vrouw voortdurend “huppetee” zei  als het over haar moment van sterven ging), krijgen we nu “hupsakee” voor de doop. Ik heb er nooit les in gehad. Was zelf onder de indruk van onderdompeling, zoals ik dat een keer gezien heb bij een  meer in Duitsland. Als je dan van iets overtuigd lid wilt worden, dan ook helemaal. In lange witte gewaden werden de dopelingen onder water geduwd en er daarna  met enthousiasme uitgetrokken. In de traditionele kerken worden babies gedoopt. Die maken daar zelf dus niks van mee. Jammer, want zo’n onderdompeling vergeet je na-tuurlijk nooit.  Ik probeerde er altijd iets van uit te beelden door één keer een flinke hand water over het babyhoofdje uit te storten. Niet drie keer, zoals vaak gebeurt in naam van de drieëenheid. Dat lijkt mij  een theologisch bedenksel en een absurde splitsing van de naam van de Ene. Eén van de eerste dopelingen zal ik nooit vergeten. Het was in die prachtige kerk in Elst. We stonden rond het doopvont in het koor van de kerk. Ik voelde even met m’n hand of het doopwater  niet te koud was, keek toen naar de baby en schrok me te pletter. Het jongetje keek mij met twee grote, oude , wijze ogen aan. Het leek alsof hij al eerder op deze aarde was geweest. Ik heb het doopritueel even onderbroken en hem eerst op zijn voorhoofd gekust. Ik had daarbij het gevoel  dat ik eerst vrede met hem wilde sluiten en hem om toestemming vroeg. Het is me dertig jaar later nóg een keer overkomen in Soesterberg, wéér die ogen. En tussentijds had ik ze ook gezien bij één van mijn kleinzoons.  Hij is door mij gezalfd met olie. Omdat onze kinderen geen lid meer zijn van een kerk en doop als inwijdingsritueel in een gemeente er dus niet bij is, heb ik voor de kleinkinderen  een eigen ritueel bedacht.  Ze zijn alle acht gezalfd met kostelijke olie. Alle ledematen kwamen daarbij aan bod en iedereen die erbij was sprak daarbij een zegenwens uit. Zegenen kan immers iedereen. Mensen zouden dat meer moeten doen, elkaar het goede toewensen, in naam van God of de liefde of het leven zelf. Net toen ik het voorhoofd van die ene kleinzoon  met olie wilde aanraken, z’n verstand en geheugen wilde zegenen, keek hij me aan met ogen die méér gezien leken te heben dan de mijne. Ik zei later tegen m’n dochter  dat het leek alsof er een heel oude ziel in hem huisde. Hij is nu rond de dertig, vader van twee kinderen en zeer bij de tijd en heeft nog steeds die ogen. Geen hupsakee, geen kerk, middenin het leven, uit het goeie hout gesneden, waarmee ik maar zeggen wil : zo kan het ook.

 

Donderdag 8 december

Ik reed vanmorgen een poosje achter een auto met Duits kenteken . Daardoor kwam er bij mij een stroompje herinneringen op gang aan het Duits. Het eerste woord dat ik in die taal leerde kennen was in 1944. Wij woonden naast de Zuiderkerk in Apeldoorn. In het portaal onder de toren was de fiets van mijn vader gestald. Ineens zagen we vanuit  het eetkamerraam een Duitse soldaat met die fiets  uit het kerkportaal komen. Vader sprong op , rende naar de deur en riep keihard : Halt !! De soldaat schrok zich werkelijk te pletter en kwam bedremmeld met de fiets aan de hand terug. Hij had  waarschijnlijk naar zijn Heimat willen fietsen – mogelijk was het op Dolle Dinsdag, 5september, toen het gerucht ging dat de oorlog gauw voorbij zou zijn – maar zette hem nu op bevel van Herr Pfarrer keurig terug. Het volgende Duits leerde ik van mijn broer Jan. We waren op vakantie in Koudekerke. Een Duitser vroeg de weg naar Veere. Jan wees precies de tegenovergestelde kant op met de woorden : immer gerade aus ! Voor hem een kleine wraakneming voor alle verloren jongensjaren tussen 1940 en 1945. Op het gymnasium werd het basis Duits overgelaten aan eigen studie  ( Schwere Wörter en zo) en verplicht lezen van o.a. Erich Kässtner : Das doppelte Lotchen. De lessen, vooral in de bovenbouw ( al heette dat toen nog niet zo, gewoon klas 4 en hoger) , gingen over literatuur, Goethe en Thomas Mann e. a. maar veel daarvan ging langs me heen. Soms hoorde ik iets over Sturm und Drang en hoopte dan dat we het daar verder over zouden hebben, want daar had ik zo’n last van. Om rapportcijfers te kunnen vaststellen kregen we af en toe stukken te vertalen. Eén keer gebruikte ik daarbij een handig piepklein woordenboekje, onopvallend dacht ik want de leraar zat toch te lezen. Toen ik de proefvertaling terugkreeg stond er een 1 op, zonder correcties of verder commentaar. Ik naar de leraar. Waarom een 1, was mijn vraag. Daarom,  was het antwoord (en met wijsvinger en duim gaf hij de maat aan van mijn woordenboekje) en ik kreeg een kop als vuur. Daar was geen woord Duits bij maar ik heb het ‘t beste onthouden en nooit meer gespiekt. In de studie theologie en later bij de voorbereiding van preken waren er veel boeken in de Duitse taal. Ik vond dat vaak enorm klussen. Lange zinnen, ingewikkelde woordcombinaties en weinig humor. Ik heb één keer in het Duits moeten preken, bij een trouwerij in de kerk van Blomberg. Mijn beste Duitse zin toen was : Mütze ab, bitte ! Die slaakte ik toen een peleton Duitse militairen de kerk binnenkwam om hun sergeant te zien trouwen. Ze hielden allemaal hun baret op. Ik vond dat niet kunnen. Op de woorden van Herr Pfarrer gingen ze subiet af. Alsof het een bevel was geweest.

 

Vrijdag  9 december

Ik betrapte mezelf er vanavond op dat ik bij sommige tv.programma’s snel wegzap. Heel vaak terecht want veel hoef ik echt niet te zien. De lachebekken op de commerciëlen (al rukken ze ook op bij de publieke zenders) schakel ik niet eens in. Net zomin als al die zogenaamde zorgprogramma’s voor mensen met schulden of een handicap, oud, zwak, ziek of misselijk, die dan onder-steund worden door een gesjeesde acteur uit een soapserie. Maar er zijn ook programma’s die ik bij voorbaat al aanstreep. De zaak Menten b.v.  Destijds heb ik dat live gevolgd en ik vond het een journalistiek hoogtepunt. Nu het nagespeeld werd haakte ik binnen vijf minuten af.  Gespeelde beelden van executies door nazi’s, ik kan het niet meer aanzien. Net als Sophie’s choice of Schindlers list. Vroeger liet ik me door die verhalen helemaal meeslepen, tegenwoordig ben ik bij voorbaat al weg. Niet uit desinteresse, zeker niet, maar

het zal met emoties te maken hebben en met mijn gevoel dat de werkelijkheid al erg genoeg is en dat ik die niet nagespeeld hoef te zien. Vanavond dacht ik wel geboeid te kunnen raken door Paul Witteman en zijn zoektocht naar geluk. En weer was ik binnen enkele minuten weg. Als man van 70 hoef je toch niet meer zó puberaal te reageren op alles wat  buiten jouw eigen belevingswereld gedacht en beleefd wordt. Ik vond het een vervelende manier van koketteren met zijn eigen ongelovigheid.  Dus overschakelen naar het Nieuws. Tja, Wilders.

Een streng bewaakte grote bek. Weer moest ik denken aan dat jochie dat, in de bescherming van zijn vader, pesterig gedrag vertoont naar andere kinderen. Nepparlement, neprechters. Hoe weet hij zo precies wat nep is ? Juist !         Dus toch maar weer iets anders, of beter : de tv uit.  Juliana wacht. Wat een fascinerend boek. Onvoorstelbaar (zeker in onze dagen) hoe  het Nederlandse volk, met name in de 50’er jaren , een volstrekt onwaarachtig beeld van ons koningshuis kreeg voorgeschoteld. Geforceerde gezinskiekjes, slijmende woorden van premier en ministers, terwijl het binnenshuis een puinhoop was, met heel gevaarlijke kanten voor de politieke verhoudingen in ons land. De invloed van Gré Hofmans op haar eigenzinnige, wat zweverige en labiele vriendin Jula (want zó mocht zij onze koningin noemen, Prins Bernard zei mammie) was dermate groot dat er niet alleen scheuren ontstonden in haar gezin maar ook in de verhouding tot regering en parlement. Nooit gedacht dat ik nog eens een boek over het Oranjehuis met rooie oortjes zou lezen. Die kleur past trouwens ook beter bij me dan oranje.

Eén naam kwam ik al lezend al enkele malen tegen, die van Jan Waterink. Hij was  professor aan de VU, deed in pedagogiek en was een autoriteit in de gereformeerde wereld van toen. Hij was nauw bevriend met prins Bernard.

Schreef zelfs een boekje over hem dat achteraf erg dweperig overkomt. Toen Juliana wilde scheiden was Jan Wat (want zo werd hij vaak spottend genoemd)  één van de mannen (want het waren op één na alleen maar mannen die zich tegen dit koninklijk huwelijk aan bemoeiden) die zich hier fel tegen verzetten. Mocht ook niet van Boven. Maar dat was dan weer een ander Boven dan waarmee Gré Hofmans altijd kwam aandragen. Jan Wat heeft ook een rol gespeeld in het huis van mijn jeugd. Hem werd om advies gevraagd over een broer van me die graag ober wilde worden. Dat betekende dat hij ook op zondag moest werken. Vond Jan Wat niet goed . Gevolg : broer veel te jong naar Canada geëmigreerd en niet gelukkig geworden. Hij was nog naar Juliana vernoemd ook,  maar dat was in 1941.  Zij zat tóén in Canada, alleen, en was daar(om)  wél gelukkig .

 

Oom Juul
Oom Juul

Nachtboek 37

Zondag 20 november

Ik heb vannacht intens gehuild. Goed, het was in een droom, maar toch. Het vreemde is dat ik geen idee heb waarom. Alleen maar hoe. Ik zat aan een tafel en voelde van binnenuit een golf verdriet opkomen die me voorover kegelde. Bij de laatste snik werd ik wakker. Tien minuten voordat de wekker afliep. Het duurde even voor ik mezelf terugvond. Toen was het te laat om nog het laatste draadje te grijpen wat me aan mijn droom verbond. Het hing los in de lucht. Net als de vragen waarmee ik opstond . Waarom verdriet ? Was het oud verdriet om iets wat ik geen plekje kan geven ? Was het nieuw, om beelden die ik zag of gedachten die opkwamen ? Of toekomstig verdriet om wat ik vrees dat kan gebeuren ? Eenmaal uit bed was het  lastig om  om de droomwereld af te schudden. Even dacht ik dat de tv afleiding kon bieden. De eerste die ik zag was prof.Herman Pley. Hij schreef weer een boek en mocht dat promoten. Gelukkig slaagde ik erin weg te zappen voordat hij begon te praten. Die man hoort zichzelf zó graag dat hij mij als luisteraar niet meer nodig heeft. Als anderen iets zeggen zie je hem doorgaans loeren naar het moment dat de ander even zwijgt, om adem te halen of zo, om er dan meteen in te springen. Laat dat moment te lang op zich wachten dan trekken zijn ogen steeds schever tot hij haast scheel ziet van jaloezie, want hij had deze spreektijd willen vullen. Ik zapte naar Rome. De Paus sloot een deur en een jaar van barmhartigheid af. Veel, ook nieuwe kardinalen, op de voorste rij. Een groot aantal droeg een zonnebril dus het was mooi weer, terwijl hier de storm aan onze deuren rammelde. De commentator vroeg of we ons hart wel wilden openhouden voor barmhartigheid. Ik heb hier allemaal niks mee en ben maar gaan winkelen bij de grootgrutter. Gelukkig zag ik een paar veelbelovende hyacinten in knop. Die staan nu op tafel, naast een amaryllus, wat krokussen en voor het raam buiten een bak vol bolletjes, die in de stilte van de aarde tot leven zullen komen. Dat troost, ook bij onbestemd verdriet.

 

Maandag 21 november

Wat kunnen gebeurtenissen en ervaringen in je verleden ver reiken. Prachtig voorbeeld daarvan zag ik vanavond toen ik langs de Rijdende Rechter zapte ; de oude wel te verstaan, mr. Frank Visser, nu commerciëel maar nog even ijdel. Buren en aanverwanten hadden “buiten de bebouwde kom “ , dus ruimte zat, conflict over een erfafscheiding. Bij de hoorzitting mag iedereen dan haar of zijn zegje doen. De temperatuur loopt op en dan is het zaak de oren goed open te houden. Het gaat dan helemaal niet meer om het geschil maar om de animositeit tussen twee groepen. Als iets niet op argumenten te winnen valt worden de geheime wapens ingezet en die zijn “vermakelijk “. Een soort bromsnor, die niks met het conflict te maken had maar in één van de kampen getrokken was, maakte een  opmerking over een fel oud dametje, leidster van de tegenpartij. “Zij heb geen nagel om an d’r kont te krabben “.  “Hoe kom ik dan aan dat geld om dit te kopen ? “ “Nou, dat weet je zelf ook wel ! “ Het vrouwtje sprong op, door de beruchte angel gebeten, maar moest van mr. Visser weer gaan zitten en deed dat ook nog. Wat wist die snor van haar dat ze zó fel reageerde ?  Waarom reageren mensen (waaronder ikzelf) soms buiten alle proporties op een opmerking of op gedrag van een ander. Het laatste zie je met name in het verkeer. Iedereen kan een fout maken (ik heb het niet over bewust aso-gedrag) maar als je dan ziet hoe idioot sommigen daarop reageren vraag je je toch af wat er bij hen is misgegaan. Is het wraak omdat ze zelf zo fors zijn afgerekend op eigen fouten ? Is  het onvermogen om met eigen fouten om te gaan ? Ik las enkele weken geleden een boeiend interview met de geheugen-professor uit Groningen (Draaisma ? mijn geheugen laat me wat zijn naam betreft even in de steek). Ik dacht het artikel bewaard te hebben maar dat is niet zo. Dus tóch maar even uit het geheugen : hij las die goede ouwe bijbelverhalen door een psychologische bril. Van Drewermann c.s had ik al jaren geleden geleerd dat dat haast nóg boeiender is dan een theologische bril.

Draaisma  toonde aan hoe in de geschiedenis van Jozef de Dromer met zijn broers,  ervaringen uit het verleden bepalend zijn voor hun latere ontmoeting. Ik noem een ander voorbeeld. Uit het leven van de goeie ouwe Jakob. Hij leefde als kind in de schaduw van zijn gevierde tweelingbroer Esau, de eerstgeborene, die om die reden de oudste rechten had. Jakob was een moederskindje ; hij werd door haar aangezet om zich bij zijn blinde vader voor te  doen als Esau en op die manier de zegen te bemachtigen van de eerstgeborene. Die truc slaagde. Daar heeft hij levenslang last van gehad ; hij werd door zijn eigen zoons ongelooflijk beet genomen. En wat gebeurt er op zijn sterfbed ?  Hij laat zijn twee liefste kleinzoons komen. Hij ziet ze niet, want zijn “ogen zijn dof geworden, hij kon niet zien “ . De eerstgeborene wordt bij zijn rechterhand gezet, de andere bij de linker. Maar Jakob kruist zijn handen en zegent de jongste als eerste.  Ik weet dat hier nog hele theologische exposé’s over zijn te houden maar daar gaat me nu niet om. Inzet was hoe vér ervaringen uit het verleden kunnen reiken. Het leuke is dat dit kennelijk iets is van alle tijden. En dat nou die,  in sommige kringen  zo omstreden,  bijbel daar  prachtige voorbeelden van geeft ! Daar kunnen andere teksten uit hetzelfde boek niet tegen op.

 

Dinsdag 22 november

Hoe bevalt dat nou, zo’n hele dag niks doen ? Die vraag kreeg ik vorige week. En vanmiddag was er de vraag of ik vandaag of morgen even  iemand  wilde bezoeken ( zoals vroeger toen ik nog actief in de gemeente werkte).  Toen moest ik uitleggen dat ik al lang met pensioen ben. Grappig dat beide beelden bestaan. Eerst maar over dat niks doen : dat bestaat niet. Ik heb voor mijn gevoel nog nooit een periode meegemaakt waarin de dagen zó vlug voorbij-gaan als nu. Logisch want ik ga bergaf en dat gaat altijd sneller. Er zit geen seconde verveling in. Eerder heb Ik tijd tekort want er zijn zoveel dingen die ik zou willen doen. Opruimen b.v. De boekenkast om te beginnen maar ik kan het niet. Al die boekenruggen waren jarenlang m’n steun, ze symboliseren mijn eigen geschiedenis en belangstelling. Beter zou ik aan de laden kunnen beginnen. Ik tel er zes en dertig, vol foto’s, geschreven teksten, dingetjes, kaarten, films en nog meer dingetjes. Alles wat ik er uit zou pakken brengt een stroom van herinneringen op gang. Dat zou niet opschieten. En wat moet je er dan mee ? Weggooien, in de kliko of naar de kringloop ? Dat kan toch altijd nog. Nú hoort het allemaal bij mijn leven, punt uit. Dus houd ik veel tijd over voor iets anders. De ochtend is voor de kranten, de middag voor boodschappen en koken ,in de zomer ook nog een stukje fietsen , soms bezoeken aan kinderen, vrienden of familie, samen of alleen (maar dat geldt bij alles), de avonden (altijd ingeleid met minstens één uur diepe slaap)  t.v. of film kijken, bridge en andere spellen en de nacht begint achter mijn pc. Mail beantwoorden, nachtboek schrijven, wat Youtube-filmpjes bekijken en als laatste lezen. Om half vier dooft het licht. Dan kom je toch niet aan opruimen toe ?  Een uurtje bladzuigen vind ik al een hels karwei.  Het echte werk, van vóór mijn pensioen, doe ik al zes jaar niet meer, al kruipt het bloed soms waar het gewend was te gaan. Dan neem ik sporadisch een preekbeurt (mooi ouderwets woord wat ik maar aanhoud) aan, bezoek nog enkele gemeenteleden, met wie ik een geschiedenis heb, en heel soms help ik bij het afscheid van een leven en leid de begrafenis of crematie. Al dit zogenaamde niks-doen is voor mij een vol leven en mag nog lang duren. Tegelijk weet ik drommels goed dat het zó anders kan zijn. Als ik alleen al denk aan familieleden, vrienden en buren, die er niet meer zijn. Als er een “boven  is , waar al die zielen nu zouden huizen, dan is het gezelschap van mensen die mij lief, dierbaar of goed bekend waren, dáár heel wat groter dan wie er nu nog in mijn adressenboekje staan. Voor deze laatsten hoop ik toch iets te betekenen.

Zoals zij voor mij.

 

Woensdag 23 november

Vroeger had je mr. G.B.J.Hilterman. Die gaf op zondagmiddag, na de radio- nieuwsuitzending  van 13.00 uur, zijn commentaar.  Ik herinner mij huiskamers waarin dan absolute stilte was vereist. De hele kamer hing vol met die sonore stem die alles aan elkaar breide, met gebruikmaking van de meest vreemde bruggetjes. Als er b.v. een modderstroom in India was geweest en een electriciteitsstoring in Friesland dan kon je de volgende zin verwachten :

“en over stroom gesproken, beste luisteraars, in Friesland weten ze daarover mee te praten. Weliswaar van een heel  andere orde maar ook daar zorgde het voor enorme overlast “. Het was altijd een enorme woordenbrij die in rap tempo werd voorgelezen, ziij het niet zo rap als ik vanmorgen zag en hoorde op het t.v.kanaal van de 2e Kamer.  De buitenlandwoordvoerder van het CDA wilde in beperkte spreektijd de hele wereld even in beschouwing nemen. Als met een mitrailleur schoot hij honderden woorden af en vloog over Libië, Irak, Syrië, Amerika en noem maar op. Brexit en Trump in één adem en even later weer Trump, maar nu als een toekomstig president van wie we maar moeten afwachten.Ook de terroristen kwamen langs maar die noemde hij in zijn haast toeisten ; het scheelt niet eens rugzak. Er was geen touw aan vast te knopen maar de man glom van trots. Het deed mij denken aan een opmerking van Willem Barnard in zijn schitterende dagboek “ Een zon diep in de nacht “. Ik lees daaruit  vlak voor het slapen gaan altijd vijf bladzijden. Vannacht vertelde hij (op 10.10.1989)  dat hij een kerkdienst in een verpleeghuis bijwoonde. “Er komt een dominee  die te werk gaat zoals ik me vaag herinner dat het een halve eeuw geleden ging. Zo gauw mogelijk begeeft hij zich in een preek…d.w.z. een onsamenhangende hoeveelheid holle beweringen. Al zou ik mijn uiterste best doen, ik zou het zó slecht niet kunnen. Voor elke keer dat hij “God “ zegt, denk ik wraakzuchtig, zou hij een tientje moeten betalen, dat zou zijn optreden aanzienlijk bekorten. Tenslotte zegt hij toch nog amen. Ik heb hoofdpijn van de ergernis. Ik geef de man bij de uitgang ook geen hand, een onbeleefdheid die ik weet te camoufleren door een mevrouw in een rolstoel weg te brengen “.  Ik had vanmorgen geen rolstoel bij de hand en al helemaal geen mevrouw die erin zou willen zitten ; een afstandsbediening is dan toch wel handiger !

 

Donderdag 24 november

Gisteren heb ik bedacht om alles wat ik de laatste jaren geschreven heb uit te printen en in mappen te doen. Bij het doorlezen van Nachtzwammen, Nachtgedachten , Meditaties en Alsnogjes uit de laatste 30 jaar zag ik veel terug van mijn weg naar het punt waar ik nu sta. Zelf vind ik dat groei, anderen vinden het mogelijk vooral verlies, omdat ik veel oude ideeën heb opgeruimd. Voor mij betekende dat juist bevrijding. Afgelopen nacht , na lezing uit Juliana en het Dagboek van Barnard, zag ik in een flits, toen ik het nachtlampje wilde uitknippen, het laatste boek van professor Kuitert liggen : De kerk als constructiefout. Ik heb het al gelezen maar blader er nog af en toe in.  Dacht toen : hoe zou het toch met hem zijn ? Hij is nu 92 jaar en was meer dan een halve eeuw een groot inspirator voor mij. Met die gedachte sliep ik in. Vanmorgen haalde ik Trouw uit de bus : voorop een grote foto van Harry Kuitert. Er is een biografie over hem verschenen. Had voor hem niet gehoeven want wie zijn boeken heeft gelezen kan zélf zijn hele levens-  en gedachtenloop volgen. Ik vind het heel frappant dat ik gisteren zelf bezig was met mijn eigen ontwikkeling door de jaren heen en insliep met de gedachte aan Kuitert en vervolgens bij het opstaan bij wijze van spreken tegen hem aanloop,  waarbij het ging om zíjn ontwikkeling gedurende zijn leven. Ik laat zijn  boeken  nu even met rust. Ze staan schuin achter me, naast Drewermann, samen goed voor ruim twee meter. Ben tóch maar in een paar laden gedoken : nog meer artikelen en stukjes die ik ooit heb geschreven. Dat wordt snuffelen in m’n eigen verleden. Eens kijken wat ik allemaal vergeten ben en misschien wat losse eindjes oppakken. Ik zie ernaar uit. Er zal vast wel wat neerdruppelen in dit nachtboek.

 

Vrijdag 25 november

Het eerste wat ik tegen kwam in  een map met oude pennevruchten was een ode aan een dronken dichter die ik ooit heb ontmoet. Hij stond toen op een bewaakte spoorwegovergang . Ik zette boven mijn verhaal :

Dichter bij een dichter en het ging alsvolgt :

“Hij was een begaafd mens. Zijn gedichten verschaften een blik óver de dijk rond het bestaan van velen. Zijn poëtische vergezichten boeiden minstens zo sterk als de tedere gedichten over zijn vrouw en hun liefde. Een stad had hem ooit geëerd met een prijs. Nu stond hij, onder de rook van diezelfde stad, op de spoorlijn. Zijn gezicht was verkrampt. Toen ik probeerde hem van het spoor af te halen was zijn enige commentaar : klootzak. Hij deed alsof ie het tegen mij had maar alcohol heeft wel meer zaken omgekeerd.

Die ochtend had een vriendin van ons mij gebeld. Een “vreemde man “ stond voor haar raam grimassen te trekken. Bij haar buurvrouwen had hij al plots-klaps in de keuken gestaan en aangeboden te helpen afdrogen.Ik stapte in mijn kever en volgde de man een tijdje. Zoekend ging hij rond en overal keek hij door keukenramen naar binnen. Hij deed geen vlieg kwaad maar maakte onze nette buurt heel onrustig. Hij verliet ons dorp en zocht de spoorwegovergang op.  Daar posteerde hij zich eerst onder de openstaande spoorboom.

Die morgen had hij zijn vriendin, die in leeftijd zijn dochter had kunnen zijn, dag gezegd  en nog een korte blik geworpen op hun pasgeboren, krijsende baby. Het gehuil pijnigde  zijn uitgedroogde hersenen. Hij stapte op de trein. Zijn enige gezelschap was een literfles sherry. Hij was in ons dorp uitgestapt. Nu stond hij daar, op die spoorwegovergang. Hij liep het spoor op en bevond zich toen in het web van de alles verpletterende trein. De overwegwachter riep naar hem dat de bomen dicht moesten vanwege een naderende trein maar de man reageerde niet. Ik liep naar hem toe. Klootzak, was het enige dat hij tegen me zei maar de lucht, waarop dit woord dreef, maakte zacht.  Ik stelde me aan hem voor en kreeg als reactie nu ook een voornaam : een godverdomde klootzak.  Zijn naam was niemand,  maar hij liet zich wel door mij meetronen naar de veilige kant.  Daar wisselden we enkele woorden. Hij vroeg wat ik deed en toen ik vertelde  predikant te zijn herhaalde hij eindeloos mijn nieuwe voornaam. De inmiddels geaarschuwde politie kwam aan met een busje en wilde hem meenemen. Hij verkoos toen de “klootzak “ maar omdat die dubble bediening in de auto had (vanwege rijlessen van Ina) leek dat niet zo’n goed plan.  Ik beloofde hem dat ik mee zou komen en reed achter het politiebusje aan. Op het bureau noemde hij met pijn zijn naam. Verder zweeg hij wanhopig.  In het telefoonboek  van de nabije stad vond ik de dubbele naam van een vrouw ; een naam die door de zijne werd getrokken. Ik belde haar op en  legde de situatie uit. Zij was het, zijn grote liefde uit die gedichten, door hem verlaten maar niet vergeten. Ze had hem eigenlijk al verwacht.  Hij kwam zo vaak, met de trein en was kennelijk een halte te vroeg uitgestapt. Had haar gezocht in vele keukens. En was in radeloosheid teruggegaan naar het spoor, op weg naar een volgende halte. De politie heeft hem keurig op de trein gezet.

Twee dagen later belde ik opnieuw met zijn vrouw om te horen hoe het verder was gegaan.  We maakten een afspraak voor een gesprek. Ze vertelde dat hij met een nieuwe fles in zijn jaszak was aangekomen en op de bank in de kamer in slaap was gevallen. Eindelijk thuis. En rust ! De volgende was hij voor dag en dauw weer weg. Zij las mij enkele van zijn gedichten voor. Uit zijn bekroonde bundel. Voor moeder.  Ze trilde. Ze vertelde over een boeiend verleden, over reizen, geboorte, meer reizen en nog een geboorte, over onzekerheid en Kunst ; en over nu nog af en toe een lief, dronken genie. Ik kreeg zijn bundels te leen en las de volgende nacht zijn zware gedichten. Zóveel dat er in de kop van die man is omgegaan, om gek van te worden.  Of dronken. Ik zal hem nooit vergeten. Dat is toch wel het minste wat hij van die “klootzak “ mag verwachten. Via  Marktplaats  kocht ik zijn verzameld werk. Zijn gedichten staan moeilijk te wezen in mijn kast. Heel af en toe lees ik er één en voel me dan weer even dichter bij die dichter.

 

Nachtboek 36

Maandag 14 november.

Er was eens, duizenden jaren geleden, een verliefde boer. Die zocht een vrouw. Stapelmesjogge was hij van zijn volle nicht. Neef en nicht vrijt licht , zeiden we vroeger, maar deze boer zette zwaar aan. Hij bedong bij zijn oom dat hij zeven jaar voor hem zou werken en dan zijn nicht tot vrouw mocht nemen. Vrijen voordien is er niet bij. Dus het was zeven jaren wachten ! (In een Gerefor-meerde Ethiek van 60 jaar geleden eindigde het hoofdstuk over jongens en meisjes die gingen verloven met de woorden : WACHTEN.  Inderdaad met hoofdletters, alsof er dán méér naar de letter van de wet geleefd zou worden !)  Ik kan me  indenken hoe die periode voor die hunkerende boer is geweest. Op z’n minst stond hij toch stijf van spanning. Eindelijk was het zover en mocht hij zijn bruid na de huwelijksceremonie meevoeren naar zijn tent. Zij was nog helemaal gesluierd, wat de verrassing straks des te groter zou maken.  In het diepe duister beleefden ze het moment waar ze zeven jaar naar hadden verlangd. Toen de boer bij het ochtendgloren langzaam wakker werd en door zijn oogharen naar zijn liefste keek,  schrok hij zich werkelijk te pletter. Daar lag niet de vrouw van zijn natte dromen, die hij in de afgelopen nacht de meest woeste dingen in het oor had gefluisterd, maar daar lag haar oudere  zus. Ze had, zoals de Statenvertaling zegt, “teere ogen”, flets, zonder glans. Jakob (want zo heette de boer)  was er in elk geval niet gek op. Het verhaal is bij ons bekend uit het gezegde : en zie, het was Lea ! Niet zijn keuze, een kat in de zak.

Er was eens een jongeman, zoon van deze boer, die door zijn jaloerse broers als slaaf verkocht werd en naar Egypte afgevoerd. Hij werd huisknecht bij een belangrijke pief en had de pech dat diens vrouw verliefd op hem werd. Toen haar begeerte onbeantwoord bleef bracht ze de jongeling  in diskrediet door hem z’n kleren af te pakken en die aan haar man te tonen. Je hoort het haar zeggen : “de smeerlap had zich al uitgekleed toen hij mijn kamer binnenkwam. Die kerels willen ook allemaal hetzelfde !”. Huwelijk gered en de “bedrogen minnaar”, die geen minnaar wilde wezen,  in het cachot. Daar zaten ook de sommelier en de bakker van het hof. Wat ze hadden uitgevreten weet ik niet maar het zag er niet goed voor ze uit. Ze hadden er nachtmerries van. De “bedrogen minnaar” , die zijn droombaan was kwijtgeraakt, had van dromen zijn specialiteit gemaakt en hielp beide lakeien uit hún droom. En weer moest er gekozen worden .De bakker moest hangen (toen ds Buskes dat een keer in een preek in Amsterdam zei, kreeg hij het bakkersgilde op de stoep !) en de sommelier mocht terug naar fles en glas. De jongeman die dit allemaal voorspelde kennen we als Jozef de dromer.

Dit zijn maar twee zeer oude bijbelverhalen over keuzes. Ik kan er nog tientallen aan toevoegen, zoals :  Kaïn of Abel, Izak of Ismaël, Sara of Hagar, David of Saul, Jezus of Barabbas, Paulus of Petrus. Ga je onze tijd in dan kom je al gauw op Trump of Clinton (inmiddels beslist), zwart of wit, en als het nog even zo doorgaat wordt het : jij of ik. Geen blij vooruitzicht. Dat was het in die oude bijbelverhalen ook al niet.  Tóch bleef de geschiedenis doorgaan, met  vrolijkheid én verdriet , oorlog en vrede,  intriges en bedrog maar ook met liefde en verzoening. Tot in onze tijd aan toe, waarin boeren nog steeds vrouwen zoeken.

 

Dinsdag 15 november.

Over vrouwen zoeken gesproken, ik kom straks in het boek over Juliana terecht in de periode dat er voor haar een man wordt gezocht.  Dat ging niet met stapels brieven en snuffelstages, zoals in  Boer zoekt vrouw,  maar via diplomatieke kanalen en achterdeurtjes. Ik heb net de hoofdstukken over haar studententijd in Leiden gelezen.Interessant om te zien hoe zij al wat meer van deze wereld wordt dan haar moeder Wilhelmina. Maar zelfs dán is het nog steeds een heel elitair en gesloten sfeer waarin Jula (zo heet ze voor vrienden) opgroeit. In het boek Een klein leven kom je per bladzijde dichter bij de vreselijke ellende, door misbruik en ontgoocheling, in de jongensjaren van de hoofdpersoon.  De enorme pijn die hem is gedaan kan hij alleen maar te boven komen door zichzelf te pijnigen.  In de superbeschermde meisjesjaren van Juliana zie je bijna het tegenovergestelde. In plaats van dreiging en terreur          ( lichamelijk en geestelijk) is er zorg en aandacht. Soms zoveel dat het op mij als lezer al verstikkend werkt.  De vele goede bedoelingen van mensen die om haar heen zijn gezet (gouvernantes, hofdames, uitgekozen vriendinnen, leraren en professoren) hebben trouwens niet álle originaliteit van deze prinses kunnen wegnemen. Gaandeweg ontwikkelde zij toch een eigen visie op het leven en haar toekomst daarin. In vergelijking met de “gewone man” baadde zij natuurlijk wel in weelde. Ze had geen bijbaantje nodig om haar studentenkot te kunnen financieren want haar stond een villa op de boulevard van Katwijk ter beschikking waarin zij met drie vriendinnen woonde. In de Tweede Kamer was onlangs heftig gedoe over de toelage die Amalia krijgt als zij gaat studeren, iets van 1 ½ miljoen euro. Dat is twee jaar geleden door de volksvertegenwoor-diging zelf goedgekeurd maar dat waren ze kennelijk vergeten. Of het was ze ontgaan omdat ze op de schermpjes van Ipad’s bezig waren. Nu werd er ineens schande gesproken van die hoge toelage. Ik ben niet voor een koningshuis maar als je het hebt moet je alles netjes regelen. Ik zie die toelage veeleer als een schadeloostelling voor gederfd plezier en misgelopen anonimiteit. Elke stap wordt vastgelegd , ook misstappen. Elk woord dat je zegt wordt gewogen en daar wordt iets van gevonden. En dat levenslang ! Lang leve de Koning(in) maar hij/zij zal haar leven wel moeten veroveren op zijn of haar volk. Dat lukt maar voor een heel klein deel. Voor de rest moeten we gewoon dokken.

Donderdag 17 november

Het is vandaag  in Zuid – Korea de dag van het examen. Het openbare leven, zelfs het vliegverkeer ligt min of meer stil. Middelbare scholieren die zich verslapen of toch vast raken in het verkeer kunnen 112 bellen en worden dan onder escorte naar het examengebouw gebracht. Na 6 jaar pezen van half 7

 ‘s morgens tot laat in de avond,   moeten ze nu hun proef afleggen. Voor hen hangt er alles vanaf,  want alleen de besten worden toegelaten tot de topuniversiteiten. Daarmee lijkt dan hun kostje gekocht te zijn . Echter : slechts één op de duizend wordt toegelaten !!  De teleurstelling druipt straks uit het land.  Geen wonder dat de zelfmoordcijfers onder jongeren in dat land schrikbarend hoog zijn. Nogmaals : het is niet dat land met die malloten aan het bewind dat er ten Noorden van ligt en zich communistisch noemt. Nee, het is Zuid-Korea, een  op de Westerse markt georiënteerd land, met soortgelijke schandalen rond machtsmisbruik en geld. Hun onderwijs, de plek van de jeugd in het algemeen is nog wel van oude tijden. Vooral op prestatie gericht, zoals in de VS, en niet op de ontwikkeling van het kind. In het boek over Juliana las ik een boeiend hoofdstuk over de tijd waarin Juliana kind, puber en begin twintiger was. Er verscheen toen een stuk “Kinderen van deze tijd ‘ , geschre-ven door Henriëtte Roland Holst, die het communisme had afgezworen en religieus socialist was geworden. Zij schreef over de moderne jeugd , “die geen verantwoordelijkheidsbesef en geen idealen kent en zich overgeeft aan goddeloosheid, seks zonder liefde, arbeid zonder vreugde, vrijheid zonder gebondenheid.”  Weet je wat het leuke aan deze uitspraak is : het gaat over de generatie van mijn ouders !  Zoals er in oude Egyptische uitspraken al melding werd gemaakt van het zedelijk verval van de jeugd ;  zoals  er eeuwen lang door de kerk werd gewaarschuwd tegen de afschuwelijke zonden op met name het seksuele vlak ; zoals ook mijn generatie in de jonge jaren vooral rood licht kreeg op de weg van erotische ontdekkingen;  zo is het dus kennelijk altijd geweest. Waar zou dit toch vandaan komen ?  Niet uit de heilige Schrift in elk geval, want daarin kunnen ze er méér van dan welke jeugd ooit heeft gedroomd. Kwam en komt het  uit jaloezie, afgunst zelfs ? Of uit angst en  bezorgdheid, al zijn  die amper te herkennen  in zulke boude uitspraken. Het lijkt me dat deze vragen in Zuid-Korea helemaal niet aan de orde kúnnen komen want wanneer zou dat moeten. Zes jaar lang, 24/7 (zoals ze dat tegenwoordig aanduiden)  klimmen naar een onhaalbare top dooft toch alle lust tot “zonde” .  Het is hooguit zonde van hun tijd.

 

Vrijdag  18 november.

Het viel me deze week op dat ik tijdens het tv-kijken helemaal niet schrik van krachttermen of vloeken. Alsof het gewoon is. Zelf zal ik ze niet snel gebrui-ken.Wie weet is dat  wel de oogst van mijn opvoeding. Ga je mond eens spoelen,  was een opdrachtt die ik letterlijk een keer heb moeten uitvoeren. Ik houd teveel van taal om krachttermen nodig te vinden . Nou goed, een heel enkele keer dan, als ik vreselijk boos ben of me lam schrik. Zoals ik het ook in een boek kan billijken. Een theoloog beweerde deze week in Trouw dat het beruchte g.v.d  in wezen betekent dat God moge verdoemen wat er aan ellende en rampspoed gebeurt.  Akkoord, maar het wordt meestal niet voor dergelijke dingen gebruikt. En dan blijf ik het heel ruw taalgebruik vinden, een beetje armoedig ook. Ik zal er geen lid om worden van de Bond tegen het vloeken want dan moeten we eerst eens een loods vol appelen schillen over de vraag wat vloeken is. Ik herinner mij een boekje van prof. Koole, hoogleraar Oud-Testament in Kampen. Hij was één van de weinigen die met kop en schouder boven het gereformeerde maaiveld uitstak. Hij schreef een pocket onder de titel “De Tien Geboden “. Het was voor mij destijds, een halve eeuw geleden, een eye-opener. “Je zult de naam van God niet voor niets opheffen, om er een klap mee te geven, zoals je een bijl opheft om een slag toe te

dienen “. Ik citeer vrij (want ik kan in het nachtelijk duister dat boekje niet zo vlug vinden) maar heb de teneur goed onthouden. Het riep bij mij vragen op

als : waar wordt die Naam nu het meest voor niets opgeheven ? Is dat op TV of op straat ? In het leger of op het voetbalveld ? Of in de kerk ? Werd en wordt er gevloekt in de kerk ?  Helaas : ja ! Ik ga nu geen lesje kerkgeschiedenis geven maar neem van mij aan : er zijn boeken(planken)  te vullen met voorbeelden hoe de kerk in Gods naam heeft uitgehaald naar mensen en hen daarmee heeft verwond. En wie denkt dat dit niet meer van déze tijd is kan met een paar simpele vingertoetsen op de pc getuige zijn van  deze vloekpartijen.  Mij wordt wel eens kwalijk genomen dat ik me daar nog steeds over opwind.  Dat zij maar zo. Ik vind het diep in mijn hart  minstens zo kwalijk als het fundamentalisme van sommige moslims. Als ik hoor hoe hele groepen mensen (homoseksuelen, jongelui met vrijere opvattingen, andersdenkenden, niet-gelovigen enz.) in de naam van God  worden  weggezet en afgeschoven naar de “buitenste duisternis “  dan is daarmee vergeleken de verwoesting van oude heidense heiligdommen door ISIS   kinderspel  en dát is al zo erg. Vloeken in de kerk, misschien wel het ergste wat er is.

 

 

Nachtboek 35 (34 ontbreekt)

Zondag 30 oktober.

Op verzoek neem ik de tekst van mijn preek van vanmorgen in Leersum op in dit nachtboek.

Inleiding op dienst. Wij lijden nogal eens onder ons verlangen naar vroeger.

Met heimwee, of nostalgie of zelfs met pijn.Logisch als je kostbare mensen of dierbare dingen in het verleden achter moest laten.Iets anders is het als je je in de tijd van nu niet thuis voelt, ontheemd, verdwaald, eenzaam misschien.

Dan ben je geneigd om het verleden te verheerlijken. Vroeger was alles beter, zeggen we dan, maar we weten natuurlijk drommels goed dat dat niet waar is.

Het was overzichtelijker, eenvoudiger misschien, minder gehaast. Maar we waren ook armer en minder gezond en niet zo voorzien van alle gemakken die ons nu ten dienste staan. Hoe gaan we om met ons verlangen naar vroeger.

Daar zal het vanmorgenover gaan aan de hand van Psalm 42 en 43, twee psalmen die oorspronkelijk een een heid vormden.

Lieve mensen van God, gemeente van de Heer. Ons leven is net zo veranderlijk als het weer. Warme belevenissen , afgewisseld door ijzige ervaringen. Middenin je tranen ineens een zonnestraal : een kind, dat tegen je zegt dat het je lief vindt,een vogel die zingt , een hond die z’n kop op je schoot legt muziek die je optilt. Dan weer slaat het donker  toe. In alle variaties. Beangstigende verhalen in de krant, vreselijke beelden op t.v. Verlies van je lief, onheilspellend bericht van je dokter, Als iemand je dan  vraagt : hoe gaat het ? geef je het gebruikelijke antwoord. Het is trouwens aan te raden om dat ook eens niet te doen ! Hoe gaat het ? Alles goed ? Nee. Het was deze maand tien jaar geleden dat op een zondagmorgenvroeg de eerste van vijf broers en één zus van mij stierf.  De anderen volgden vrij snel in de jaren daarna. Ik moest die morgen preken in mijn eigen gemeente. Kwam net bij het sterfbed van mijn broer in het ziekenhuis vandaan en zat wat versuft in de consistorie toen de ouderling van dienst heel opgewekt en vrolijk binnenkwam. Morgen, Bas, alles goed ? en ze liep door naar de garderobe. Nee, riep ik haar na, het is helemaal niet goed

en ik vertelde wat net gebeurd was. En dat deze dienst voor mij heel spannend was. Daarvan zou afhangen of ik de afscheidsdienst van mijn broer zelf zou leiden. Dat is trouwens gelukt.

Hoe gaat het ? Ach ja, het gaat, gemis en dankbaarheid, zwakheid en kracht,

wanhoop en moed . En God ? Ja soms, heel even, en dan fluister ik z’n naam.

Maar Hij is ook vaak ver weg. Alsof Hij er niet meer is.

Het is meer dan 40 jaar geleden. Een ontmoeting met een man. Het staat in mijn geheugen gekerfd en misschien heb ik u het al eens verteld. Ik had een meditatie in het streekblaadje van De Betuwe geschreven. Zeg het op z’n Sameritaans, had ik erboven gezet. Als woordspeling op die handige boekjes :

hoe zeg ik het in het Spaans of Frans enz.  Sameritaans dus. Niet vragen : wie is mijn naaste,  maar antwoorden : voor wie kan ik een naaste zijn. Want dat is de strekking. Zoals gebruikelijk hoor je meestal niks op zulke verhaaltjes.Maar nu ging de telefoon . Een man uit de Midden-Betuwe. Had mijn meditatie gelezen.

Of hij eens met me kon praten. Ik erheen, naar een soort boerderij woning middenin een dorp, vlak naast een zwaar gebouwde kerk. Ik was de eerste mens sinds elf jaar die zijn woonkamer binnenkwam. Zal wel aan hemzelf gelegen hebben, denk je dan, alsof het dan minder erg is. Eigen schuld, dikke bult , maar is het de schuld van een ander dan is de wereld te klein. Alsof we bij voorbaat al weten dat die het expres doet of zo. Terug naar de Midden- Betuwe. De kerk, waar deze man elke zondag twee keer met zijn vrouw heenging, was voor hem geen veilige plek meer. De kerkmensen, zondags op weg naar die zware kerk, staken vóórdat ze bij zijn huis waren, over en liepen aan de andere kant van de straat zijn deur voorbij, de priesters en levieten uit het verhaal over de barmhartige Sameritaan. En het was allemaal zo goed geweest. Maar nu -  de man smeekte en schreeuwde om hulp. Gelukkig is dat met hulp van anderen gelukt. Zelfs zijn kinderen hebben de weg naar hun vader weer gevonden. Maar wat was de man ver weg. En wat had zijn geloof in die God, die in alles zou voorzien, een knauw gekregen.

Laten we onszelf maar eens in dit gesprek betrekken.  Over ons geloof in de God over wie we zongen en praatten. Dat geeft warme herinneringen. Rondom Hem was toch ons hele leven opgebouwd,  dachten we.Hoe we tweemaal per zondag, lopend vaak, naar de kerk gingen en  dat ruim anderhalf uur uithielden.

Weliswaar gesteund door enkele pepermunten, maar toch. Hoe er thuis aan tafel gebeden en uit de bijbel gelezen werd. Catechisatie, club, zondagsschool.

Bidden voor het slapen gaan en bidden bij het opstaan. Allemaal  aangeleerd van geslacht op geslacht en dus vanzelfsprekend. Net zoals God vanzelf-sprekend was Ook hoe we psalmversjes leerden voor school. Dat deed je gewoon, ook al viel er aan de teksten geen touw vast te knopen voor een meisje van 7 of een jochie van 8. Toch : als je even doorspit,  komt de beginregel van deze psalm 42 er bij velen feilloos uit. In de oude berijming, dat wel : ’t hijgend hert der jacht ontkomen schreeuwt niet sterker naar ’t genot

van de frisse waterstromen dan mijn ziel verlangt naar God. Dat deze woorden helemaal niet stroken met de oorspronkelijke tekst  doet dan helemaal niet ter zake, want het zingt zo heerlijk. Moet je eens op youtube intikken : psalm 42 , zaltbommel. Je krijgt het niet-ritmisch te horen en als ik m’n zakdoeken sta te strijken – een vreemde hobby van me – dan loei ik het mee. Op de een of andere manier raakt het me. Zelfs degenen die de kerk allang vaarwel hebben gezegd, kan de tekst nog  ontroeren, want je treft in deze Psalm in zekere zin een lotgenoot. Hoor maar : het lied wordt gezongen door één van de kinderen van Korach. Dat zijn tempelzangers, maar de tempel is voor hem ver weg.

Vraag  hem maar eens hoe het met hem gaat . Hij is ver heen. Eenzaam voelt ie zich  , teruggegooid op zichzelf en in een waar gevecht over zijn bestemming.

Wat is er van me geworden ? Hoe was ik ? Hoe zal het verder met me gaan ?

Door zijn herinnering spelen de feesten in de tempel in Jeruzalem. Hij stond vooraan in het jongenskoor en zong de Heilige Stad als een nachtegaal.

Maar dat is ver weg en lang geleden. Nu zit hij aan de bovenloop van de Jordaan, in het Hermongebergte. Zijn keel is rauw van geschreeuw en nergens water. Hij dorst naar God, maar het enige wat ie te drinken krijgt zijn z’n eigen tranen. En anderen maar roepen : waar is nu je God ? O, die anderen, die mensen zonder begrip ! Die eeuwige “anderen “ !! Lekker pesten of cynische opmerkingen maken : waar ís die God van jou nu ? Alsof híj  weet waar God is.

Mensen roepen vaak maar wat. De zwaar-gelovige weet het allemaal precies.

Ik heb me vorig weekend vergaloppeerd door via Youtube eens enkele kerkdiensten te beluisteren van de oud gereformeerde gemeente.

Nu zal ik u een geheim vertellen : volgens hen mag ik hier helemaal niet staan.

Ik ben een wolf in schaapskleren, een verloochenaar van Jezus en ik moet naar eeuwig hellevuur. Dat u het maar weet, ook waar u me kunt vinden. Zij weten het in elk geval wel. In tegenstelling tot de licht-gelovige, die vraagt maar door.

Maar wie weet waar God is en je geluk,  als je je geamputeerd voelt, je liefste kwijt bent of je gezondheid ? Niemand toch ! Dat is toch je eigen gevecht. En die God dan ? Nou, die zit  niet achter een bureau de mensenzaken  te regelen .

Hij is niet de veroorzaker van jouw pijn. God is toch naar wie je zoekt, naar wie je verlangt ? Alleen valt het je soms  te moede. Dan lijkt het net alsof God een beetje is doodgegaan. Precies zoals je jezelf ook voelt : watervloed op watervloed, zegt de psalm maar dan geen water om te drinken, maar water waarin je kopje ondergaat. Al uw golven slaan  zwaar over mij heen. Wie kent het niet ? En áls u het zelf niet kent, kijk om u heen. Soms in één huis, de ene ramp na de ander, zodat je je afvraagt : hoeveel verdriet kan één mens aan ?

Je droom in duigen, je veiligheid verdwenen, enkel angst. Al uw brekers trokken over mij heen, vertaalt de Naardense Bijbel. Het lijkt dan ook nog alsof God erachter zit. Want van hem zijn toch die golven en die baren ? Doodeng.

Waarom doet God mij dit aan ? hoor je dan. Zo wanhopig kunnen wij zijn.

Gelukkig daalt de dichter van de psalm niet dieper af in deze krochten,   maar roept hij bijtijds zichzelf tot de orde. Hij ontdekt iets van het ware gezicht van God.. Geef mij vandaag en iedere dag een teken van vriendschap, dan zal ik voor U zingen tot diep in de nacht, zolang ik besta. Maar meteen schiet de dichter weer onderuit. Onder het aanroepen van de naam van de Levende,

schildert hij zijn doodsbestaan. Waarom ga ik in het zwart, onder druk van een vijand. God, waarom hebt u mij vergeten ? Dit is een gevecht om God tot op het bot uitgevochten. Vinden we het daarom één van onze liefste Psalmen ?

Omdat het zo herkenbaar is ?

Ook wij zijn vaak ver heen van God. En als we het niet van onszelf vinden,

dan vinden we het wel van anderen. Dan kijken we om ons heen in de kerk,

en zien : díé is er niet en díé komt niet meer, ’t wordt steeds leger en als ’t zo doorgaat blijft er niets over van kerk en geloof. Zwartkijkers als we zijn.

En bovendien slechte verstaanders, want God en kerk zijn natuurlijk niet hetzelfde ! We moeten niet alleen de sombere verzen uit deze psalm zingen.

Er zit ook  hoop in en geloof dat het goed komt . Hoor maar : ik zal wachten op God. Hij  komt met  licht en trouw naar me toe. Ik hoop op God, Hij is mijn lijfsbehoud, de dichter zegt het drie keer. Hij is opstandig, twijfelt aan alles,

is bang en teleurgesteld, maar uiteindelijk wint de hoop. Gewoon omdat hij het heimwee toelaat, die zoete herinnering aan zijn gezang in de tempel, het feest in Jeruzalem. De prachtige tijd die je samen had. het geluk wat je hebt gekend.

de gezondheid die jaren je deel was, allemaal stapstenen op de weg naar je voltooiing. Elke stap die jij zet komt God ook dichterbij.

Krijg je dan meteen antwoord op de vraag : waar is God ? ik denk het niet.

Het beste antwoord op de vraag : waar is God, krijgt een mens door te zoeken naar zijn aangezicht, zoals we zongen in Ps 42 vers 1. En dat toont zich in tekenen van vriendschap. Zó komt die God uit het verleden op ons toe.

God geschiedt waar mensen toekomst vermoeden, echte toekomst voor iedereen, vol bevrijding van alles wat onderdrukt. God en mens naderen elkaar,

waar mensen dit durven geloven. En : geloven is zoeken , in vol vertrouwen dat je vindt.  Ooit.  Amen.                         

 

 

Dinsdag 2 november

Ik vind onze tijd er niet leuker op worden. Mensen zijn zo gauw boos. Soms terecht omdat ze zich tekort gedaan voelen.  B.v. in  zorg en inkomen.  Het zal waar zijn dat er bezuinigd moest worden maar tegelijk zien we schandalige verkwistingen, megasalarissen en bonussen. Zelfs bij banken die door eigen schuld dreigden om te vallen en vervolgens door de belastingbetaler overeind moesten worden gehouden, zoals de ING. Nu dat gelukt is vallen er ontslagen ! Eerst in ons land , nu in België.  Als ik in Trouw lees dat “Winst van Shell verrassend hoog is, maar snijden  nodig blijft , dat projecten zijn geschrapt en werknemers ontslagen en dat de oliebedrijven zó de lage olieprijzen goed maken  “  en op de volgende pagina dat mantelzorgers gekort mogen worden op bijstand, dan wringt dat.  Jarenlang al zie je de onvrede groeien en met meer dan gewone spanning gaan we  verkiezingen tegemoet. Vooral de onvrede zal in de kieshokjes beloond worden. De winnaars van dat malle referendum over de Oekraïne (2,3 miljoen) voelen zich een meerderheid (zijn ze niet natuurlijk met ongeveer 20%). De nalopers van Wilders  schreeuwen maar wat over buitenlanders en eigen volk eerst. De DENK-Turken  willen hier een soort filiaal van het Erdogan-Turkije. En een keurige partij als het CDA blijft mooie teksten uitkramen maar roert ook graag in de drek die over ons land ligt.Voor stemmenwinst heeft ze heel wat over kennelijk.  Het lijkt er langzamerhand wat op dat politiek een spelletje wordt in handen van types die niet verder kijken dan hun eigen beperkte horizon. Helaas hebben ze de VS als “lichtend” voorbeeld. Terwijl de wereld op veel plekken in brand staat, talloze mensen gedood worden en een veelvoud op de vlucht is, vergaapt het land, dat zich het machtigst waant op deze aarde, aan een moddergevecht tussen twee ongeschikte kandidaten voor het hoogste ambt van dat land. Het maakt al niet meer uit wie er wint, de verdeeldheid in het volk is zo diep dat we de komende jaren weinig heil uit die richting kunnen verwachten. Vanuit ons Europa ook niet. Het is een logge reus geworden , intens bezig zichzelf overeind te houden, zonder werkelijk oog (en hart) te hebben voor de honderd-duizenden die aan zijn  poort rammelen of , zoals in Parijs, in tenten onder hun boulevards in hun eigen viezigheid zitten.  Allemaal gelukszoekers !   Die kreet hoor je dan. Nou en ?  Je bent toch zwaar door de ratten besnuffeld als jij als Syriër of Soedanees of noem maar op je geluk niet elders ging zoeken als je door je eigen president wordt aangevallen of door religieuze gekken met de dood wordt bedreigd !  Natuurlijk zoek je dan je geluk elders. Vooral in landen die hoog scoren op de gelukslijst . Daar hoort ons land ook bij. Maar ja, wij hebben het druk met Zwarte Piet, geld voor het koningshuis, ouderen die meer dan drie keer per dag naar de wc moeten en poltieofficieren die die het onderscheid tussen mijn en dijn niet kennen. Nee, leuker wordt het niet. Misschien moet er eens een echte winter over. Vorst doodt  toch bacterieën ? En wie weet strijken we hier (én in Parijs ) de hand over ons hart en gaan we warmte aanbieden.

 

Zaterdag 5 november

Toen ik vanmorgen drie ochtendkranten uit de bus haalde betrapte ik mezelf erop dat ik trots was als een pauw.Ik had een stapel met tientallen meningen in handen en zou de meesten lezen zonder dat er , zoals in Turkije, politie op je stoep staat die bepaalde standpunten verbiedt. Of je opsluit omdat je niet alleen de spreekbuis van de Staat leest. Ik prijs me mateloos gelukkig in dit vrije land te wonen. Ook hier lopen malloten rond en ze toeteren maar wat , maar ze hebben goddank geen macht. En dat moest maar zo blijven. Ben ook blij niet in de VS te wonen en te moeten gaan kiezen tussen Scylla en Charibdis. In de kranten zag ik foto’s van biddende Republikeinen. Zelf ben ik niet zo’n bidder maar normaal kan de houding van een biddend mens mij nog ontroeren. Maar op deze foto’s was het een show. Een predikant had zijn hand op het hart van Trump gelegd terwijl hij een gebed uitsprak. Trump en de omstanders hadden de ogen stevig dichtgeknepen, zoals de kinderen vroeger deden aan tafel, in de tijd dat ze het gebedje vóór het eten nog bloedserieus namen. Waar baden ze voor, op die foto ? Dat de billen van de volgende vrouw wat zachter mochten aanvoelen als hij erin kneep ? Of dat die muur tegen Mexico uit de hemel mocht vallen ? Het hele tafereel deed me denken aan de aanbidding van het gouden kalf. In het oerverhaal over de bevrijding van het volk Israël uit Egypte zijn ze beland in de woestijn. Daar ontmoet hun voortrekker Mozes zijn God op een berg. Dat duurt. Te lang in de ogen van het volk. En die maken dan van goud een kalf en noemen dat hun heer. Koetjeboe, zullen we maar zeggen. En dat is dan de God die Amerika moet blessen, want dat zeggen ze allemaal aan het slot van (verkiezings)toespraken. Hillary ook. Ik vind het net een robot, gemaakt van vrouw.  Om beiden hangt een aureool van macht en kapitaal. Eigenlijk valt er niks te kiezen. Of om het met een flauwe woordspeling te zeggen : ik vrees dat de Amerikanen het met beiden enorm voor hun kiezen krijgen.

 

Zondag 6 november

Vandaag zou broer Jan 86 zijn geworden. In werkelijkheid heeft hij de 76 net niet gehaald. Vreemd dat ik hem ruim twee jaar voorbij ben. Want in mijn gedachten is hij nog steeds een oudere broer. Ik had graag met hem eens van gedachten willen  wisselen over  twee grote mannen in kerk en theologie uit de vorige eeuw. Barnard, wiens dagboek ik momenteel weer lees. En Miskotte, over wie dezer dagen een biografie is verschenen. De bespreking in Trouw doet me dat boek begeren. Wat mij vooral zo boeit is dat beide mannen aan het eind van hun leven zo enorm tobben met hun eigen geloof. Of hoort dat juist ? Ik ben maar een piepklein leerlingetje van beiden (Barnard voornamelijk in liturgie en liederen, Miskotte via Breukelman) en ken dat getob ook, maar dacht dat dat bij mijn kleinheid hoorde. Zij straalden , elk op eigen gebied, grootheid uit. Kennelijk maakt dat in de tijd dat de schaduwen langer worden niet meer uit en wankelen we allemaal een beetje, heus niet alleen fysiek. Hoewel : ik zag net twee EO-uitzendingen. In de eerste hoorde ik Katja Schuurman beweren dat ze niet dood zou gaan, eeuwig zou leven en anders ingevroren wilde worden zodat ze later weer verder zou kunnen, als de techniek die mogelijkheden bood. Toen haar dochtertje van 6 haar zei dat alle mensen doodgaan, had zij geantwoord : mama niet. Alleen al voor die dochter hoop ik dat ze nog lang gelijk heeft. Maar verder vind ik het een merkwaardige ontkenning van het leven, dat juist zo kostbaar is vanwege de beperkte tijd (Bonhoeffer noemde dat “befristete Zeit”). In de tweede uitzending was ook een charmante vrouw ( de EO had er oog voor deze avond) aan het woord die in een periode van ernstige ziekte geen enkele twijfel had gekend maar net als daarvoor en daarna zeker was van het bestaan van God.  En zo leek de zondag toch te eindigen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Maar dat is maar schijn. De grote vragen  uit de 20e eeuw hebben zelfs theologische reuzen doen wankelen. De naschok-ken zijn nog lang niet voorbij.  Toen ik , na de dood van mijn broer, zijn boekenkast opruimde, gingen al die grote namen door mijn handen. Net als ik had hij al die pillen doorgewerkt, met een pen of potlood in de hand.  Onderstrepingen,  uitroeptekens, gedachten en naarmate de schrijver moderner was steeds meer vraagtekens . Bij mij stonden die vraagtekens  veel vaker in de oude geschriften. Ik kwam uitroeptekens tekort bij het nieuwe werk. We verschilden maar 8 jaar in leeftijd maar er was een generatie verschil  in zienswijze op kerk en geloof. Juist daarom had ik graag aan de hand van de vragen die die oude reuzen oproepen in hun dagboek of biografie nog eens met hem doorgepraat. Tegelijk weet ik zeker dat hij dat liever niet zou hebben gedaan. Het maakte hem tóén al heel onrustig. Net alsof hij het wankelen voelde aankomen.

 

Maandag 7 november

Ik zag de schrijver Arnon Grünberg bij Pauw. Er is een boek uitgegeven met brieven die hij schreef tussen zijn 17e en 23e. Veel dwingende liefdesbrieven, begreep ik, waardoor meisjes wel op hem verliefd móésten worden. Dacht ie.

Hij las er iets uit voor en je hoorde meteen dat hij toen al zwom in taal. Ik ben van een generatie eerder.  Op genoemde leeftijd was er wel veel taal maar ik verdronk er eerder in dan dat ik erin zwom. Bovendien was er zó veel vreemde taal dat ik amper toekwam aan de taal die mij nu zo lief is. Je leest weleens van kinderen die in een pastorie opgroeiden dat hun thuis er één was vol muziek en literatuur. Dat was bij ons niet zo. Boeken stonden, zwartgerugd, op vaders studeerkamer en oefenden op mij geen enkele aantrekkingskracht uit. Ergens in de huiskamer moeten wat boeken gestaan hebben, over zingende tuinfluiters, uitvliegende jeugd en goud elsjes maar geen literatuur. Voor school moesten we dat natuurlijk wel lezen maar mijn herinnering reikt niet verder dan Arthur van Schendel, Bordewijk, Elckerlik (waar ik niets van snapte) en nog zo wat. Pas in mijn studententijd schoof Koos Koster mij de boeken van die dagen  onder de neus : Sartre, Vestdijk, Reve (De Avonden). Sindsdien is de leeshonger alleen maar toegenomen en nog lang niet gestild. Geschiedenis, fictie, psychologische romans, biografieën, voor mij allemaal een zwembad.  Ik verkies het boven beelddragers als film, drama, documentaire enz. De beelden die het geschreven woord bij mij oproept zijn  echt van mijzelf en blijven me

(daardoor ?) veel beter bij. De eenzamheid en de verwarring, de sleur en de schoonheid, de kilte en de afstand, de opwinding en het spel, de hartstocht en de dood , dit alles en nog veel meer beleef ik al lezend. Erover schrijven deed ik zeker niet als late puber of beginnend student. Natuurlijk schreef ik weleens

brieven. Voor de jonge lezers : dat waren velletjes papier die je met vulpen of ballpoint volschreef, in een ingevouwen papiertje (wat enveloppe heette) stopte, dichtplakte en voorzag van een zegeltje waaraan je moest likken voordat het plakte. Als je heel veel dacht te houden van degene aan wie je die brief adresseerde kon je dat te kennen geven door die zegel in een bepaalde stand te zetten. Stond ie op z’n kop dan was je helemaal hoteldebotel; stond ie schuin dan verlangde je . En stond ie dwars dan wilde je met haar liggen. Maar dat deed ik alleen maar in de jonge jaren, toen mijn  pen gedoopt was in hormonen.  Die brieven zijn allemaal weg. Toen kwamen de briefwisselingen in mijn “tweede jeugd  “. Heel af en toe vind ik er snippers van terug. Een intensieve tijd, heel verward soms, duidelijk bezig met het teboven komen van een verleden, op zoek  naar nieuwe plekken van vertrouwen en overgave.

Nu is er de mail. Voor mij precies op tijd want mijn hand voldoet niet meer aan het schrift. Te beverig, te wankel, om dat woord van gisteren maar weer te gebruiken. Maar van het wankelen op zich, in denken en beleven, geniet ik enorm. Ik schrijf er graag over, ook om meelezers in hún wankelen gezelschap te houden.

 

Vrijdag  11 november

Opnieuw stond er vanavond een schaal met snoep klaar maar geen kind of lampion gezien. Moet ik het weer allemaal zelf opeten. Gelukkig had ik daar bij de aankoop al een beetje rekening mee gehouden. Eind jaren zestig was dat in Swifterbant (Flevopolder) wel anders. Een kinderrijk dorp met de ene optocht na de ander. Onze eigen kinderen deden er graag aan mee. Er was toen nog niet die rage van gezond fruit en zo. Het was gewoon lekker snoepen, slecht voor van alles (met name het gebit) maar lékker !  En dus mochten ze , eenmaal thuisgekomen van die bedeltocht, snoepen zoveel ze wilden, als het moest tot kotsens toe. En wat overbleef gooiden we weg, al ben ik er niet zeker van of dat helemaal lukte.. Kinderen zijn slimmer dan je denkt. Er zijn al middelbare scholen waarop  leerlingen deelnemen aan de benoemingsprocedure van nieuwe leerkrachten. Hun oordeel telt voor eenderde mee. Dat vind ik een fantastisch gegeven om even bij weg te dromen. Ik zou me zeker hebben aangemeld voor deze activiteit. En ik zou vooral hebben aangedrongen op tussentijdse evaluatie. Niet alleen omdat dat goed bekt maar vooral om een eind te kunnen maken aan slaapverwekkende, autoritaire, discriminerende of elitaire lesuren. Niet dat er meteen leraren of leraressen weg moesten maar om ze beter te laten presteren, zoals ze uiteindelijk ook van ons verwachtten.

Eigenlijk was ik van plan iets over mijn beleving van het boek  “Een klein leven” te schrijven en die te koppelen aan mijn ervaring nu van de biografie over Juliana. Dat laatste begint namelijk met twee heel kleine, zeer beschermde levens ( van Wilhelmina en Juliana) tegenover het vreselijk bedreigde en misbruikte  leven van de hoofdpersoon  in het eerstegenoemde boek.Maar daar wil ik eerst nog verder over nadenken én : ik wil iets verder zijn in die biografie. Al kan ik nu al zeggen dat onze koning  zich niks moet aantrekken van tante Irene en het boek over zijn oma echt ter hand moet nemen. Geschiedenis is nu eenmaal niet enkel leuk ; het kan ook pijn doen.Maar leerzaam dat het is !

Op die lange vlucht naar het andere eind van de wereld en terug had ik het in zijn plaats allang uit gehad. Mogelijk had het hem op het idee kunnen  brengen zijn vrouw te stimuleren ook eens zo’n boek over háár familie te laten verschij-nen. Ik zal het zeker lezen.

 

 

Nachtboek 33

Zaterdag 15 oktober.

Het was voorjaar 1973. Ik woonde met het gezin nog in Blomberg, Duitsland. Zoon Harold had tijdens een vakantie in Holland gehoord dat een familie hun jonge boxer niet aankon. Of het niet iets voor ons was ?  Ja dus. Hij heette Goris maar omdat ik een ds kende die zo heette en geen trek had om de hele dag zijn naam te roepen heb ik hem omgedoopt tot Morus. Afgeleid van Thomas More, de Britse staatsman en humanist, later RK.martelaar (1478 – 1535) die het befaamde Utopia schreef. Hoewel utopia “geen plaats “ betekent kreeg Morus meer dan een plaats bij ons. Hij had één boos (rood) oog en joeg daarmee sommigen schrik aan. En hij was een gedegen alfa-mannetje. Dat maakte dat hij niet met alle honden overweg kon (of zij niet met hem). Mijn schoonzus in België had er ook één van dit kaliber. Als we bij elkaar logeerden moesten we meerdan een Ijzeren Gordijn ophangen om een clash te voorkomen. De enkele keer dat ze door de mazen wisten te glippen was er veel moed en kracht nodig om tussenbeide te komen. Voor ons was het een grote vriend. Lekker gek soms. Ik herinner mij een prachtige zondagmorgen . Ik bereidde me voor op de kerkdienst en keek boven uit het raam de tuin in. Helemaal achterin zag ik Morus in de weer met een kilo kaas die hij uit de koelkast had gepikt. Voordat ik bij hem was had hij zeker de helft naarbinnen geschrokt en keek me aan met een blik van : mag het ietsje meer zijn ?  Ik geloof dat ik heb gezegd dat dit niet mocht maar kon mijn gezicht moeilijk in de plooi krijgen. Hij verhuisde in 1976 mee naar Hoogland en heeft hier nog acht jaar een fantastisch hondenleven genoten met eindeloze wandelingen in polder en bos. Z’n laatste maanden kreeg hij gezelschap van Mini, een pluizig hondje dat de Dierenbescherming had gered uit handen van een of andere malloot en bij ons had geplaatst. De oude Morus liet zich het geflikflooi van dat beestje tot aan zijn dood heerlijk welgevallen. Daarna is Mini door vrienden overgenomen en uiteindelijk als boerderijhondje heel gelukkig en stokoud geworden. Rest mij nog Morus aan een theoloog te koppelen. Dat wordt Karl Barth, de grote Zwitserse dogmaticus uit de 1e helft van de vorige eeuw. Een stevige theoloog die lijvige boeken schreef, niet bij iedereen geliefd omdat hij streng in de (openbarings-)leer was,

maar toch ook een humoristisch mens. En hij hield van Mozart. Ik meen me zelfs te herinneren dat hij ooit gezegd heeft in de hemel alleen maar die muziek te willen horen. Ik vond Morus een dogmatische hond ;  wat in z’n kop zat, zat nergens anders, strak in de leer, met vleugjes humor. De woordjes “uit “ en “eten “ klonken hem als muziek in de oren en zijn “boze oog “ hield elke afwijking in leer of leven scherp in de gaten. Na hem leefden we in een boxerloos tijdperk dat ongeveer een jaar heeft geduurd.

 

 

Zondag 16 oktober

Een prachtige najaarsdag maar ik was te lui om eropuit te gaan. Van de weeromstuit laat de inspiratie het ook af weten. Die gedijt niet in luiheid.

Dat is trouwens iets anders dan “niets doen “.  Als ik in mijn jongensjaren  lekker zat weg te dromen en m’n fantasie de vrije loop liet, kon dat wel eens wreed verstoord worden door de vraag : heb je niks te doen ? En voor de zekerheid werd eraan toegevoegd : ledigheid is duivels oorkussen. Maar niks doen kan juist heel productief zijn voor je gedachtenwereld. “Haast komt niet van de duivel. Het is de duivel “, heeft Carl Jung ooit gezegd. Waarom meteen die duivel  ? Toen Agnes en ik eind  1979 gingen samenwonen werd die duivel er ook weer bijgehaald. Agnes was RK en ik Geref.  “Twee geloven op één kussen daar slaapt de duivel tussen “ was het vaste commentaar. Ik had ook een geijkt antwoord : zolang die slaapt is er niks aan de hand. Heerlijk om dan die verbouwereerde gezichten te zien. Met zó’n duivel heb ik niks. De echte is veel erger, symbool van het kwaad, tegenspeler van het goede en rechtvaardige. Die kun je monsterachtig uitbeelden maar is in ware gedaante  veel verschrikkelijker. Ik huiver als ik de dagelijkse beelden zie en verhalen lees.

De moderne beschaving heeft het geloof in die duivel opgegeven maar hij is er de enige verklaring voor, zei Ronald Knox.  Diabolisch betekent door elkaar gooien. Hele levens en leefgemeenschappen, cultuurgoederen en steden worden doorelkaar gesmeten en verwoest. Niks oorkussen of een slapende duivel. Hij gaat op hoge toeren onze aarde over.

Ondanks de luiheid van deze dag moest dit er even uit. En – “alsof de duvel ermee speelt “ – in gedachten duikt ineens mijn volgende boxer op. Hij wil beschreven worden en weten welke theoloog hem aan het lijntje houdt. Ik weet het maar bewaar het tot morgen.

 

Maandag  17 oktober.

Medio jaren ’80 had ik de eer – want zo voelde dat -  professor Willem Berger uit Nijmegen te ontmoeten. Een groot pastor/psycholoog, priester (en toch gehuwd) en hoogleraar aan de Radbouduniversiteit. Hij assisteerde in die tijd ds. Nico ter Linden in de Westerkerk in het pastoraat. Een collega en ik vroegen hem voor een bijscholingsdag van geestelijk verzorgers in het leger. Van die bijeenkomst herinner ik mij één moment : een van de deelnemers vertelde een indringende,  persoonlijke ervaring waar erg veel verdriet in zat. Iedereen luisterde ademloos. En bij Willem Berger liepen de tranen over de wangen. Toen het verhaal uit was viel er een doodse stilte. Hoe pak je dit op ? Berger deed het alsvolgt, hij zei : als je ouder wordt zitten de tranen wat losser in je oogkassen maar ze zijn er niet minder echt om. Dat is humor ten top en gaf  aanleiding tot een diep gesprek over omgaan met emoties in ons werk. Ik heb al eens eerder verteld hoe klein de grote Barnard  zich voelde als hij in een emotionele situatie terechtkwam, bij een sterfbed b.v. Het liefst ging hij dan in een hoekje zitten en was alleen maar aanwezig. Woorden deden er dan niet toe. Reken erop dat dat voor ons  “ dienaren des Woords ‘ een hele toer was.

Wij waren helemaal niet opgeleid om onze mond te houden en er gewoon te zijn. Nieuw voor ons was dat stilte het beste gesprek kan zijn. Ik las dat een vader een kwartier lang bij het bed van zijn ernstig zieke dochter had gezeten. Hij wist geen stom woord uit te brengen. Hield alleen maar haar hand vast en ging daarna weg. Later vertelde de dochter dat dit het  beste moment was geweest dat zij ooit met haar vader heeft gehad. -  Ik trok net het boek “Zielzorger vandaag “ van Willem Berger uit mijn kast, verschenen in 1983. Doorbladerend zie ik al mijn onderstrepingen en uitroeptekens en bemerk wat een grote invloed hij op mij heeft gehad. “ Je moet leren echt in contact te staan met je eigen gelovige ervaringen – alleen zó kom je ook in contact met de dan ontwakende gelovige ervaringen van je hoorders”, zegt hij elders. Ik zou hem meteen vragen of twijfel daarbij hoort. En in mijn verbeelding zie ik een brede grijns op zijn gezicht en hoor : zonder twijfel stelt je geloof niks voor !

Welnu, de naam van deze Berger verbind ik aan mijn volgende boxer Kof (weer een Hebreeuwse letter, de q) om een heel eenvoudige reden. Ik was met een collega op weg naar Nijmegen i.v.m. een voorgesprek met prof. Berger. We kwamen langs Elst en met een zekere weemoed wees ik het huis aan van de fokker van mijn eerste drie boxers. De simpele suggestie : “laten we even gaan kijken “ was voldoende om het stuur plots naar links om te gooien en het erf van de fokker op te rijden. Hij nodigde ons in de woonkamer en kwam even later met een arm vol puppies. Ons hart ging open voor degene met de zwartste smoel. De koop werd beklonken en op de terugweg uit Nijmegen haalden we hem op.  Hij ontwikkelde zich tot een uiterst lief beest, vol gekke streken, moedig als het moest en zeldzaam ontspannen als er niets van hem gevraagd werd. Hij lag dan het liefst op zijn rug met vier poten in de lucht. Bij toeval had ik gezien dat de fokker ook een nest bouviers had. Ik wist dat onze buurvrouw een hond van dat ras zocht. Een lang verhaal kort : twee dagen later was Nouschka de vriendin voor het leven van onze Kof. Hij heeft elf jaar genoten, al vond hij mijn werk niks. Daarvoor moest ik immers de deur uit zonder hem. Frappant was dat hij op de zondagmorgen, als ik met mijn togakoffertje de trap af kwam, geen vin verroerde, roerloos op zijn kleedje bleef liggen en me een diepe zucht nazond als ik wegging. Ging dan mijn geloof bóven de liefde voor hem ?  Ik had wel eens in zijn kop willen kijken. Waarschijnlijk veel twijfel gezien. Eén keer heeft hij getracht zich voort te planten. Hij was me ontsnapt en ik vond hem terug in een droge sloot, erotisch vastgeketend aan een namaakherder. Daarbij stond een boze boer die me vertelde dat hij net de vorige week abortus had laten plegen bij zijn hond. Ik heb hem toen met al mijn biologische kennis (die ik helemaal niet heb) duidelijk gemaakt dat het dan dit keer geen kwaad kon en we die dieren dit pleziertje maar moesten gunnen. De man lachte (al of niet met kiespijn) en het is inderdaad niks geworden. Door schade en schande wijs geworden (zie Nachtboek 15 oktober) namen wij Kof al heel jong mee naar België waar mijn schoonzus nog steeds die stevige boxer Duc bezat. Ik heb hem toen dat jonge beest gewoon aangeboden en we zagen met eigen ogen hoe die twee vriendschap voor het leven sloten. Telkens als ze elkaar in de jaren daarna ontmoetten was het een kluwe van acht poten en  twee koppen . Tegen het einde van zijn leven hebben we een Kliko –hondje (zijn vader heette echt Kliko) erbij genomen met de sjieke naam Marquis  (genoemd naar mijn zwager Marc). Die kon, net als de Sunamitische die koning David op zijn oude dag moest verwarmen, Kof door zijn oude dagen heenhelpen. Dat heeft hij met verve gedaan. Een mantelzorger voordat ooit iemand van dat woord gehoord had. Tot het bittere einde, want dat was het.

 

Dinsdag 18 oktober

Mijn beste Frans spreek ik als ik wat gedronken heb. Althans , dat dacht ik wanneer ik met mijn zwager Marc in gesprek was. Hij was een echte Walloon die het Nederlands minachtte. Heel bijzonder want hij was getrouwd met een Nederlandse (Rie, zus van Agnes). Ik heb hem van 1979 tot zijn dood in 1994 gekend. Met plezier zochten we hen regelmatig op. Ik herinner mij de 1e keer : we werden heel gastvrij ontvangen  en Marc begon enorme verhalen tegen me af te steken. Daar zit je dan met je gymnasium – Frans. Ik had geleerd moeilijke stukken te vertalen in onze taal maar kon in hun taal amper een pond aardap-pelen kopen. Maar, o wonder, na enkele biertjes hield ik ook vlammende betogen in het Frans. Eén teleurstelling : niemand begreep wat ik bedoelde. Dus hebben we veel gebridged, gegeten, gewandeld en doorgedronken. En bovenal genoten van de honden. Nadat hun Duc was gestorven kwam Prince, een stoere Waalse boxer, die ik in 1995 heb overgenomen omdat hij voor Rie alleen te belastend werd. We waren toen met haar op vakantie in Bretagne waar Prince en ons Kliko-hondje dikke maatjes werden. Ik heb het beeld van die twee nog voor ogen toen ze samen scheurden over een met algen bedekt strand, waarbij ze prachtige,  groene gordijnen ophingen. Aan het eind van die vakantie vroeg ik Rie : zal ik jouw hond maar meenemen ? Hij heeft maar drie jaar bij ons geleefd en stierf aan dé boxerziekte : kanker. Zelf was ik gek op hem maar anderen hadden enige reserve. Niet vanwege zijn enthousiasme – dat hebben alle boxers – maar vooral vanwege zijn onverstoorbaarheid. Hij had dan iets van een hautaine Walloniër, die nog nooit van het woord “luisteren “  had gehoord. Ook de omgang met andere honden kende zijn grenzen. Behalve dan met Marquis en de nieuwe buurhond, de woeste Roos, een stapelgekke bouvier maar vreselijk lief. Ik heb wat met die drie door de bossen gelopen ! Terwijl ik dit opschrijf komt er uit mijn geheugen een vreselijk nare lucht naarboven. Ik was de drie honden een keer kwijt op de hei. Dat is dan een kwestie van wachten, ze komen vanzelf terug. Ineens zag ik ze alledrie uit een bosje opduiken, dolenthousiast. Laat nou op dat plekje een mens zich ontlast hebben ! Daar hadden ze heerlijk in liggen rondtollen. Toen moest dat spul bij mij in de auto ! Telefoontje naar huis (zet emmers waters met biotex buiten), ramen open, drie sigaretten tegelijk in de mond en vol gas.

Als ik Prince aan een theoloog moet koppelen schiet mij Küng te binnen , een groot Katholiek, die binnen het bastion van de moederkerk andere geluiden durfde laten horen. En dat vólhield ! Zijn grote tegenspeler in Duitsland was kardinaal Ratzinger, de latere Paus Benedictus. Küng is herhaaldelijk tot de orde geroepen maar gaf zich niet gewonnen. Een moedig mens, onverstoor-baar en dat vond ik van Prince ook.

 

Woensdag 19 oktober.

Komende nacht is het laatste debat tussen Hillary Clinton en Donald Trump. Eigenlijk moet ik kijken maar ik aarzel nog. Ik zou zo graag zien dat ze hun visie op het wereldgebeuren gaven en lieten weten wat ze van plan zijn. Maar ik vrees dat het weer een hondengevecht wordt, met grommen en bijten. Dat deden mijn boxers niet. Ik heb er nog één te gaan in dit nachtboek. Het is bijna 17 jaar geleden dat we door een fokker in Garderen gebeld werden dat ze een nestje puppies had. We gingen erheen en zaten vol verwachting aan de keukentafel toen zij met haar armen vol binnenkwam. Ze zette ze op tafel en Agnes pakte meteen de donkerste, die erg veel op Kof leek. Maar we hadden afgesproken een licht bruine te nemen. Die was er ook bij, een stevige jongen, die knorde als een varken. Op tafel lag mijn agenda om de datum in te vullen voor de volgende afspraak. Het knorbeest kwam naar me toe en zette zijn poot op de agenda. Die is het dus geworden We noemden hem Baron, dat paste mooi in het rijtje van Duc, Prince en Marquis .Toen we hem enkele weken later ophaalden en vol trots aan  ons klikohondje  Marquis lieten zien, toonde deze zich zeer vijandig. Hij had al twee boxers stervensbegeleiding gegeven en nu kwam er weer zo’n mormel. Daar had hij duidelijk geen zin in. Ik ben toen op de grond gaan zitten, nam Marquis op schoot en duwde met mijn voet die pup weg, telkens als hij naar me toe wilde komen. Ondertussen zei ik de meest gemene dingen tegen hem. Marquis vond het aanvankelijk prachtig maar kreeg ineens medelijden. Hij maakte zich van mij los, begon de pup te likken en dook samen met hem in de mand ; ze  werden (en bleven) dikke vrienden. We wisten dat Baron onze laatste boxer zou worden. Het leek alsof hij dat ook wist want hij deed erg zijn best om een topper te zijn en dat was ie. Samen met hem , Marquis en de 3e vrolijke  bouvier van de buurvrouw (Yara) ben ik jarenlang  ‘s morgens naar het bos geweest. Op de heenweg was het altijd een opgewekt geloei in de auto. Terug dampten ze van tevredenheid. Voor mij was het dé manier om m’n hoofd wat leeg te krijgen en nieuwe, frisse ideetjes op te doen.

Baron heeft me vaak geassisteerd bij het maken van een preek. Hij lag dan achter me en begon dan  met diepe zuchten te relativeren. Alsof hij zeggen wilde : “ blijf met beide benen op de grond en vergeet niet hoe mooi het bos was waar we net waren. De kleuren van de bomen, de zang van de lijster, het rauwe geluid van de zwarte specht. Blijf dicht bij de mensen en zoek het niet te hoog. Wat diepte is al mooi genoeg (waarbij hij ongetwijfeld aan zijn eigen graafwerk dacht).  “  Uiteraard is dit projectie maar niet ongezond. De theoloog aan wie ik hem verbind is Eugen Drewermann, een R.K. priester in Duitsland. Het eerste boek dat ik van hem las heet : Beelden van verlossing, gevolgd door nog twintig waaronder zijn uitgebreide commentaren op de evangeliën. Wat een verademing, zo breed, cultureel onderlegd, thuis in allerlei godsdiensten en wetenschap , en vooral zijn psychologisch inzicht. De meest afgezaagde teksten en verhalen uit de bijbel wist hij voor mij opnieuw te laten glanzen. Zoals Baron bijdroeg aan mijn dagelijks geluk, was Drewermann voor mij een heldere inspiratiebron waaruit ik jarenlang heb mogen putten. Baron is in 2011 gestorven. De boeken van Drewermann staan wat verloren in mijn kast. Ik wou dat ik er iemand voor wist want nu ik bijna niet meer preek gebruik ik ze niet meer. Soms zijn dingen voorbij.

 

Donderdag 20 oktober.

Er was eens een rijk man. Hij was getrouwd met een prachtige vrouw die Susanne heette.  Zij woonden met hun gezin in een villa met schitterende tuin en grote vijver. In zijn huis hielden twee oude rechters  ‘s morgens zitting voor het volk om kleine geschillen op te lossen. Als de mensen rond de middag waren  vertrokken uit huis en tuin  ging Susanne wandelen in het park rond hun huis. Vanuit hun raam zagen de beide oude heren haar gaan en raakten behoorlijk opgewonden maar durfden het elkaar niet te zeggen. Toen ze voor de lunch  naar hun eigen huis gingen maakten ze, elk voor zich, een ommetje en kwamen elkaar weer tegen in het park. Ze biechtten elkaar eerlijk op dat ze hetzelfde plannetje hadden : ze wilden wat met die vrouw. Juist op dat moment kwam zij met twee dienaressen aanlopen. Het was bloedheet en Susanne kreeg enorm zin in een duik in de vijver.  Ze vroeg haar dienaressen om voor haar een handdoek en crème te gaan halen dan zou zij vast gaan zwemmen. Toen de meisjes weg waren kwamen beide oude heren tevoorschijn. Zij waren zelf bloedheet en hadden ook zin, maar niet om te gaan zwemmen. Voor het geval ze niet toestemde zouden de heren  tegen haar getuigen dat ze door hen was betrapt met een jonge man. Ze had  haar dienaressen weggestuurd om hem in het geheim te ontmoeten. Susanne zat klem maar weigerde. Ze zette het op een schreeuwen waardoor alle personeel werd gealarmeerd. Toen die het verhaal van de beide rechters hoorden schaamden ze zich diep voor het gedrag van hun mevrouw. De volgende morgen moest zij met haar hele familie  voor de rechters verschijnen . Ze moest zelfs haar sluier afdoen zodat de heren nog eens goed konden zien hoe mooi ze was , maar dat zeiden ze natuurlijk niet hardop.Beide rechters legden hun handen op haar hoofd  (wat hadden ze die graag ergens anders  gelegd !) en vertelden hun leugenachtig verhaal. Ze hadden Susanne op heterdaad betrapt terwijl ze het deed met een jongeman. Helaas hadden ze hem niet te pakken kunnen krijgen want hij was beresterk , had zich losgerukt toen ze hem grepen en was ervandoor gegaan. Susanne wilde niet zeggen hoe hij heette. De rechters werden geloofd – wie zou dat nou niet doen ? – en Susanne werd ter dood veroordeeld. Zij schreeuwde het uit , dat ze niets had gedaan, en bad tot haar God.  Die hoorde haar roepen en stak een heilig vuur  in de jongeman Daniël. Hij stond op en protesteerde : wat is dit voor een proces ? Jullie kennen de feiten niet eens. Die vrouw heeft geen kans gehad om iets te zeggen. En zijn het niet de woorden van jullie eigen God dat je nooit een onschuldige ter dood mag brengen ?  Toen het volk instemmend mompelde bedachten de rechters een truc. Ze nodigden Daniël uit om zitting te nemen aan hun tafel. Daar maakte hij gretig gebruik van en hij nam meteen de leiding in het gesprek. Het was immers al tijden lang bekend dat beide heren maar wat deden, geen recht spraken maar onrecht deden, vrouwen misbruikten en vriendjespolitiek bedreven. Hij liet beide rechters apart zetten en verhoorde hen één voor één.  Hamvraag was : onder welke boom hebben jullie het vrijende paar betrapt ?  De één zei : een mastiekboom, de ander noemde een eik. Dat was voor de mensen in de zaal genoeg en zij stortten zich op beide mannen. Die hebben dat niet overleefd.

Waarom ik dit verhaal vertel ?  Het schoot mij afgelopen nacht te binnen toen ik het debat Clinton – Trump zag. Af en toe dwaalde mijn blik naar onze tuin. In het licht van een nachtlamp bij de vijver zag ik het vrouwenbeeldje dat we ooit Susanne hebben gedoopt. Ze staat er fier in haar gipsen naaktheid, al dertig jaar. En op een afstand van enkele meters liggen twee monstertjes haar te begluren. Ook van een soort gipsbeton. Ze slaan al behoorlijk groen uit. Gevaar heeft Susanne van hen niet te duchten. En ondertussen hoorde ik van valse beschuldigingen,  ordinair gedrag, begeerte naar macht,  oordeel over de ander, enzovoort. In wezen is er niets veranderd. Wil de echte Daniël opstaan ?

P.S. Dit verhaal over Susanne is uit de laatste eeuw voor Christus. In sommige bijbelvertalingen is het opgenomen bij het boek Daniël. De geleerden zijn het er niet over eens geworden of het wel in de offiële bijbel thuis hoort. Jammer. Ik heb trouwens in mijn nachtboek al eerder betreurd dat de bijbel geen groeiboek is. Er mogen wat mij betreft ook best brieven in van kerkvaders, stellingen van Luther, dé preek van Martin Luther King, het Credo van Mandela.

En zeker Susanne.

 

Vrijdag 21 oktober

In Trouw las ik vanmorgen bij Bert Keizer een mooi citaat : “ Ouderen geven graag goed advies. Het is hun troost voor het feit dat ze niet langer in staat zijn een slecht voorbeeld te geven. “ Dat is zo’n zinnetje waar ik een hele dag lekker op kan kauwen. Het relativeert en is zo vreselijk waar. Ik betrek het ook op mezelf maar laat graag – zo ben ik opgevoed – eerst anderen voorgaan. Ik zal het dit keer niet over  mijn opvoeding thuis hebben en de “goede adviezen “ van mijn ouders want mijn oudste zus vindt toch al dat ik te negatief over hen schrijf. Volgens mij valt dat erg mee maar als ik haar ooit als meelezeres wil winnen moet ik maar even dimmen, zou  Marijnissen zeggen. Uit mijn begin-jaren als predikant  herinner ik mij vele gesprekken met ouders van opgroeiende kinderen, mijn catechisanten. En hoe vaak liep dat niet uit op vragen als : zou u hun nou niet duidelijk kunnen maken dat ze….. en dan volgde er een litanie van zaken die zij zelf niet voor elkaar kregen bij hun kroost. Vrienden die niet zouden deugen, experimenten met alcohol, seks of drugs, slabakken op school, voor de tv hangen, dat eeuwige gedoe met die brommers, het eindeloos voor de spiegel hangen. Je kon er donder op zeggen dat dat gedrag extremer werd naarmate de sfeer thuis kneuteriger was. Als daar de lopertjes op tafel keurig recht lagen, de stoelen beschermd tegen de zon, het asbakje na elke sigaret werd geleegd en afgewassen en de ogen mij priemend aankeken dan vermoedde ik , meestal niet ten onrechte, dat het een pittig uurtje zou worden. Ik kon best begrijpen dat ouders zorgen hadden – daar rekenen kinderen ook een beetje op ! –maar laat alsjeblieft een beetje los. Vanaf de geboorte groeien kinderen bij je vandaan. In de puberteit gaat dat op z’n heftigst. Zij zitten in die storm, jij, als moeder of vader bent hun baken in zee. Pas in noodgevallen stuur je de reddingssloep eropuit. Als het even kon probeerde ik het gesprek te leiden naar hun eigen jonge jaren. Die goeie ouwe tijd was natuurlijk lang niet zo goed, alleen moest je toen veel meer slikken.

“Als ik toen had gemogen wat de kinderen nú doen “ was een uitspraak die ik meer dan eens hoorde. Als het lukte het gesprek op dat punt te krijgen kwam de relativering van zelf. Nu ik zelf tot de oudjes behoor wil ik dat citaat waarmee ik begon wel wat aanpassen, zonder dat ik er iets persoonlijks mee bedoel, want ik mag niet klagen :  “Jongeren geven  de ouders/ouderen graag goed advies. Het is hun troost voor het feit dat ze geen idee hebben wat hun te wachten staat “.

 

 

 

Nachtboek 32

Woensdag 12 oktober

Mijn computerscherm en ik kijken elkaar al enkele dagen leeg aan.  Vroeger gebeurde dat met een blocnoot. Dan probeerde ik wat woorden, zinnen soms, maar de prullenbak raakte voller dan het papier. Echt wanhopig werd ik er nooit van. Meestal ging ik iets anders doen. Deze dagen keek ik politiek, las de kranten,  sliep uurtjes, droomde als vanouds, deed wat dingetjes in huis en tuin en las  “Een klein leven “ , een indrukwekkend boek. Ik ga er niks over zeggen terwille van diegenen die het nog gaan lezen. In Trouw van zaterdag stond een bespreking waarin mij al te veel werd verteld over de inhoud. Dat had ik niet willen weten. Ik beleef het als een heel grote ui waarvan per bladzijde een schilletje wordt afgepeuterd. Net als bij een echte ui schieten je ogen soms vol. Ik wil tijdens het afpellen niet weten wat er in de kern zit. Dat wil ik blijven vermoeden. Dat is juist het avontuur met zo’n boek. Net als het leven zelf. Je wilt toch ook niet gaandeweg al weten hoe dat afloopt. Ik zou er niet eens tegen kunnen dat te moeten weten. Leven is toch een reis door  onbekend land dat toekomst heet. Hoe sterk je het ook wilt afpalen met bekende zekerheden uit het verleden,  het zal altijd anders gaan dan je had gedacht of verwacht. Zelfs als je in het  ritme zit van de ouwe dag, wanneer niet zoveel meer moet en de dagen erg op elkaar gaan lijken, uitdagingen wegvallen, gesprekken schaarser worden en de eentonigheid toeslaat. Ik prijs me gelukkig dat ik nog mobiel ben en eropuit kan, zomaar of gericht mensen opzoeken. Misschien piep ik anders als dat niet meer kan.Dus oordelen zal ik niet, áls daar al iemand op zit te wachten. – Nu terug naar het computerscherm en mijzelf. Ideeën genoeg maar er kwam geen vinger in beweging. De boxers uit mijn verleden staan te dringen.. Ik verbeeld ze me stuk voor stuk samen met een bij hen passende theoloog, een vermakelijk gedachtenspel. Maar geen hond die een verhaal op gang wilde brengen. Zo zat ik vroeger dus wel eens met een preek. Mooie teksten en liederen, maar er gebeurde niks. Dan deed ik vrijdagnacht  laat de bureaulamp maar uit en rekende op de zaterdag. Lopend met de hond door bos of polder kreeg ik dan het idee, de eerste zin of een passend voorbeeld. Als dat eenmaal binnen was – dankzij welke geest dan ook – kwam de rest , nee, niet vanzelf. Wat een geploeter soms om de juiste woorden te vinden. Je kunt de beste ingrediënten hebben maar hoe bak je die taart ? Trouwens, weinig preken zijn taarten.  Meestal kwam  ik niet verder dan brood.

En maar hopen dat het niet te snel naar vogels of varkens ging.

 

Donderdag 13 oktober

45 jaar geleden, mijn eerste eigen pup in de armen. Ik ruik hem nog. Een fokker in Elst had een nest jonge boxers. Ik had de eerste keus. Dat werd Sela. Die naam was de slogan van mijn studentendispuut in Kampen. Met dat woord begroetten wel elkaar, werd het glas geheven en werden besluiten bekrachtigd. Het staat in de psalmen, tussen de regels en is oorspronkelijk een pauzeteken uit de muziek. Voor mij werd het een boxer.Toen ik ermee thuiskwam waren de reacties van de huisgenoten verschillend : dat ging van angst, via onverschilligheid en acceptatie tot diepe vertedering. Uit zijn puberteit ken ik nog slechts één voorval : we kwamen zondags uit de kerk en troffen hem in de kamer temidden van een berg piepschuim. Hij had een kuipstoel totaal gesloopt en zat vermoeid maar voldaan, met het koppie scheef, op onze lofprijzing te wachten. Maar die hadden we net in de kerk opgemaakt en voor hem bleef er niet veel meer over dan een : foei. Inwendig heb ik vreselijk moeten lachen. Achteraf stond die stoel voor mij symbool voor oude theologie die van binnenuit werd opgeruimd. Als ik hierbij een naam moet zetten denk ik aan professor Kuitert die heel behoedzaam, maar wel duidelijk, begon te morrelen aan zitbanken waarop niet te zitten valt. Schuin tegenover ons woonde mijn goede vriend Wim Heusinkveld. Met hem voerde ik nogal eens nachtelijke gesprekken over de vragen en opmerkingen  die Kuitert stelde bij kerk en geloof. Wim kon zo heerlijk doorredeneren,  tot op het bot. Wat zou ik hem gegund hebben mee te maken hoe  nú  de stand van zaken is maar helaas is hij ruim 11 jaar geleden plotseling overleden. Bij zijn afscheid heb ik onze gedeelde twijfel en ons gezamenlijk zoeken met liefde en warmte kunnen vermelden. Uit mijn toespraak citeer ik het volgende :

“ Wim had grote vragen bij het geijkte geloof in God. Hij was ermee opgegroeid als menig ander. Maar de oude beelden waren voor hem niet toereikend. Tijdens mijn rit hier naar toe afgelopen zondag  luisterde ik naar een kerkdienst uit Rozendaal. Een vrouwelijke collega zei ineens :  het geloof is niet alleen een pleister op de wond, maar het is ook de wond zelf. Ik zette meteen m’n radio af om die zin goed  te proeven. Wim had allang afstand genomen van het geloof als pleister  op de wonde.  Daarin vond hij geen enkele troost. Geloof in een God die overal in zal voorzien  was hem vreemd geworden. Tegelijk was hij in onze gesprekken voortdurend  met dat geloof  bezig. Net alsof het schrijnde, als een wond. Toen ik hem voor z’n laatste verjaardag het recente boek van prof.Kuitert gaf,  belde hij me na enige tijd enthousiast op en zei : wat hierin staat denk ik al  dertig jaar lang. “

Bij alle gesprekken die wij begin jaren ’70 hadden was Sela aanwezig. Die viel altijd in een diepe slaap. Dachten wij tenminste, want soms, op een spannend moment in ons gesprek, deed dat lieve dier heel sloom zijn beide lodderogen open en slaakte een zucht die tot in de hemel moet zijn gehoord. En als die hemel er is hebben Wim en Sela die zucht vast wel als een briesje ervaren. Alsnog, want ook zuchten zijn eeuwig.

 

Vrijdag 14 oktober

Sela is niet oud geworden. Hij was net twee toen zo’n leuk stuiterballetje van massief rubber hem fataal werd. Twee weken heeft dat diertje geleden. Bij de obductie vond de dierenarts dat balletje in z’n gal. Hij sloeg zichzelf voor z’n kop dat hij geen foto had gemaakt. Ik deed hetzelfde omdat ik er niet om gevraagd had.  Dat thuiskomen met alleen een riem was ook later voor mij het moment om even flink te janken. De volgende dag ging ik naar de fokker om hem de trieste afloop van die prachtige hond te melden. Hij was toevallig een nieuw nest jonge pups aan het verzorgen en bood me er één aan. Toen maakte ik een stomme fout : ik nam hem aan. Net zo stom als één dag na het verlies van je partner een nieuwe relatie beginnen met een onbekende. Ik noemde hem heel optimistisch Alef, naar de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet.

Er konden er nog vele volgen. Aanvankelijk ging allles mis. Hij was natuurlijk geen Sela en kreeg eigenlijk geen eerlijke kans om pup te zijn. Pas na een jaar, toen we in Duitsland woonden, kwam hij tot zijn recht. Hij sjouwde  met boom-stammetjes door de bossen en maakte samen met een Dalmatiër de velden rond het Militair Tehuis onveilig. Ik miste met hem een theologische klik. Hij lag nooit bij me op de studeerkamer, gromde niet als ik onzin aan het uitproberen was en legde geen kop op mijn knie als ik het niet zag zitten. Het was een speelse vrijbuiter die het liefst buiten de gebaande wegen zijn eigen weggetje zocht. In die tijd verscheen het boek  De Spelende Mens, van een Amerikaanse theoloog. Als ik Alef dan tóch aan een theoloog wil verbinden dan maar aan hem.  Het boek ben ik in de loop van de tijd kwijtgeraakt. Ik leen graag boeken uit en dat impliceert altijd het risico dat ze niet terugkomen. Dat vind ik niet erg want het geeft ook ruimte in de kast. Alef was ik trouwens nog veel sneller kwijt. Hij kwam na een race met zijn vriend door de Duitse weilanden niet terug. De Dalmatiër wél en die dook meteen onder een tafel. Helaas kon hij het verhaal over de verdwijning van Alef niet vertellen. Dagen en nachten zoeken leverde niets op. Eén keer zagen de kinderen in het donker een dier opduiken dat vaag de gestalte van  Alef had maar dat bleek een bambihertje. Wel vertederend maar geen boxer. De Deutsche Polizei vertelde dat er meer honden in de buurt  vermist waren en ging er vanuit dat onze hond        “gemept “was en voor laboratoriumonderzoek zou worden gebruikt. Geen vrolijke gedachte. En weer kwam ik met enkel een riem naar huis. Zou er een derde keer komen ? Even niet,  maar net zo goed als dat er in bijbelverhalen “ten derde dage “ altijd iets bijzonders geschiedt, zou het natuurlijk kunnen zijn dat een derde boxer zijn levensdagen  bij ons zou volmaken. Ik stond ervoor open.

 

Nachtboek 31

Zondag 2 oktober

Ik zag vanavond in “Adieu God “ een ontroerend gesprek van Thijs v.d. Brink met journalist Frénk van der Linden. Die heeft, in elk geval formeel, afscheid genomen van het geloof. Traumatische ervaringen , al op jonge leeftijd opgedaan, deden hem wegdrijven van de officiële kerk en haar leer. Wat mij ontroerde was wat er is overgebleven bij hem. Geen agressie maar warmte, geen intellectuele hoogmoed maar openheid en ruimte voor verwondering.

Ik herkende veel van wat hij zei, alleen heb ik het verleden zelf (gelukkig) niet zó  traumatisch meegemaakt als hij. Ik schrijf er regelmatig over en natuurlijk zit daar soms boosheid of verdriet onder. Sommigen vinden dat negatief en eigenlijk een bevuiling van het nest waaruit  ik kom. Voor mijzelf is het kritiek waarvoor destijds geen ruimte was. Ik kreeg – zoals al mijn tijdgenoten op school en thuis en in de kerk – enom veel te slikken. Hoe je je moest gedragen, wat je moest geloven, hoe je moest denken, hoe je met je vriendinnetje moest omgaan.  Overal stonden piketpaaltjes. Er waren maar heel weinig volwas-senen die in de gaten hadden in welke spagaat ik leefde. Omdat ik geen opstandig type was deed ik veel voor de lieve vrede. Als die gevaar liep omdat ik tóch over de gestelde grenzen wilde gaan, deed ik dat stiekem. Dat werd haast een tweede leven. Dat heeft lang geduurd. Ik beperk me tot één voorbeeld. Dat speelde zich af rond mijn afstuderen in Kampen en het kerkelijk examen daarna in Arnhem. Ik moest en zou slagen voor mijn kandidaats. Het renteloos voorschot was op, mijn gezin wachtte op betere tijden en de verhuizing naar mijn eerste gemeente stond al gepland. Ik zat in de examenzaal zo’n twee uur tegenover acht professoren in de theologie. Stuk voor stuk best aardige mannen maar nu in teamverband redelijk bedreigend. Als er één van hen vragen stelde op zijn vakgebied, lazen de anderen de krant of schreven aan hun nieuwe boek.Soms wierp iemand een wat meewarige blik in mijn richting. Ik zal niet gestotterd hebben maar wat ik wél heb gezegd is mij volstrekt duister. Ik moet me in allerlei gereformeerde bochten hebben gewrongen en antwoorden hebben gegeven “uit het boekje” (vooral hún boekjes) zodat ze tenminste het woord “voldoende “ konden uitspreken. Daarna deed een kerkelijke vergadering, de classis, het nog eens dunnetjes over. Dat is overigens eufemistisch uitgedrukt want dat examen duurde vier uren. Daar moest ik een preek inleveren, die beoordeeld werd,  buiten mijn aanwezigheid,  door mijn a.s. collega’s in dat rayon en een aantal ouderlingen en diakenen. Ik woonde al in de pastorie en de datum voor mijn bevestiging lag al vast. Wéér de noodzaak om te slagen. Kennelijk heb ik die middag ietsje pietsje (niet meer dan dat) van mezelf laten horen want de besluitvorming duurde lang. Er was een vermoeden van vrijzinnigheid !   Enig en wat een vooruitziende blik.. Mijn volgende driehonderd preken heb ik met plezier bij het oud papier gezet. Niet omdat ik er leugens in vertelde maar ik zat er zelf niet in. Omdat ik mijn twijfel of ongeloof haast niet durfde laten zien. Tijd van leven, betere opleiding later en vooral de ontmoeting met mensen brachten me bij de vraag :  Wil de echte Bas Nawijn opstaan ?  Dat was een ander dan de Marius die zich beijverde om allen die “boven hem gesteld waren “  of die “voor hem zaten in de kerk “ te behagen. Als ik nú over die tijden schrijf aan de hand van opkomende herinneringen dan relativeer ik, wat ik toen niet durfde of kon. Omdat ik weet dat er meer mensen zijn met uiteraard ándere maar tóch gelijksoortige ervaringen kan mijn geschrijf hen mogelijk wat helpen op hun eigen weg .

Ik ervaar het zelf als groei vanuit een verleden waarin  ik  niet gelukkig was. Een soort poppenkast waarin je, hangend aan een touwtje, je rol moest spelen.Die tijd is voorbij. Mij resten verwondering, openheid voor alle vragen (antwoorden zijn het minst interessant), warmte voor mensen en ik hoop toch ook de humor. Want zonder een echte lach en traan zal het niet gaan.

 

Maandag 3 oktober.

Vandaag hebben Agnes en ik een vriendin in Enschede opgezocht die we heel lang niet hadden ontmoet. We waren niet de enigen die die stad aandeden. De Duitsers hadden een vrije dag  en waren massaal aanwezig. In lange rijen kronkelden we door de straten, tussen Porsches en Audi’s, BMW’s en Passaten.

Het kostte wat tijd maar  TomTom loodste ons feilloos door het verkeer.

We werden verwacht en binnen enkele minuten zaten we in een diep gesprek. Ook dat was verwacht want onze vriendin houdt niet van praatjes voor de vaak.

Aanleiding tot het gesprek was het interview met Frénk van der Linden van gisteren. Allemaal getroffen door zijn openheid  en zijn heilige overtuiging  je eigen verantwoording en schuld te dragen. Dat lost geen God voor je op en geen offer van een ander kan dat wegdragen. Het gaf ruimte om daar zo vrij over te kunnen praten. En ineens bedacht ik weer dat dat eigenlijk alleen in vriendschap kan. Volgens de dichter/theoloog Sytze de Vries hebben de woorden vrijheid en vriendschap dezelfde wortel. In een vriendschap voelen mensen zich vrij. Daarin kun je alles zeggen. Je kunt je toevertrouwen aan de ander en ook de ander bevragen. Vriendschap is veilig. De vrijheid die je daarin beleeft is heel wat anders dan waarover gekakeld wordt door partijen die het hoog in hun vaandel hebben. Om niet te spreken over de tallozen die via de “sociale media “ de  uit zichzelf  opgediepte vunzigheid de wereld in slingeren onder het motto : vrijheid van meningsuiting. Kom op zeg !  Een mening veronderstelt toch op z’n minst dat er over is nagedacht en die indruk wekken die uitlatingen bijna nooit.  Van vriendschappen van vroeger herinner ik me dat je , na elkaar soms maanden niet gesproken te hebben, zó de draad van de laatste ontmoeting weer kon oppakken. Ook nu er al kostbare vrienden gestorven zijn probeer ik dat draadje met hen te houden. Ik kan ze me levendig indenken, heb ze in gedachten in beeld, hoor hun specifieke opmerkingen en hun lach en weet wanneer ze me op m’n falie zouden geven of over m’n bol aaien. Als dank voor het in leven houden van deze herinneringen lopen ze af en toe door mijn dromen, alsof ze nooit zijn weggeweest.  Gelukkig ( nou vooruit dan : Goddank) zijn er nog of weer andere vrienden en vriendinnen, mensen dichtbij. Vriendschap maakt ons leven mooier.

 

Dinsdag 4 oktober.

Werelddierendag. Tijd voor een luchtiger onderwerp.  Dat wordt : de dieren in mijn leven. Net als in de theologie moet ik hierbij onderscheid maken tussen de zichtbare en de onzichtbare. Tot de laatste categorie reken ik de jeukbeestjes en de bacterieën die op de meest onverwachte momenten hun aanval inzetten.

Van de zichtbare dieren vermeld ik alleen de beestjes waarmee ik wat had. Het begon in de oorlog met kuikentjes. Een collega van mijn vader, ds Goris, had in Apeldoorn naast de Noorderkerk een kippenren. Ik weet nog hoe hij me meenam, het gaas opende en mij een handje vol klaver gaf om aan een stuk of tien kuikentjes te voeren. Het was mijn eerste ontmoeting met dieren en de geur van kuikentjes en klaver hangt nóg in mijn neus. Een tijdje later – de oorlog duurde nog voort – stond er bij ons thuis, in de tuin, een mand met een levende kip erin. Ik heb toen niet de link gelegd met één van die kuikentjes maar doe dat nú wel. Dat dier was voor op tafel en moest dus geslacht worden. Broer Jan , toen ongeveer 15 jaar, was de aangewezen figuur om dit op zich te nemen want hij hakte ook altijd hout voor de kachel. De klap zelf heb ik niet gezien maar wel een opvliegende kip zonder kop die zich van het hakblok verhief , over de schutting klapwiekte en  bij de buurvrouw op het bleekveldje belandde. Vlak daarna werd het vrede en verhuisden wij naar Kampen, waar we van 1945 tot 1950 hebben gewoond.   In het straatbeeld van toen zag ik lantaarnopstekers, strontophalers – één van de ouderlingen van onze kerk reed met paard en wagen door de stad om plé –tonnen in te zamelen – en koeien. In voor- en najaar liepen die door de stad op weg naar de wei of de stal. Drie deuren van ons huis op de Broederweg hield een boer in de winter zijn koeien. Hij had een herdershond die vals was voor meisjes ; één van mijn zussen was als de dood voor dat beest en is ook door hem gebeten.  In Wilsum , een dorp aan de Ijssel waar een oom van mij predikant was, had ik  een pikante ervaring met  dieren. Ik logeerde daar op een zondag en was  ‘s middags  naar boer Marskamp gegaan bij wie ik wel vaker speelde. Ik droeg mijn zondagse pak en dat was voor mij als tienjarige al iets met pofbroek.  De boer vroeg me of ik hem even wilde helpen een koe vast te houden. Samen gingen we naar de stal waarvan de geur van die warme lijven, hooi en mest me eeuwig zal bijblijven. Eén koe stond enorm te loeien en verderop, vanuit een andere schuur, werd dat beantwoord door een zware brom. Ik had geen idee wat me te wachten stond. De boer koppelde de koe los en ging er mee naar de deel. Daar gaf hij mij het touw in handen. Dichter bij een koe ben ik nooit  geweest. Ik moest de kop van het beest riching de rivier houden en begreep al vrij snel waarom. Ineens kwam er om de hoek,  van de andere kant,  een enorm beest aan die de boer min of meer op sleeptouw had. Deze had een vuurrode kop van inspanning maar de spanning bij die stier bleek vele malen groter. Hij vloog op mijn koe af en sprong erop,  daarbij heftig zijn zaad spuitend, deels richting mijn zondagse pofbroek. Ik wist toen trouwens niet dat het zijn zaad was en dat dit bespringen of dekken heette maar ik leerde snel. Tegenwoordig zullen boeren deze manier zonde vinden. Echt zonde want het betekent “missen van het doel.” Nu wordt alles opgevangen in buisjes en uitgekiend benut voor Kunstmatige Inseminatie bij vele zusters van die ene koe. Maar díé keer zat ik er mee. Lichtelijk gegeneerd bracht de boer mij bij zijn vrouw om mij te reinigen van de “zonden”  van zijn stier. Ik kreeg wél het verzoek hier thuis maar niks van te vertellen ; ‘t was uiteindelijk zondag. Mijn belevenissen met paarden heb ik pas geleden al beschreven , in Kampen waar ik de paarden voor begrafenissen hielp kleden, achter de dikke Belgische knol in Zeeland en het superlieve paard van Sjors de groenteboer (later groentenman) in Den Haag.

Tijd om over te springen naar de honden. Ze liggen nu nog braaf in de mand maar later breken ze los.

 

Woensdag 5 oktober

Eerst wat voorafhonden. Het begint droevig . “Geen dieren in huis “ was de eerste reactie die ik kreeg toen ik (inmiddels 13 jaar jong) met een Pekinees in mijn armen de kamer binnenkwam. Ik had hem gevonden in een telefooncel waar hij was achtergebleven of – gelaten. Het beestje was hartstikke blij met me en ik kon m’n geluk niet op. Eindelijk een huisdier, al zou ik zelf nooit zo’n juffershondje kiezen. Hij was een beetje gesoigneerd en paste meer op de boulevard van Nice.  Maar goed, beter wat dan niks. Dat werd dus niks. Ik moest hem linea recta naar de politiepost op de Laan van Poot brengen. Einde Pekinees. Vrienden van mijn ouders hadden een Groenendaler, een zwarte hond ter grootte van een herdershond. Picard heette die. Dat was een zwarte rijder. Voor outsiders : een hond die rijdt is bezig jongskens te verwekken maar doet dat op je been. Dus als die hond er was trokken wij allemaal onze benen in. Of juist niet, om zo’n schaamteloze scene uit te lokken. Zijn baas was een rechtzinnige , wat preutse man die woorden tekort kwam om zo’n situatie te redden.  Picard werd opgevolgd door Duc, een trotse Lassiehond. Ik heb drie weken op hem gepast toen zijn baasjes op vakantie waren. Geen leuke tijd, want hij liet mij uit in plaats van andersom. En als hem iets niet zinde toonde hij een vervaarlijke haag van witte tanden. Toen mijn ouders in 1956 uit Den Haag vertrokken bleef ik met broer Gabe op kamer bij een ouder echtpaar om onze opleiding te kunnen  voltooien. In dat huis was Puckie, een vuilnisbakkenras óf een rashondje dat bij het klimmen der jaren daarop was gaan lijken. Een vies, stinkend diertje, maar wel lief. Dat vonden honden in de buurt ook want bij het uitlaten kwam er altijd wel één achter haar aan. Soms deed ik alsof ik werd afgeleid door rolschaatsers op de Sportlaan en dan werd achter mij de hondenliefde bedreven. Kwaad kon het niet want Puckie was voldoende op jaren en heette per slot van rekening geen Sara. Vervelend was wel dat het nooit een vluggertje was en ze zo moeilijk afscheid van elkaar namen, om het wat mooi te omschrijven. Mijn eerste eigen hondje was Bello, een jong  dat gratis in de krant werd aangeboden.  Ik zat inmiddels bij heel vervelende mensen op kamer en dacht stom genoeg dat het beestje zich wel zou vermaken als ik naar kantoor was. Dat deed hij in zekere zin ook want toen ik ‘s avonds thuis kwam kon ik meteen aan de slag om mijn kamer te behangen. Het oude was er helemaal af. En midden in die puinhoop zat Bello, koppie schuin.  Ons samenzijn heeft geen 24 uur geduurd. Gelukkig mocht hij terug naar het nest.

Het enige dier dat ik daarna in de zestiger jaren nog gehad heb was een kanarie. Een gele. Heeft een jaar of zeven in een kooitje gezeten. Kwam er alleen uit als ik de nageltjes moest knippen, een precisiewerk dat ik overigens niet beheerste. De pootjes kleurden na afloop nogal eens rood. Zingen kon ie als de beste totdat een verfbeurt hem fataal werd : de huiskamer zag er prachtig opgeschilderd uit maar de vogel lag op zijn rug. Toevallig passeerde op het moment van deze ontdekking de vuilniswagen. Ik hem hem daarin met kooi en al  “ ter aarde besteld “. Het werd tijd voor de boxers.

 

Donderdag 6 oktober

Kampen 1958, daar moet ik heen om mjn klik met boxers te kunnen verklaren. Ik ging erheen om theologie studeren. Dat ik dit zou doen lag al jaren vast maar of het diep in mijn hart mijn keuze was wist ik van geen kant. Ik woonde in een onbewoonbaar verklaarde woning, zeg maar een krot, voor fl.2, 40 per week. Het studentenleven en de soos bevielen me eigenlijk het beste. De omgang met Koos Koster, Wim Veenendaal en nog enkele dispuutsgenoten van onze club Exodus’47 was voor mij een openbaring. Via hen leerde ik Peter en Barbara den Ouden kennen. Zij gaven open huis aan loslopende studenten die een luisterend oor en vriendschap zochten. Zij hadden zelf geen kinderen maar wel een hond. Harvey, een flinke boxer. Toen ik hem voor ‘t eerst ontmoette was het zaak me stevig staande te houden want hij gooide zijn volle 50 kilo tegen me aan. Het leek alsof we elkaar jaren hadden gezocht en eindelijk gevonden. Niks Pekineesje of rijdende Groenendaler, overrijpe Puckie of dwaze Bello. Toen Harvey wat was uitgeraasd ging hij, zoals de meeste boxers, óp mijn schoen zitten en stelde met zijn hele fysiek maar één vraag : gaan we nú naar buiten of over twee sekonden ? Ik trok met hem de polder in en na een uurtje was aan ons beiden te zien dat we “uit aarde waren genomen “, net als Adam “in den beginne “. Ik dook met hem in de douche  : dat was (in de taal van Heel Holland Bakt) een spektakelstuk en tevens een bevestiging van onze eeuwige trouw. Telkens als ik hem weer opzocht en mijn fiets naast de voordeur parkeerde,  was  een simpel fluitje van mij voldoende om hem tot uitbraak-pogingen te verleiden. Bij de eerstvolgende verfbeurt hoefde de binnenkant van de voordeur niet afgekrabd te worden. Dit duurde tot voorjaar 1960 toen ik de theologie vaarwel zegde en Kampen achter me liet. Drie jaar later ging ik naar Amsterdam waar Peter en Barbara inmiddels woonden, in een gigantisch flat, 13 hoog. Op de galerij probeerde ik het bekende fluitje en meteen werd er verderop tegen een deur geramd. Ik hoefde het huisnummer niet te zoeken en me al helemaal niet voor te stellen. Daar, in de Bijlmer, is deze heerlijke boxer nog vader geworden. Ik kreeg een foto waarop hij en een teefje stonden afgebeeld, met tussen hen in 7 puppies, om op te vreten. In 1965 kwam er een telefoontje dat ze hem hadden moeten laten inslapen. Zijn hele lijf was verkankerd. Moedig als altijd was hij zelf naar buiten gestrompeld op weg naar de dierenarts. Vlak voordat hij de auto in zou springen draaide hij zich om, beklom een berg zand en deed on the top of the hill een hoop, z’n laatste, bereid om te sterven al had hij daar geen notie van natuurlijk. Hij heeft zijn soort voor altijd aan mijn hart gebakken.  En zijn bazin – want Barbara was zijn grootste liefde, daarna Peter en dan ik pas – leeft voort in de naam van onze jongste dochter.

 

Vrijdag 7 oktober

Ik duw de boxers even van me af want ik heb ruimte nodig om een gevoel te beschrijven. Afgelopen week is er weer een goeie collega gestorven, bijna 10 jaar jonger dan ik ben. Ook had ik enkele gesprekken over verlies van partners.

Als vanzelf gaat er dan een film in mijn hoofd draaien. Een eindeloze rij gezichten van mensen die ik heb gekend. Bijna 48 jaar geleden nam ik afscheid op het Ministerie ; ik was daar één van de jongeren. Dus ga er maar van uit dat van die honderden collega’s – van wie ik de meesten bij naam kende – niet veel meer over zijn. Van de professoren, die ik in Kampen meemaakte en zij mij,  leeft er niet één meer.Daarna heb ik in domineesland tientallen zien gaan. Sommigen lopen nog vaak door mijn gedachten.Van de gemeente, waarin ik tot slot van mijn werkzaam leven actief was,  heb ik meer dan de helft wegge-bracht. Ik scharrelde wel eens rond op het kerkhof – in Soesterberg begraaf-plaats geheten -  om dag te zeggen en niet te vergeten. De vrienden- en familiekring is ook enorm uitgedund door de dood. Hoe vaak worden niet hun namen genoemd bij ons aan tafel ! Het dichtstbij was het verlies van ouders, broers en zus. Morgen is het 10 jaar geleden dat broer Jan als eerste van ons tiental stierf. Na hem gingen nóg vier broers en mijn jongste zus. Steeds meer ga ik de opmerking begrijpen die ik bij ouderen op bezoek hoor : het wordt zo stil om me heen. Zelf zijn wij gelukkig nog in staat anderen op te zoeken maar als die mogelijkheid wegvalt, je maar moet afwachten wie jóú nog opzoekt, dan wordt het inderdaad stil. Omgaan met verlies. Daar zal vast wel een cursus voor zijn maar ik laat het maar gewoon op me af komen. Dát gevoel wilde ik verwoorden. Ik kwam terecht bij “weemoed “. Je kunt het in lichte mate voelen als de blaadjes vallen, de parasol wordt opgeborgen en de vijver winterklaar is gemaakt. Maar dat is tijdelijk. De zon komt nu laat op en gaat na 11 uur weer onder , maar dat loopt straks weer op naar meer dan 16 uur. En heb je geluk dan maak je dat mee. Weemoed gaat voor mij over wat nooit meer terugkomt.  Voor wie het verlies rechtstreeks trof is het diepe pijn om de lege plek , intens verdriet.  Hoezeer je daaruit ook opkrabbelt – je zult wel moeten, anders verdrink je – dat gevoel van weemoed zal blijven, de ene dag sterker dan de ander. Vanmiddag zocht ik er wat muziek bij.  Stilte is ook mooi,  tot het moment dat die te luidruchtig wordt. Dan zoek ik muziek. En ja hoor, dank zij de moderne hulpmiddelen zat ik zo weer in grote kerken met machtige orgels,

lieve fuiten die de ziel streelden, zware bassen die de fundamenten deden schudden, alle registers open, tien vingers op de toetsen en twee voeten op de pedalen : het was één warme douche. Een koude schijnt beter voor de gezondheid te zijn maar het ging mij nu niet om gezond maar om troost. En ik kreeg er meteen een ingeving bij voor een preek eind deze maand. Dankzij een zoektocht vanuit de weemoed.

 

 

Nachtboek 30

Woensdag 28 september

Het museum van mijn herinnering staat vol. Niet alleen met levendige taferelen maar b.v. ook met alle huizen en huisjes waarin ik gewoond of vakantie gevierd heb, straten waarin ze stonden en plekjes in de buurt die me dierbaar waren.  Ik kan ze allemaal opzoeken. In Vlissingen reed ik langs de twee stenen leeuwen die de trap naar het strand bewaken. Zeventig jaar geleden ben ik er stoer op gaan zitten, daar is zelfs nog een fotootje van, nu passeerde ik ze en verbeeldde me dat ze me herkenden. Wij waren toen, een jaar na de oorlog, op vakantie in de pastorie naast de watertoren (die staat er ook nog en is te huur).

Van het strand herinner ik me alleen dat broer Arjan aan een touw in zee ging.

Ik geloof niet dat hij ooit een groot zwemmer is geworden. En de pont naar Breskens herinner ik me nog, een stoomboot met een zwarte pijp waar enorm veel rook uitkwam. Het vreemde is dat ik verder  geen boten op mijn netvlies heb die over de Schelde voeren. Dat was nú vanuit ons hotelraam het dagelijks beeld. Schepen – en  ‘s nachts alleen hun  lichtjes - die over het water schoven, richting Zeebrugge, New York en China of vanuit zee naar Antwerpen, maar dan niet zonder een loods aan boord. Altijd fascinerend om die kleine pilot bootjes driftig op weg te zien naar die joekels van soms wel drie tot vierhonderd meter lang. Een jaar later, in de bloedhete zomer van 1947,   waren mijn ouders met hun 10 kinderen in de leegstaande pastorie in Koudekerke op vakantie. Het huis bestaat nog als prachtige villa, middenin een woonwijk. Destijds stond het helemaal vrij in het land, vanbinnen tot 2 meter hoog aangevreten door het zoute zeewater waarmee de Duitsers van het eiland waren verdreven.( Dat is trouwens maar tijdelijk geweest want als je nu in Zoutelande op een terrasje zit is de voertaal Duits.)  Overal zie je trouwens nog bunkers uit die tijd ; ik vrees dat de Zeeuwen daar anders naar kijken dan onze oosterburen. Voor mij mogen ze weg. Van die zomer is mij bijgebleven dat de waterput bij de pastorie brak water bevatte. Je kon het oppompen of met een emmer putten. Alleen om te wassen.Ik heb de geur van dat water nog in mijn neus.  Drinkwater werd door een gereformeerde broeder aangevoerd met een tankwagen die naast het huis stond geparkeerd. En verkoeling vond je vooral in de hal, op stenen plavuizen ; mijn moeder lag daar graag. Het kerkpleintje is er nog, daar werd het ringsteken met paarden beoefend. Die pleintjes zijn in veel dorpen hetzelfde en overal is daar dan een warme bakker en een smidse waar toenterijd de paarden werden beslagen en nu drankjes worden geserveerd. Maar het mooiste, naast de Schelde , zijn toch de tussendoorweggetjes van dorp naar dorp. Als afscheid van Walcheren reden we zo’n route tussen Biggekerke en Koudekerke, geen kip te zien, wel een fazant, verder stilte en groen, bieten, aardappelen en uien die wachten op de oogst en verspreid wat boerderijen met Zimmer frei. Ik ben nu thuis en ga slapen. Als ik straks wakker word en de tuin inkijk zal ik groen zien en het water van de vijver. Ik zal de boten missen en die fazant maar net zo blij zijn met dít uitzicht. Dat heet dankbaarheid en daar is alle reden toe.

 

Donderdag 29 september

Langs het prachtige raadhuis in Veere zag ik drie meiden van zo’n jaar of 15 lopen in “kapotte “ spijkerbroeken. Grote scheuren onder de knie maar dat heet mode. Omdat ik tóch op de nostalgische toer was – als tienjarige knul heb ik mijn naam gekrast bovenin de dikke oude toren van Veere – kon die kapotte broek er ook nog wel bij. Ik droeg op die leeftijd een pofbroek, plus-fours deftig gezegd, drollenvanger in straattaal. Een grijsgroen ruitje was het, met bijpassend jasje. Ik wilde er vanaf, om twee redenen. Ten eerste omdat ik op school nog de enige jongen in de klas was die er zo uitgedost bijliep. En ten tweede omdat ik op vrijersvoeten ging en me daarbij in een pofbroek niet erg manmoedig voelde. Omdat ik niet het lef had mijn ouders met deze argumenten om een nieuwe broek te vragen – die school zou nog wel gaan maar de vrijersvoeten zouden het niet halen – moest ik een list verzinnen.Die bedacht ik op een zondagavond. We woonden in een groot huis met twee enorme zitkamers. In de voorkamer zat het gezin. In de achterkamer werden spelletjes gedaan. Daar stond ook een orgel. Ik schoof  vaak achter dat harmonium en speelde van cijferakkoorden Psalmen en Gezangen. Het instrument had  twee trappers voor de broodnodige lucht, twee zwelarmen bij de linker- en rechterknie , 4 octaven toetsen en 14 registers, waaronder  de Vox Humana  die een extra gevoelig tintje gaf aan de geproduceerde klanken. Ik koos het gezang Vaste rots van mijn behoud, wat toen mijn lievelingslied was (en waar ik nu geen bal meer van geloof !). Mijn broek begon al dun te worden bij de knieën. Ik zette de broekspijpen zo strak mogelijk tussen orgelkruk en benen en begon zo mijn soloconcert. Ik begon zacht : vaste rots van mijn behoud, als de zonde mij benauwt, maar ik bedoelde : geeft dat die broek het niet houdt. Maar er gebeurde niets. Ook bij couplet 3 : moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt, die de arme kleedt en voedt, was er geen enkele verandering waar te nemen in de structuur van de stof. Daarom besloot ik het laatste couplet met vol werk te spelen, alle registers open, dan moet je flink trappen om het orgel voldoende lucht te geven. De tekst van het lied gaf geen enkele aanleiding tot luidruchtig spel (eenmaal, als de stonde slaat, dat dit lichaam sterven gaat enz.) maar de dringende bede om een nieuwe broek overheerste. En het geschiedde. Terwijl het hele gezin door het harde spel tot zwijgen was gebracht en ik een daverend naspel bedacht, waarbij ik fors moest trappen, zag ik het dunne weefsel loslaten en scheuren. Ik haalde mijn vingers van de toetsen en riep klagelijk : ach, kijk nou ! Op de verontruste vraag uit de voorkamer : wat is er ? , verscheen ik tussen de schuifdeuren en toonde het resultaat van de ramp die mij was overkomen en dat nog wel tijdens mijn hartstochtelijk orgelspel. De reactie van mijn ouders was fideel : dan ga je morgen naar Lijnkamp (een herenmodezaak op de hoek Thonsonlaan – Fahrenheitstraat) en koopt een nieuwe broek op rekening van dominee Nawijn, zo ging dat in die tijd. En omdat ik nu toch wel groot begon te worden moest ik maar een lange broek nemen, donker blauw. De school werd er niet plezieriger door maar de vrijersvoeten gingen meteen in een hogere versnelling.

 

Vrijdag 30 september.

“ Iedere keer dat je een boek leest vouw je iets van je herinneringen en verlangens van dat moment tussen de pagina’s “. Met dit citaat eindigt hoogleraar psychologie Draaisma een boeiend essay in Trouw. Hij herleest na veertig jaar een bijbelverhaal dat hem als kind is voorgelezen . De tekst is nog dezelfde maar wordt daardoor juist – zoals hij zo prachtig zegt – een peilstok van wat er bij hemzelf is veranderd. De Bijbel is er voor hem in die veertig jaar  een stuk op vooruit gegaan.  Ik heb dat herlezen zelf ook altijd als één van de meest boeiende kanten van mijn vak ervaren.Vaak was dat een hele reis : van wat je voor ‘t eerst hoorde naar wat je nu las en eraan beleefde. Soms lukte het om mensen mee te krijgen op die ontdekkingstocht. Soms haakten mensen verbolgen af omdat hun oude beelden omver werden getrokken. Het duidelijkst heb ik dat ervaren in een gemeente op de Utrechtse heuvelrug. Ik was daar graag te gast. Hartelijke mensen, volle kerk, goeie organist en vrolijke  gezangen. Ik vermoedde wel dat die kerk naar het “evangelische “ neigde – dat ben ik zeker niet – maar om de een of andere reden móchten we elkaar.

Tenminste, dat dacht ik. Het was juist een verhaal uit het evangelie dat ons voorgoed uit elkaar dreef. Het ging over de opwekking van Lazarus. Als kind had ik dat gerangschikt onder de sterke staaltjes van Jezus. Hij kon doden tot leven wekken. Kom daar ‘s om in de gewone wereld. Dat kon verder niemand, net als op water lopen of met 5 broden 5000 gezinnen te eten geven en nog overhouden ook. Gaandeweg mijn leven voegde ik takjes vol vragen en blaadjes met twijfel tussen de bladzijden van  de bijbel. Wat móét je met zulke vreemde verhalen ? Waarom gebeurde dat toen  wel en nu niet meer ? Ja, er zijn wel van die kwasten die volle zalen bespelen en in naam van Jezus “wonderen” zeggen te doen maar dat vind ik van hetzelfde niveau als kwakzalverij. In de bijbel zijn het ook geen wonderen maar tekenen. En dan ligt het voor de hand naar de be-tekenis te zoeken. Ik heb destijds getracht de toeehoorders mee te nemen in het verhaal. Hun eerlijk verteld dat ik zelf niet geloof in een letterlijk te nemen uitleg. De hoofdfiguur Lazarus is volgens mij gevangene van de nacht en het duister. Ik citeerde Psalm 116 : gekneld in banden van de dood en geteisterd door angst voor de hel. En aan het slot heb ik gezegd : “Middenin je leven word je door Gods liefde geroepen om op te staan, het donker achter je te laten, je te laten bevrijden van wat je gevangen houdt en te léven !  “ En toen brak de pleuris uit. Niet in de kerk gelukkig. Maar eerst via een brief, niet aan mij maar aan de kerkenraad. Er is vergaderd, ook zonder mij, en besloten dat ik niet meer zal worden uitgenodigd. Jammer, destijds. We zijn nu vele jaren verder. Tussen de pagina’s van mijn bijbel zijn nog meer herinneringen en verlangens, twijfel en vragen geschoven. Maar ook moderne opvattingen die haaks kunnen staan op wat geschreven staat. De mensheid zelf is vooruit gegaan (wat iets anders is dan : er op vooruit gegaan). Een groot deel leeft en denkt  zo totaal anders  en beleeft de Bijbel absoluut niet (meer) als fundament van het bestaan. Misschien hadden de kerkvaders in de 4e eeuw die bijbel helemaal niet moeten afsluiten (er mocht geen geschrift meer bij). Dan hadden b.v. de medische ethiek, de psychologie en de literatuur ruimte gehad om ook hún verhalen toe te voegen en de bijbel bij de tijd te houden. Dat lijkt me zinvoller dan al dat gesjoemel met moderne vertalingen die alleen maar vervreemden van wat er eigenlijk staat.

 

 

Nachtboek 29

Zaterdag  17 september.

Voor onze verjaardagen hadden we kaartjes gekregen voor het Concert-gebouw. Vanavond was  het zover. Als echte provincialen togen we veel te vroeg naar Amsterdam, een stad die mij totaal vreemd is. Ik heb zeker twintig keer deze rit gemaakt maar heb het gevoel nog nooit dezelfde weg door die stad te hebben gereden. Toch is het eindpunt altijd raak, de parkeergarage onder het Museumplein.En daarbovenop  zitten we dan op een bankje met uitzicht op de drie grote musea, in de walm van joints die met routine gerookt werden op het bankje naast ons (door drie bijzonder uitgedoste jongens die later ook in de concertzaal waren). Een Japans meisje kwam een aansteker bij ons lenen en kreeg hem mee voor de verdere avond. Een jongen van 15 kwam heel beleefd een sigaret vragen. Hij wilde zo min mogelijk roken en kocht ze daarom nooit zelf. Bij de ingang van het gebouw speelden straatmuzikanten klassieke muziek ; slim natuurlijk op die plek, niemand liep er langs zonder iets in hun vioolkist te werpen. Toen wij in de pauze even buiten  waren voor een trekje kwam een dakloze met rollator bij alle rokers langs voor financiële steun voor de naderende nacht. Wij zijn als provinciaaltjes dankbare aanspreek-punten. Zouden ze het aan ons zien ? In de uitverkochte zaal genoten we van een schitterend concert. De Schotse Symfonie van Mendelssohn trof mij vooral door de indrukwekkende blaasinstrumenten, met name de hoorn, die je tot diep in je ingewand hoort. Hoogtepunt vond ik het bekende vioolconcert van Beethoven. Volgens mij stond het op één  van de eerste lp’s van mijn zus en haar man in de vijftiger jaren. Sindsdien heb ik hem vaak gehoord, op plaat, cassettebandje, cd en via radio en tv maar nog nooit live. Dat was vanavond, onvergetelijk. Een frêle, uiterst gracieuse jonge violiste betoverde de zaal . Als je in die muziektempel zit klinken de noten anders. Ze tillen je op. Helaas kom je wreed neer als zo’n malloot met een kilo aardappels in z’n keel de laatste noot, die nog de weg naar het plafond en je hart zoekt, overstemt met een “bravo”. Waar hebben mensen toch aangewend om de stilte te mijden, zelfs de meest noodzakelijke ? De dirigent stond nog met beide armen in de lucht, alsof hij de laatste klanken nazwaaide en daar kraaide al die haan. Vreselijk, hoezeer de man inhoudelijk ook gelijk had. Het was superbravo maar dat was vooral gebleken als je een speld had kunnen horen vallen. Stilte kan de diepste vorm van communicatie zijn. Zoiets las ik ook bij Claudel. Maar met al onze moderne communicatieapparaatjes maken we zoveel herrie, letterlijk en figuurlijk, dat de echte communicatie erbij in schiet. En de stilte helemaal.

 

Zondag 18 september

In de NRC las ik dit weekend een boeiend interview met Douwe Draaisma, de geheugenprofessor/psycholoog uit Groningen. Het was n.a.v. zijn nieuwste boek met de titel : Als mijn geheugen me niet bedriegt. Vooral omdat ik zelf nogal eens gebeurtenissen beschrijf die ik me herinner uit mijn verleden was ik één en al aandacht.  “Dingen die verderop in je leven gebeuren kunnen je herinneringen zo veranderen dat je een ander verleden krijgt “. Het zou dus kunnen dat mijn verhalen meer fictie dan feiten bevatten. Ik ben me ervan bewust dat ik af en toe iets verdraai of verscheidene herinneringen samenvoeg.

Maar de beelden die ik op mijn netvlies heb  zijn te scherp en te constant om verzonnen te zijn. Draaisma citeert Maarten Toonder die eens heeft ge-

zegd : “Iets wat in je jeugd gebeurd is, is dikwijls het gevolg van een voorval op latere leeftijd “. Ik vind dat interessante psychologie maar geloof er maar weinig van. Dat heet toch zonder meer : verzinnen, fantasie. Wat ik wél beaam is dat  “herinneringen op verschillende momenten in je leven verschillende gedaanten kunnen aannemen, als gevolg van dingen die je zijn overkomen “ (citaat). Dat heet volgens mij groei of deftig gezegd “voortschrijdend inzicht”. Dan herinner ik mij gesprekken met mensen die dat niet mochten beleven,  

die al vele jaren op hetzelfde punt in hun leven bleven vastzitten, geen enkele geestelijke groei doormaakten en zich vastgebeten hadden in één statische herinnering. Wie een illustratie wil kan b.v. eens naar het tv.programma Familiediner kijken. Niet direct mijn favoriet want het is vaak tenenkrommend maar ook leerzaam. Eigen geschiedenis die ik mij herinner krijgt inderdaad andere kleuren bij het ouder worden. Niet iedereen die mijn nachtboek leest (of vooral : er van hoorde ) is het daarin met me eens. Die vinden het nóg te zwart/wit, terwijl ik  zelf het idee heb er al heel wat kleur aan te geven. Ik wil de verhalen niet alleen met spot maar ook met  zelfspot vertellen. En tegenvallers of mislukkingen in mijn leven zal ik niet gauw linken aan oude gebeurtenissen. Laat staan dat ik er in vast blijf zitten. Door schade en schande en met hulp van lieve en wijze mensen mocht ik leren gebeurtenissen uit mijn verleden in hun tijd te zien, erbovenuit groeien, verwerken, ombuigen en noem maar op.  Ik zal dat ooit illustreren met een verhaal over klappen die ik op school kreeg. Als ik in mijn verbolgenheid van toen was bleven steken zou ik nu gaan Vloggen. Niet in een stadion, zoals bij Feyenoord gebeurde, of in Zaandam op een plein , maar in de kerk. En dat ga ik de kerk echt niet aandoen.

 

Maandag 19 september

In oktober 1939 galoppeerde  een nachtmerrie het slapende gedachtenveld van mijn vader binnen. Hij zou de volgende morgen preken over dat mysterieuze verhaal waarin Abraham zijn zoon Izak moet offeren. In zijn droom beeldde hij uit hoe Abraham het mes in zijn zoon dreigde te steken. Omdat vader zelf nogal van het gesticuleren was op de preekstoel hief hij zijn rechter vuist. Net toen hij die wilde laten neerkomen op de buik van mijn hoogst-zwangere moeder zag zij kans hem wakker te maken. Enkele dagen later kwam zus Gonny ongeschonden ter wereld. Zij heeft 71 jaar mogen leven. Ik kom hierop omdat ik vanmorgen zelf prekend wakker werd. Ik stond op de kansel in mijn geliefde Leersum. Voor het eerst van mijn leven had ik geen tekst op papier. Dat heb ik nooit eerder gewild noch gedurfd. Nooit gewild omdat ik vrees dat het taalgebruik afzwakt als je improviseert. Ook liggen herhalingen op de loer. Ik ken collega’s die het met furore deden vanaf een memopapiertje en heel alert inspeelden op de toehoorders. Ik was er niet jaloers op en verveelde me gauw. Bij één collega was het soms vermakelijk : hij had de gewoonte oude preken vanaf losse papiertjes op te warmen en vergat daarbij wel eens de data te veranderen. Dan hoorde je in 1969 het volgende : en wij gemeente, in 1958, enz.  Ik schudde dan heftig nee en kreeg daarna van een verkleurende voorganger het juiste jaartal door. Ik heb het ook nooit gedurfd omdat ik al improviserend dingen kan zeggen of woorden gebruiken waarvan ik achteraf zeg : nou, dat had beter (niet) gekund. Maar vanmorgen in mijn slaap was het dan zover. Het ging over het rijk van God. Dat zou komen of we nu willen of niet. Niet in een slee van wagen, zelfs niet in mijn Kia Picanto, maar achterom. Zoals je vroeger bij mensen binnenkwam. Ik heb nog één vriend bij wie dat kan. Je trekt de keukendeur open en roept : “vollek”, zoals dat hoort, en vanuit de woonkamer hoor je dan Ja ! Net alsof hij op je zat te wachten. Toen bedacht ik  ineens dat dat koninkrijk van God niet uit zichzelf komt maar dat het alles met ons doen en laten te maken heeft, net als God zelf. Je kunt niet over Hem praten zonder het over de mens te hebben. Dat leek mij voor de voortgang van mijn preek allemaal te ingewikkeld, reden waarom de wekkerradio besloot mij uit de slaap te halen. Ik houd van zulke dromen. Ze tonen haarscherp aan waar ik, misschien onbewust, mee bezig ben. Voor een aantal lezers ook troostend omdat ik niet zó erg van God los ben als soms lijkt.

 

Dinsdag 20 september

Ineens begrijp ik waarom mensen die willen schrijven zich terugtrekken. Het kleine schrijvertje van nachtboekverhaaltjes had dit keer een duidelijk plan waarover ik wat op papier wilde zetten. Ondanks een vermoeiende dag waarop we 330 km reden voor kostelijke bezoeken aan broer Gabe en Tine in Rolde en onze vriendinnen Frieda en Marian in Steenwijk. Ik dacht na een stevig slaapje aan het begin van de avond dat de nacht mij welgezind zou zijn. Ik maakte echter de fout  om eerst een mail van de Zorgverzekering te openen. Die sturen mij voortaan de af-  en verrekeningen digitaal toe, melden ze me enthousiast. Voor een eenvoudige tekstverwerker als ik ben een linke bedoening. Maar goed, ik wilde me niet laten kennen. DigiD , gezocht en gevonden, en dan gaat het los. Wat ik begreep is dat ze niet hebben gedaan wat ik vroeg en dat ik daardoor niet meer weet wat ík nu moet doen. Dat zijn van die momenten dat ik naar de ouderwetse postbode verlang die een brief in m’n bus stopt waarin ik alles rustig kan nalezen. Eventuele vragen mogen dan telefonisch. Nu is dat ook geen pretje want na allerlei knoppen ingedrukt te hebben beland je soms in behoorlijke wachttijden. Om me te gerieven “ zetten ze er dan een muziekje onder.” Niets erger dan dat soort muziekjes ; het stemmen van de instru-menten in het Concertgebouw klinkt mooier. Toen wij pas, na de aanval van wespen op Agnes,  de dokterspost belden kregen we eerst een keuzemenu. Voor spoed toets 1. Voor vragen toets 2. Voor recepten toets 3 en zo zal het nog wel even zijn doorgegaan. Ik toetste 2 en heb toen 21 minuten lang gewacht. In die tijd had ik heen en weer naar het ziekenhuis/annex dokterspost  kunnen fietsen.Nu bracht de Zorgverzekering me uit m’n doen. Verstoring van de geest of zo. Geen rust waaruit iets op kan bloeien. Mijn onderwerp is daar ook te serieus voor. Gelukkig is er morgen weer een dag, hoop ik toch, én een nacht. Moge de onduidelijkheid met de verzekering dan telefonisch geklaard zijn.

 

Woensdag 21 september

Bij toeval dacht ik vanmiddag terug aan een ervaring van ruim 15  jaar geleden.

Met een moeder,  haar zoon en zijn a.s. bruid . Mij was gevraagd dat huwelijk in te zegenen maar de  ouders van de buidegom hadden daarr moeite mee. Zij waren van een zware kerk en vonden de bruid te werelds en mij te licht. In die tijd schreef ik nog geen nachtboek maar wel nachtgedachten of, als het wat erg frivool werd, nachtzwammen. De ervaring van toen heb ik in een nachtgdachte verwerkt en die vond ik, na enig zoekwerk, terug. De herinnering is mij te dierbaar om te vergeten en dus neem ik hem hier op, geschreven in een zaterdagnacht  begin 2001 .

“Er staat zometeen geen preekstoel op me te wachten - laat staan een gemeente - en dus was er alle gelegenheid om een nachtfilm te zien.

“Imaginary crimes” op RTL4.‘t Verhaal is gauw verteld.Vader, moeder, twee dochters.Hij is een fantast, wil veel, kan weinig.Zijn vrouw hunkert naar iets eigens maar levert alles in voor een droom van haar man; een droom die minder is dan een jongensdroom.Hij wil alleen maar rijk worden met lucht en toch : hij is niet eens slecht, hoe groot zijn missers dan ook mogen wezen.

Zijn vrouw sterft aan kanker en beide dochtertjes voedt hij op in zijn wereldje van “niks” eigenlijk. Uiteraard ontmoet hij de werkelijke wereld van zijn vrouw

in de krachtige presentie van zijn oudste dochter. Die ontfermt zich over haar jongste zusje, zoals hij zich had moeten ontfermen over zijn kinderen.

Een draak van een film dus. Maar ik heb van Wybe Zijlstra geleerd : waar een draak is, is ook een schat. Het is de draak die die schat verdedigt. En deze draak stelt de vraag : wat heb je voor jouw schatten gedaan ? Al jouw eigen misère ten spijt. Kijk, dan is ineens zo’n B-film toch weer nuttig. Want wij, als ouders en ouderen, hebben onze mond vol over : nou noem maar op, hoe het vroeger was - beter soms ? -  hoe wij het deden - waren we daar gelukkig mee ? - hoe God het wil - wisten wij dat dan ? - en nog zo wat van dat gekeutel. Kinderen van nu hebben wel te maken met de onzekerheid van hun ouders. Die deden vaak alsof ze het wisten, maar klungelden ook maar wat aan. Met de beste bedoelingen, o zeker, maar zo zeker was het niet !

Ik mocht afgelopen week een “knotje”ontmoeten. Je weet wel : een vrouw uit de oude doos. Ik zal binnenkort het huwelijk inzegenen van haar 7e en jongste kind. Een man van dertig trouwens. Zijn moeder is gereformeerde bondse. Ik ben voor haar een wereldse dominee (niet “werelds” dus - ik kán stuk ! -.)

Maar “goud” van haar vond ik dat zij  zo onvoorwaardelijk achter haar zoon stond, die dan toch maar plotseling met een meid van de wereld voor hen stond, die nog een kindje had ook en vervolgens al weer zwanger bleek van hun zoon - en dat niet eens per ongeluk - niet kerks en noem maar op.Dikke tranen , dat wel, maar toch. Op zulke momenten geloof ik zo allemachtig in de opge-stane Heer Zie je wel, denk ik dan , dat mensen, misschien wel zonder het zelf te weten, “know how” hebben van het “ en toch.....” Haar zoon vraagt om de zegen over zijn huwelijk - nooit gaat ie meer naar de kerk-, ontmoette zijn aanstaande in de kroeg, enkele maanden terug, ik ken haar, een gehavende vrouw, meisje eigenlijk, want nog niet gegroeid, teveel alleen gelaten,  maar wel opgezadeld met…, paard zonder ruiter dus, met een kind zonder oud, ouder, ouders, enkel een vermoeide moeder . Ik ken haar al 22 jaar. Een gekneusd kind was het toen. En God, wat houdt U toch vreselijk van kneusjes !

Dagwerk heb ik er aan. Maar wat bij U “houden van” is, is bij mij vaak tegen heug en meug. Moet U wel weten !Ik beloof  : ik zal ze zegenen in Uw Naam.

Ik zal er ook bij blijven voor zover dat kan. Ik zal trachten de gereformeerde bond mee te laten zingen. Ps 134 oude berijming moet kunnen ! Maar welke garantie geeft die zegen  ? Komt U er in mee ? Of doen we maar wat ? Ik houd m’n hart vast. U ook ? Of hebt U meer ? Zo moet ik maar eindigen, zoekend naar een goed begin.  “ Ik stap binnenkort in de auto en ga kijken hoe het in al die jaren is gegaan.

 

 

 

Nachtboek 28

Zaterdag 10 september.

Op de gangmuur zat een enorme spin. Toen ik hem goed bekeek zag ik dat hij een heel lugubere kop had met gemene ogen. Ik liep achteruit en zag dat hij me volgde. Waar ik de moed vandaan haalde weet ik niet,maar ik pakte een vaatdoek en wierp die over hem heen. Met trillende handen pakte ik hem op, voelde hem door die doek heen bewegen, rende naar buiten en mikte hem in de vijver. Ik zat net weer op mijn stoel aan tafel toen ik het water in de vijver zag bewegen. Het ging steeds heftiger tekeer tot er ineens een afschuwlijk lelijke gestalte uit omhoog kwam. Het was die spin die heel snel in omvang toenam. Een monsterachtige kop met oren als van een oehoe en ogen waarin niets goeds te lezen viel. Het beest kwam de vijver uit en strompelde naar de tuindeur. Ik denk dat mijn hart even stilstond want ik werd met een schok wakker, gewoon zittend aan tafel en even ingedommeld in afwachting van het Engelse voetbal op t.v. Het deed me terugdenken aan de film Melancholia van Lars von Trier, die ik afgelopen week op tv zag. Het is de naam van een planeet die op onze aarde afstuift. Eerst leidt men het af uit het feit dat de heldere ster Antares plotseling verduisterd is. Daarna zie je hem  dreigend naderbij komen. Een vader laat het zijn zoontje zien door een grote telescoop maar dan zie je niet of hij nu wel of niet dichterbij komt. Heel slim pakt dat jochie een stuk ijzerdraad, buigt dat in een cirkel en houdt het op zo’n afstand dat het beeld van die planeet er precies in past. Later doet hij dat weer en dan zie je dat de planeet ook buiten de randen van de cirkel zichtbaar is. Dan weet hij genoeg. Aan het eind van de film zie je Melancholia vreselijk dichtbij tot hij op de aarde knalt en dan is alles voorbij. Dat is het basale gegeven van de film. Het gaat uiteraard over veel meer, het is geen avonturenfilm. De beide zussen die erin spelen, hun dromen en angsten, hoe om te gaan met de dreiging van zwaarmoedigheid  (= melancholie) en depressie. En hoe een kind heel spontaan kan waarnemen dat er onheil dreigt. Ik ga de film zeker nog een paar keer zien. Als  die spin maar wegblijft, het liefst ook uit mijn dromen.

 

Zondag 11 september.

Eén van de boeiende kanten van geheugen – zolang het tenminste goed werkt, maar dat is een verhaal apart – vind ik dat het een open huis is. Op de gekste momenten kan iedereen daar binnen wandelen. Wellkom of weggekeken, levend of dood, oud of jong, het maakt niet uit. Het is net als in dromen waarin ook van alles aanschuift. Zo zit ik vanavond te bridgen  en één associatie – ik weet niet eens meer welke – was voldoende voor Joop om bij me binnen te komen. Ik zag hem voor het laatst in 1973. Op een zondagavond ging de telefoon. Een kroegbaas vroeg of ik dominee Bas was. Er zat bij hem aan de bar een man die me wilde ontmoeten. Of ik kon komen. Joop had ik ruim een jaar tevoren aangetroffen op de autoweg. Hij stond met bebloed gezicht in het halfduister en dwong me te stoppen. Hij wees naar een Dafje dat verkreukeld in een droge sloot lag. Zijn hoogbejaarde moeder zat daar nog in. Ik rende erheen en trof de vrouw dood aan. Ik nam Joop mee naar een dichtbijzijnde boerderij en vertelde hem dat zijn moeder was overleden. Hij was te dronken om het meteen te vatten. Toen de politie later kwam en hem officiëel meedeelde dat zijn moeder helaas bij het ongeluk was omgekomen brulde hij het uit. Hij werd meegenomen, is veroordeeld en moest verplicht in een psychiatrische kliniek verblijven. Eerst in Groningen, later in Wolfheze. Uit deze laatste was hij ontsnapt, hij stond  - naar ik later begreep- vermeld  in het Opsporingsregister maar was nog zoek.  Die Joop wilde me spreken. Ik ontmoette in het café annex hotel een heel verwilderde man. Al vrij snel vertelde hij me dat hij de volgende morgen vroeg naar Groningen wilde reizen om af te rekenen met de psychiater daar. Die man deugde nergens voor, had hem schandalig behandeld en moest nu een kopje kleiner gemaakt worden. Het lukte me kennelijk om rust uit te stralen maar van binnen trilde ik als een riet. Ik ben niet zo’n held. Op mijn praktische vraag hoe hij naar Groningen dacht te komen liet hij me een briefje zien waarop de vertrektijd van de trein stond. Omdat het station nogal ver buiten ons dorp lag bood ik hem aan hem op te halen en op de trein te zetten. Dat accepteerde hij grif. We spraken een tijd af. Hij ging naar boven om te gaan slapen en ik vertrok. Aan dat moment heb ik de laatste tijd vaak teruggedacht toen er discussie was over de vraag of je het ambtsgeheim mocht schenden als er levens op het spel stonden. Mag je als psychiater het geheim van je spreekkamer openbreken als je je patiënt (cliënt tegenwoordig) met reden niet vertrouwt als piloot op de volgende vlucht ?  Ik heb er destijds maar heel kort over nagedacht en ervoor gekozen mogelijke slachtoffers te beschermen. Ik heb het mij bekende hoofd van politie gebeld en hem het verhaal verteld. Zij waren al naar Joop op zoek.

Afgesproken werd dat ik hem de volgende morgen zou ophalen . Bij het verlaten van het hotel zou hij opgepakt worden. Met lood in mijn schoenen meldde ik me de volgende morgen vroeg bij de hoteleigenaar. Joop was nog boven.  In mijn herinnering was het een heel lange trap en hoe vaker  ik eraan denk hoe langer die wordt. Ik klopte op zijn deur die promt werd geopend. Daar stond Joop met een scheermes in zijn hand. Wonderlijk dat ik geen angst voelde (nu wel) maar direct woorden vond om hem te ontwapenen.  Ik bedankte hem voor het aanbod  en op mijn mededeling dat ik me al had geschoren en dat we moesten opschieten,  borg hij het in zijn tas en kwam achter me aan de trap af. Halverwege zette hij plotseling zijn tas neer en vloog weer naar boven. Iets vergeten, riep hij. Net toen ik begon te vrezen dat hij doorkreeg wat er zou gebeuren en dat hij langs een andere weg zou ontsnappen kwam hij weer tevoorschijn. Het lukte me  nu hem  vóór mij de trap af te laten gaan. In de hal liep hij recht in de armen van de politie die hem afvoerde in een busje. Al heb ik hem nooit meer teruggezien, zijn gezicht achter de ruit van dat busje komt af en toe in mijn geheugen om de hoek  kijken. Het is niet vriendelijk.

 

Maandag 12 september

Onze  kostbare vriendin Frieda is van een ladder gevallen. Vier meter naar beneden. Omdat ik met haar ook Wordfeud speel chatten wij nogal eens. Zij schreef : het is niet het vallen maar het neerkomen ! Dat zijn van die zinnen die ik meteen ophang aan de kapstok in mijn geheugen. Hij zal vast wel eerder door iemand zijn uitgesproken – hoewel Frieda origineel genoeg is om hem zelf te bedenken – maar kauw eens op dat zinnetje. Zij kwam  ongelukkig neer maar heelt gelukkig. Twee weken geleden viel de dochter van vriend Jan uit Middelburg van de trap. Zij kwam zó slecht neer dat ze het niet heeft overleefd.

Vreselijke ervaring voor wie achterblijven. Vanmiddag hoorde ik via de radio een gesprek over de aangrijpende foto die  15 jaar geleden werd gemaakt bij de vernietigende aanslag op het WTC in New York. Van die man die van grote hoogte uit het brandende gebouw sprong en door de lucht zweeft. Zijn er dan gedachten ? Zoals bij de passagiers in de MH 17 die minuten lang in panische angst duizenden gedachten moeten hebben gehad. Zijn die er ook in de korte tijd dat je van een trap of ladder valt ? Ik kan het Frieda gelukkig  vragen. Zelf heb ik er geen ervaring mee. Wel met vallen, zoals iedereen wel zal hebben ervaren,  maar niet met tijd om na te denken. Mijn valpartijen  duurden tekort. Voor ik het wist lag ik. Vanmorgen nog toen ik een zwaar zonnescherm wilde neerlaten. Het is bij ons niet elektrisch aangedreven dus moet het met een lange haak. Dat ging mis, de verbinding met het scherm brak af en ik lag. Ik kwam neer naast een stelling waarop een zware steen lag. Die plofte vlak langs mijn hoofd op de grond. Ik kon dus gewoon opstaan, het stof van mijn kleren kloppen en opgelucht adem halen. Vorige week zakte ik door een tuinstoel, nog wel een Hartman. Ineens patsboem op de grond. Een enkele blauwe plek en “dat was het”  (zoals  sommige journaallezers nog steeds het nieuws beëin-digen). Drie weken geleden fietste ik met de leasehond Smash door nat gras. Ik wilde even fors aanzetten, de ketting vloog eraf en ik keek in de stomverbaasde ogen van dat leuke beest. Wat natte plekken in de broek maar dat schijnt meer voor te komen bij oudere mannen.  De val die ik mij het best herinner was vorig jaar. Ik peddelde op de fiets door een nieuwe wijk tegenover ons. Tegen alle natuurwetten in maakte ik plots een hoek van 90 graden. Dat kan niet. Verbouwereerd lag ik op het fietspad, een beetje gekneusd en niet direct van plan  om op te staan. Een fietser kwam langs, maakte een keurig boogje om me heen en reed door. Daarna een meisje van een jaar of 18 dat  het trottoir nam om mij niet te raken. Priester en leviet, zij gingen aan de overzijde voorbij. Die gelijkenis  leek er sprekend op, al zei niemand een stom woord. Nu was ik ook niet beroofd, zoals in dát verhaal , dus werd ik mijn eigen Sameritaan en hees me op de fiets, ging de herberg voorbij en verzorgde thuis m’n wonden. Je ziet, de gewone valpartijtjes, die toevallig goed aflopen. En gaat het mis, soms vreselijk mis, dan is dat afschuwelijk noodlot. Geen God die dat wil, zoals zo braaf in de oude catechismus stond.  Rilke verwoordde het in zijn gedicht over de herfst(bladeren)  zó : toch is er Een die al dit vallen oneindig zacht in beide handen houdt. Dat wil ik graag geloven. Maar het neerkomen….

 

Dinsdag 13 september

Allerlei ideetjes om over te schrijven maar het is gewoon te benauwd onder het platte dak. Ik vind de zomer wel mooi geweest eigenlijk. Het verlangen naar de herfst is groot.  Niet direct omdat ik een bladblazer klaar heb liggen (gekregen , en ik vind het enig) maar vooral vanwege wind en regen en jagende bladeren. Ik zet de ventilator bij m’n bed. Het geluid daarvan lijkt op zachte regen en dan nog die koele lucht over me heen, dit wordt een voorproefje van het najaar. En morgen verfrist weer op.

 

Woensdag 14 september

Als je iets overkomt zijn er altijd wel mensen die daar een verklaring voor hebben. Komisch en pijnlijk vind ik dat als je op één van de commerciële zenders een programma van Astro tv ziet. Daar zit dan een (zeer) vlot pratende juf geflankeerd door iemand die denkt helderziend te zijn.Ze hebben contact met overledenen (met wie het altijd goed gaat !) die hun laten zien wat er voor jou (de beller) in het vat zit. Ik kijk ernaar met een ongelovige grijns én met kromme tenen. Er wordt van alles beloofd (“er komt iemand op je pad” of “ik zie een enveloppe door de bus vallen die je blij maakt”) en er wordt smerige (semi-) psychologie bedreven (“ik hoor verdriet in uw stem, het heeft u wel erg aangegrepen hè ?”). Natuurlijk, er zullen vaste bellers zijn die zich deze onzin  kenneljk graag laten aanleunen, voor 90 eurocent per minuut. Maar ik hoor ook wanhopige mensen die contact en een sprankje hoop zoeken en die worden afgescheept met een tarotkaart uit de Middeleeuwen of een kulzinnetje uit de grote duim. Goed, de tv kun je uitzetten. Dat doe ik dan ook vaak.  Maar nu het echte leven. Dat is als het weer.Daar hebben we het deze dagen veel over vanwege de hitte. Je kunt alle uitdrukkingen en gezegdes erover  als metafoor voor het leven gebruiken. Van super mooi (=erg gelukkig) tot zwaar pet (= diep ongelukkig). Van heel gezond tot ernstig ziek. Over dat mooie zijn we het gauw eens , tenzij je last hebt van afgunst of van nature een mopperaar bent. Als je het pijnlijke zelf voor je kiezen krijgt kun je  de vraag stellen : waarom ik ? Antwoord : wie had je dán in gedachten ? Dat wordt tobben en daar heb je soms je handen (én hart, én hersenen) vól aan. Hopelijk zijn er dan  Sameritanen.Dat zijn die mensen met die uitgestoken handen en weinig woorden. Maar pas op, priesters en levieten stappen ook je leven binnen, dán wel. Die weten namelijk niet om te gaan met de ellende van een ander maar vinden wél dat ze iets moeten. Omdat ze je vaag kennen (en zich verplicht voelen langs te komen) of omdat ze hun eigen angst de baas moeten zien te worden. Zij komen dus met verklaringen, wijze praat.  Als je helemaal pech hebt schieten ze ook nog allerlei psychologisch bedoelde pijltjes af. (Er zaten tot vandaag enkele Russische wetenschappers vast op de Noordpool. Konden hun hut niet meer uit omdat  tien ijsberen hen opwachtten. Ze lagen voor de deur en onder de ramen. Hulptroepen hebben die beesten met vuurpijlen verjaagd). Zo proberen mensen ook de pijn van de ander te verlichten en het ronduit boosaardige te verdrijven.  Het theologisch adagium dat “God daar wel een bedoeling mee zal hebben “ zijn we wel voorbij. Maar het lijkt net alsof we dat missen. Want deze ziekte, dit ongeluk zal toch wel iets te betekenen hebben hoor je dan.  Wegwezen met dit soort priesters en levieten, die mogen inderdaad met een grote boog om je heen. De enige die  énige zin kan ontlenen aan ongeluk, pijn en noem maar op wat je kan overkomen, ben je zélf.  Mensen, kom je lot teboven, zoiets staat ergens in een oud gezang. Dat kun je voor de ander , die door noodlot getroffen is, alleen maar wensen. Handen uitsteken kan ook. Mag zonder woorden. Scheelt 90 cent per minuut.

 

Donderdag 15 september

De warmte wordt opgerold. Pittige donderbuien maken er een eind aan. Ik zie dikke druppels in de vijver vallen. Tot genoegen van de nog resterende vissen want elke druppel bevat zuurstof. En daar was gebrek aan kennelijk want we  visten heel wat dode soortgenoten op. In gedachten zie ik me tijdens zo’n bui altijd weer rond de echtelijke sponde van mijn ouders zitten. Als het buiten hard tekeer ging werden alle tien kinderen uit bed gehaald en rond het grote tweepersoons  bed gezet. De kleinsten mochten bij hen schuilen. Vader las dan Psalm 19, in oude berijming. “ Het ruime hemelrond vertelt met blijde mond , Gods eer en heerlijkheid. De held’re lucht en ‘t zwerk verkondigen Zijn werk, en prijzen Zijn beleid. Dus kan ons dag bj dag, tot roem van Gods gezag, Zijn wonderen verhalen; dus weet ons nacht bij nacht Zijn onbegrensde macht en wijsheid af te malen .”  De eerste regel  wilde ik nog wel snappen en verzachtte de eventuele angst voor het gedonder. Het was Gods blijde mond. Maar bij de heldere lucht viel ik al af want het was aardedonker buiten. En wat daarna volgt is mij tot op de dag van vandaag volstrekt onduidelijk gebleven. Ik ken het woord “afmalen” helemaal niet en hoe lang ik ook op die zin kauw , ik krijg er geen sap uit. Het enige dat ik er van kan zeggen is dat het rijmt op verhalen.

Ik zit me tegenwoordig vaak op te winden over allerlei rijmelarij in vroom bedoelde liedjes maar het heeft klaarblijkelijk al oude papieren. Deze komt namelijk uit de Psalmberijming van 1778 waarover Maarten ‘t Hart zo’n kostelijk boek schreef. En nu maar meteen een ondeugd op tafel : ik volg in kranten de rouwadvertenties en let dan vooral op het gebruik van speciale zinsconstructies. Uit ervaring weet ik dat de neiging bestaat om in één zin alles te zeggen. Dat vraagt om moeilijkheden. Je moet wel prof.mr.dr I.A.Diepenhorst heten om dat goed te doen. Die man kon oeverloze zinnen maken. Iedereen was dan wel de draad kwijt maar taalkundig klopten ze. Onderwerp en gezegde raken vaak in de war na een sterfbed. Ik heb in een brief aan enkele begrafenisondernemers eens een bloemlezing gegeven van een aantal falikante missers. De meest voorkomende was dat de Heer na een ernstige ziekte tot zich had genomen. Alsof de stervende moest wachten tot de Heer beter was. Een nieuw gebruik is dat alles op rijm gebeurt. In gedachten zie ik dan een familie bijeen die ten einde raad nicht Alie bellen die zo fijn gedichtjes kan schrijven. En voor je ‘t weet stroomt het binnen : “Opa ging over woeste zee, maar had de wind niet mee “. Of : “Tante Poek stond altijd paraat, jammer dat dat nu niet meer gaat “. Ik herinner me dat Fons Jansen hier eens een conference aan heeft gewijd. Sindsdien ben ik er alert op en oogst ik uit droefenis toch nog enige vrolijkheid.  Niet netjes maar wel leuk.

 

Vrijdag 16 september.

De boeken die me bezighouden deze week even opzij gelegd voor een nieuw boek van Philippe Claudel, De boom in het land van de Toraja. Echt een boek om met het potlood in de hand te lezen. Streepjes, uitroeptekens, dubbele strepen. Lezen dus. Ik zal er (in eigen woorden)  slechts één passage uit verklappen. Dat is uit een gesprek tussen de hoofdpersoon en een wetenschapper, een jonge vrouw. Zij vraagt hem of hij zich wel eens heeft afgevraagd wie uw lichaam voor u is ? Dan geeft ze een prachtig privé-college waarin ze jouw lichaam als je persoonlijke partner beschrijft. Aanvankelijk beleef je het als kind als een dom werktuig maar al snel ontdek je de mogelijkheden ervan. Je kunt – uiteraard als alles goed is met lijf en leden -  ermee staan en spelen, rennen en sporten, genieten van voedsel en drank, van liefde en sport en noem maar op. Meer en meer ervaar je het als een bevriend lichaam en dat duurt zo tot  om en nabij je 40e. Dan begin je verval te voelen en veel mensen beschouwen dat als een teken van verraad. Vooral als je er zo goed voor gezorgd hebt  (P.S. Dan hoor je “ik heb nóóit gerookt, uitgekiend gegeten, veel gesport, niet overmatig gedronken enz “). Je ervaart (volgens dat college) eerst een onvriendelijk lichaam, dan een tegenwerkend, lijdend, vijandig en uiteindelijk verloren lichaam. Het vervallende lichaam krijgt de overmacht over de geest. Je kunt met allerlei chirurgische en cosmetische kunstgrepen de gelukkige relatie tussen lichaam en geest nog wat verlengen maar dat is maar buitenkant. Van binnen weet je wel beter. Een letterlijk citaat uit het boek : “Door de fases van de natuurlijke relatie met ons lichaam te dwarsbomen, versterken we de wrok die we ertegen koesteren en daarmee ons eigen lijden “. Ik las dit gisternacht en deze woorden flitsten de hele dag door mijn gedachten. Je hoeft er niet eens voor naar een ander te kijken om het idee bevestigd te zien dat je lijf je in de steek laat, niet meer de vertrouwde, vanzelfsprekend meegaande partner is van vroeger. Als het naar een ziekenhuis moet is het eigenlijk stomvervelend dat je zelf méé moet, je had je tijd graag anders besteed. Het zou uiteindelijk kunnen pleiten voor doneren van organen. Als het einde daar is en lichaam en geest gaan scheiden dan zouden “bruikbare  onderdelen” toch een ander moeten kunnen dienen. In de hele discussie die nu weer is aangezwengeld hoor ik nog weinig over degenen die van dat lichaam gehouden hebben, in de woorden van Pia Dijkstra en de meeste uitvaartondernemers : “je dierbaren”. Laat ik voor mezelf spreken : als ik een “dierbare” zou verliezen wil ik daar eerst in alle rust bij gaan zitten, heel persoonlijk nog een keer dag zeggen, terugdenken, kunnen huilen en lachen, voelen hoe de warmte verdwijnt, de laatste ritselingen van leven koesteren.

Daarna mag de dokter komen om de dood te constateren, de verzorgers met de koeling, de opmaak en noem allemaal maar op. Dan is het te laat om organen uit te nemen en dat is heel egoïstisch en niet in het algemeen belang.

Maar daar  heb ik vrede mee.

Nachtboek 27

Zondag 4 september

Vanmorgen gewekt door gigantische regenbuien met zware klappen onweer. Onwillekeurig moest ik denken aan al die collega’s die hun zondagmorgen-dienst gingen uitvoeren. Misschien wel kilometers ver rijden naar een kerk waar de vaste bezoekers  wegbleven (je stuurt geen hond door dit weer) omdat er toch maar een gastpredikant is. En daar sta je dan in je natte schoenen voor een handjevol kerkgangers. Ik ken het uit ervaring. Van een vriend had ik eens het advies gekregen op elke lege plek een engel te denken. Vond ik wel aardig maar soms waren er wel erg veel engelen in de kerk en van engelenzang geen spoor. Ik heb een oude gewoonte herpakt en ben op ziekenbezoek gegaan. Een ziekenhuis is op zondagmorgen iets heel anders dan door de week. Eerst was ik per abuis (ik had het verkeerde adres doorgekregen) in het Diaconessenhuis in Utrecht. Een enorme hal (daar past een eenvoudig streekziekenhuis in), met slechts twee levende wezens : de receptionistes. Gewoonlijk is het daar een komen en gaan van patiënten en bezoekers, gerinkel van kopjes en borden en menselijk gezoem. Nu stilte, absoluut. Daarna was ik in het UMC.  Ik vond er ál mijn voetstappen terug van de bezoeken die ik er in ruim 20 jaar bracht.  En bandensporen van het wagentje waarmee ik zelf vervoerd werd naar ver-schillende spreekkamers. ( Wat heb ik toch enorm geluk gehad dat ik pas op mijn 72e voor ‘t eerst een tijdje in een ziekenhuis hoefde door  te brengen. En nog meer geluk omdat  die operatie aan mond en hals zo succesvol is geweest.) Toen ik vanmorgen door die stille gangen liep, onwillekeurig m’n voetstappen telde zoals ik daar altijd deed, kwamen veel beelden uit het verleden naar boven. Om privacyredenen  met oog op de betrokkenen ga ik ze niet omschrijven. Ik weet nog wel hoe ik vaak het ziekenhuis uitkwam. Op zoek naar oneindige stilte, in de auto of in het bos, kijkend naar een zwarte specht of een schuwe vos, luisterend naar boomleeuweriken of gefascineerd door duizenden mieren op één hoop, áls het maar iets totaal anders was.  Anders redde ik het niet. Het lijkt op verdringen maar zo beleefde ik dat niet. Als je bij een zwaar ziek mens hebt gezeten of iemand hebt zien sterven kun je niet zomaar het gewone leven weer oppakken. Ik werd dan meestal enorm geholpen door de natuur. Schreef daar ook graag over, b.v. in meditaties in het kerkblaadje. De één voelde dat méér aan dan een ander. Want wat was daar nou voor christelijks aan dat ik mijmerde over b.v. vertrekkende ganzen en aanvliegende grutto’s ? Dat weet ik ook niet. Misschien wel omdat ik niet zo precies kan be-denken  wat christelijk is.  Ik vind dat helemaal geen fijn woord, nogal versleten ook, meer een vlag die een lading moet dekken. Menselijk lijkt mij al heel wat en ik hoop dát vooral geweest te zijn in die ziekenhuizen.

 

 

Maandag 5 september

Vanmorgen reed ik,  op weg naar mijn jongste dochter, langs Lexmond . Telkens als ik langs die afslag rijd schiet mij een dienst in de kerstnacht te binnen. Ik keek het na, het was 1988. Ik had toen geen eigen gemeente en preekte dan hier en dan daar. Het was een oergezellige dienst. Althans : dat vindt mijn geheugen. Hoe betrouwbaar dat is kan ik niet zeggen. Misschien is die dienst in de loop der jaren veel mooier geworden dan ie was. Na afloop vroeg één van de kerkenraadsleden of hij de sleutel van mijn auto mocht hebben. Hij wilde er iets in zetten. Voor het wegrijden, na middernacht, durfde ik niet eens de achterbak te openen. Dat deed ik pas bij thuiskomst. Daar stond een kist glanzend rode appels. Dat was , na alle engelenzang in Efratha’s velden en herders  die met een bloedgang naar Bethlehem renden, een echt Hollands thuiskomertje. Deed me meteen denken aan ds Tinus Cabaret (zo heette hij echt) in Den Haag. Die woonde vlak naast ons. Een ongelooflijk dikke man die zich met moeite achter het stuur van zijn Buick kon wringen. Hij was vroeger zwaargewicht in ‘t één of ander geweest, kennelijk niet helemaal afgetraind maar wel bekeerd. En dat in díé mate dat hij een eigen kerkgenootschap had opgericht. Hij huurde op zondag het gebouw van de Zevende-Dag- Adventisten. ( NB. De 7e dag was vroeger, en in de bijbel, de zaterdag, bij de Joden de Sabbat. In de moderne agenda’s is het de zondag en beginnen ze de nieuwe week met de maandag. Foute boel. Joods – Christelijke wortels, die zelfs Wilders graag eet, vereisen dat  zaterdag de 7e en zondag de 1e dag van de week blijven). Dat kerkgebouw kon je dus ‘s zondags huren want de Adventisten gebruikten het op zaterdag. Ik ben de Buick een keer gevolgd en ging ter kerke bij ds Cabaret. Tot mijn verbazing zag ik dat, vóór de dienst begon,  de achterbak van zijn grote wagen regelmatig geopend werd door medekerkgangers die er dan een kist of zak, doos of rek eieren in plaatsten. Het maakte mij des te nieuwsgieriger naar het vervolg. Dat mocht er wezen ! Of eigenlijk niet, ‘t is maar hoe je er tegenaan kijkt. De  Psalmen werden uiterst langzaam en slaapverwekkend gezongen maar je werd meteen weer helemaal wakker als Cabaret zijn mond opende. Tijdens zijn preek  ramde hij geregeld met een grote knuist op zijn borst wat, via de microfoon, een behoorlijke impact had op de trouwe gelovigen. Daarbij riep hij dan uit dat het “hier “ (en daarmee doelde hij op het hart) goed moest zitten. Na een poosje geloofde ik dat wel en snakte ik naar het einde. Normaal is de slotzang daarvoor een geijkt meetpunt. Maar dan had ik buiten de waard gerekend. Want nadat er onder het voorspel was gecollecteerd doken  beide collectanten mét de opbrengst achter een soort coulissen. Daar werd kennelijk het geld geteld. Het orgel jengelde ondertussen rustig door. En het dúúrde. Eindelijk verscheen één van beide heren die de voorganger wat in het oor fluisterde. Het orgel stopte en met gedragen stem werd ons meegedeeld dat het offer voor de Heere niet het gewenste gewicht had bereikt en dat er dus een nieuwe rondgang zou komen.

De portefeuilles werden weer getrokken en na de slotzang werd de goegemeente  met een vette zegen  heengezonden. Het meest “gezegend “ was de chauffeur van de Buick, o.a. mét een kist glanzend rode appels.

 

Dinsdag 6 september.

Uit mijn  kinderjaren weet ik dat er in de kerk gebeden werd voor hen “die in hoogheid gezeten zijn “en die “over ons gesteld zijn “.  Dat gaf in mijn beleving allerlei mensen toch een bepaald aureool. Op plaatselijk niveau was de burgemeester een hele piet en zelfs voor agenten had ik diep ontzag . Daar-

boven had je ministers en commissarissen, een koningin en een premier. Dat zei me toen niet zoveel maar er werd wel elke zondag voor gebeden.  Belangrijk dus.  Toen ik groter werd zag ik er van hun troon vallen. Dan werd er schande van gesproken (als ze dronken tegen een paaltje reden of miljoenen opstreken aan smeergelden) óf meesmuilend gelachen (nét goed, die deugde niet of gelukkig niet van onze partij). Helemaal groot volgde ik de politiek en zag ik hoe de hazen liepen. Het bovengenoemde gebed kreeg ik nooit over mijn lippen omdat ik daar niet in geloof. (Ueberhaupt vind ik  gebeden om allerlei belangen en belangetjes helemaal niks.)  Ervoor in de plaats kwam een groeiende interesse in die “hoogheden”. Daarom lees ik graag kranten, volg ik achtergronden bij het nieuws op tv en lees ik met rode oortjes geschiedenis.

Ik ben nu halverwege de nieuwe pil over de Romanovs, de tsarenfamilie die van 1613 tot 1917 de dienst uitmaakte in Rusland. Zij waanden zich waanzinnig hoog, bijna goddelijk, met Moskou als het nieuwe Jeruzalem ( al hadden ze het echte Jeruzalem er graag bij willen hebben). Zeker, ze hebben prachtige bouwwerken tot stand gebracht (ook heel wat vernield trouwens), maar vraag niet ten koste van hoeveel levens. Mensen waren vooral lijfeigenen die als citroenen werden uitgeknepen ten behoeve van meer geld en macht. In een bespreking in de NRC wordt dit boek trouwens niet zo gunstig besproken, met name het eerste deel niet. Daarin lijken de tsaren schelmen die zich vermaken met (vooral veel) vrouwen, dwergwerpen en niet schromen om eigenhandig te onthoofden. Mogelijk is dat allemaal wel gebeurd maar soms lees je haast niks anders. Alsof je de “bladen “ leest en zoals ieder weet leest dat best lekker ! Nieuw was voor mij dat Napoleon en tsaar Alexander 1  samen een dag of tien hebben doorgebracht in een soort drijvend paleisje bij Tiflis. Ze waren toen respectievelijk 35 en 29 jaar en de grootste leiders in de wereld van toen, begin 19e eeuw. Enkele jaren later voerden ze oorlog tegen elkaar. Napoleon is toen tot Moskou gekomen en heeft enkele weken in het Kremlin gewoond. Een paar maanden later keerden de kansen en is Alexander tot in Parijs gekomen waar hij maanden lang heeft verbleven en o.a. de exen van Napoleon bezocht. Bij het Congres In Wenen in 1814, zelfs door mijn geschiedenisleraar het “dansende congres “genoemd, was Napoleon keizer van Elba . Alle andere “hoogheden” zaten echter op dat congres dat maanden heeft geduurd en bol stond van de feesten, tussen alle politieke bedrijven door die een vrede moesten opleveren.  De schrijver van het Romanov-boek beweert  dat er zo’n 100.000 extra inwoners in Wenen waren gedurende die tijd. Ambtenaren, leveranciers en kooplui, militairen en veel hoeren. De enige namen die bij mij uit de lessen geschiedenis zijn blijven hangen zijn die van von Metternich en Talleyrand. Slimme onderhandelaars maar in het boek zie ik ze vooral over gangen sluipen in peperdure hotels op weg naar minnaressen. Zij die in “hoogheid waren gezeten “ waren toch ook  gedreven laagvliegers. Daar mag

je inderdaad wel voor bidden.

 

Woensdag 7 september.

Een heuglijke dag. De KNO-specialist die mij 4 ½ jaar geleden meedeelde dat ik kanker in mijn mond/halsgebied had (maar het wél zou overleven) heeft me nu ontslagen. Ik was er inmiddels al zó aan gewend dat het goed ging dat het me niet eens verbaasde. Maar toen hij me vertelde dat één van zijn patiënten al 20 van deze operaties achter de rug heeft, inclusief chemo en bestralingen én toen ik terugdacht aan afgelopen maandag toen ik een medepatiënt van toen bezocht, die nu al voor de 4e keer in zijn gezicht is geopereerd en in een traject van 33 bestralingen zit, ja toen werd ik stil en keerde naar binnen. Ik was op de fiets naar het ziekenhuis gegaan, keek bij het naar huis rijden niet om me heen en was tot mijn verrassing na een kwartier weer op dezelfde plek waar ik was opgestapt. Drie afslagen gemist maar heel gebleven. Thuis een heerlijke Leffe-bier genomen, want héél soms wil ik nog wel eens een glas heffen.Tot tien jaar geleden was het in kratten niet aan te slepen. Wonderlijk eigenlijk voor een afstammeling van een lid van de Blauwe Knoop (voor nieuwkomers : dat was een anti-alcoholclub in de vorige eeuw of misschien nog wel ouder). Die knoop is klaarblijkelijk niet in mijn sliert genen gelegd. Ik heb veel gedronken, ook té veel en daardoor heb ik fouten gemaakt. Dat spijt me enorm maar ik kan er niets van terugdraaien. Ik heb er ook van genoten. De lekkerste pilsjes waren toch de pressionnetjes op eeen terrasje aan de Franse kust, samen met broertje Bert. Die worden steeds lekkerder naarmate ik hem meer mis. Vanmiddag in het ziekenhuis zag ik nog even zíjn spoor. De laatste keer dat hij mij opzocht lag ik daar voor een ingreep aan de aorta. Bert kwam me opzoeken met zijn doodzieke lijf.  Hij strompelde achter een rollator, begeleid door vriend Chiel die hem had gebracht. Ik zie hem nog de lift uit komen, schuifelend door dezelfde gang waarin ik vanmiddag liep. Hij ging tegenover me zitten en zei : jij mag nog even door, wetende dat het voor hem zelf afliep. En dat is allemaal alweer ruim twee jaar geleden. En nu hoorde ik weer dat ik nog even door mag. Daar hief ik graag dat glas Leffe op en daar heb ik het bij gehouden. Nog niet helemaal blauwe knoop, maar één knoopje los moet kunnen .

 

Donderdag 8 september

Ik heb vandaag nogal eens teruggedacht aan die uitdrukking  : nog even doorgaan. Ik kreeg die aanmoediging ook van medelezers van dit nachtboek : gewoon lekker doorgaan. Zalig dat ik die kans krijg en ik pak hem , wat het nachtboek betreft, met twee vingers aan. Ik tik namelijk met twee vingers, al jaren. Dat gaat heel snel. Over een preek in de eindfase (op papier zetten) deed ik hooguit twee uur. Niet zo snel als een gewiekste secretaresse natuurlijk maar die heb ik niet. Wel gehad, op het ministerie, en ik had altijd grote bewondering voor de razende snelheid waarmee zij de Remingtons e.a. in beweging hield. De gedachte aan doorgaan bracht mij ook de 60 er jaren in herinnering. Naast mijn werk pakte ik toen de studie theologie weer op. Bijna 7 jaar lang was dat avond aan avond stampen. Je moest voor het ene vak globaal weten waar je de verschillende bijbelverhalen kon vinden. Als de professor vroeg : gesprek met Nicodemus, moest ik Johannes 3 kunnen antwoorden. Voor een ander vak (in vier delen geknipt) moest ik de kerkgeschiedenis door, namen, jaartallen, geschillen, synodes etc, vanaf de 2e eeuw tot heden. Wat een vreselijk vak, en wat heeft dat me veel tijd gekost. Als ik dan ‘s avonds op mijn met een petroleumkacheltje verwarmde zolderkamertje zat vroeg ik me meer dan eens in gemoede af of ik hier wel mee wilde doorgaan. Ik vond het meer leren dan studeren. Maar als je “a “ zegt moet je ook “b “ zeggen, dat is toch wel een beetje mijn insteek. Dus moedig voorwaarts. De vakken werden intenser, ethiek, exegese (tekstuitleg), dogmatiek (23 delen Berkouwer , delen Karl Barth) en de avonduren volstonden niet meer. Ik kreeg met hulp van beurzen en toelagen van familie twee jaar fulltime de tijd om af te studeren. Met ons gezin met drie kinderen naar de Flevopolder verhuisd. En weer kwam de vraag : moet ik doorgaan ? Het was zo’n allemachtig massief blok waaruit ik voor mezelf een beeld moest hakken. Later keek ik met ontroering naar de beelden van Rodin die hij in grote en kleine marmerblokken had gevonden en aan het licht gebracht. Maar ik ontdekte weinig tot niets in die stugge materie van de theologie. Ik heb het gehaald maar vraag niet hoe. De echte theologie kwam pas later in de ontmoeting met mensen. Tegelijk kwam toen ook weer de vraag : moet ik wel doorgaan ?  Vooral toen ik met tegenwerking te maken kreeg. Van huis uit was ik daar wel een beetje op voorbereid. Ik herinner mij hoe mijn vader daar heel af en toe wel eens iets van liet merken, hoe gemeenteleden of zelfs kerkenraden het hem moeilijk maakten. Gelukkig was er de opmerking ooit van ds Buskes uit Amsterdam die zei dat geen trein zonder dwarsliggers vooruit komt maar als er obstakels op de rails komen is het een ander verhaal.  Het dúúrt en het vraagt veel zelfreflectie en hulp van anderen om te ontdekken dat de grootste obstakels in jezelf liggen. Gelukkig heb ik die tijd van leven gehad en ben ik niet bitter of gefrustreerd. Mijn kritische opstelling t.a.v kerk en theologie, mijn teleurstelling en boosheid soms over wat mensen in Gods naam is aangedaan of voorgeschoteld, mijn eigen twijfel over bijna alles wat me als gesneden koek is voorgezet, dat alles doet bij mij wel eens kritische,  ironische of mogelijk zelfs cynische opmerkingen opborrelen,  ik geef het toe. Maar neem van mij aan dat het mij gaat om echtheid en eerlijkheid en ik lardeer het graag met wat vrolijkheid, misschien wel humor. Daar ga ik lekker mee door.

 

Vrijdag 9 september

Na de crematie van Anne Hansma op 16 juli nodigden zijn Netty, hun dochter Monique en haar man Karel ons uit voor een etentje. Dat vond vanavond plaats in De Stoeterij bij Soesterberg, heel lekker en erg gezellig . Prachtig idee om zó

zijn voltooide leven nog eens te vieren. Bij die stoeterij stond een oud soort paardentram, nu op luchtbanden. Als je je fantasie erop loslaat hóór je het geklak van  hoeven en het gesnuif van paarden. Er liepen er meteen enkelen door mijn herinnering. Mijn eerste paardervaring had ik in 1947 in Koudekerke op Walcheren. In die ontzettend hete zomer was ik óf op het strand óf bij boer Aarnoutse. Die had een Zeeuws/Belgische  knol.  Zo’n oersterk dier  dat met veel kracht twee hooiwagens tegelijk door de zware Zeeuwse klei trok. Ik mocht dan mennen. Niet dat dat iets uitmaakte want het dier wist precies wat hij moest doen en trok zich van mijn geleidsel niks aan. Ik zat vlak achter “de kont van het paard “en was aanvankelijk erg gefascineerd door het feit dat het bij elke stap “gas gaf “. Na enige tijd vond ik dat toch te winderig worden en nam enige afstand. Na die vakantie kon ik mijn heimwee naar dat paard sussen bij een grote uitvaartonderneming annex taxibedrijf (van Drecht)  in Kampen. Die had een grote stoeterij. Ik hielp daar graag als de paarden aangekleed moesten worden voor een begrafenis. Ze gingen dan helemaal in het zwart. Zelfs over het paardenhoofd werd een kap getrokken met speciale  overkappingen voor de oren en oogkleppen die het paard enkel toestonden rechtvooruit te kijken. Op mijn 12e leerde ik in Den Haag de groentenboer (later : groentenman) Sjors kennen. Hij kwam met paard en wagen door de Vogelbuurt en kreeg mij op woensdagmiddagen als hulp. Dat was vooral vanwege dat paard, Dirk, zo mak als een lam. Als je hem een boterham voorhield gaf hij je zijn rechterbeen. Na afloop van de bezorgronde mocht ik hem naar de stal brengen. Net als bij zijn Zeeuwse collega kon ik mennen wat ik wilde, hij liep zijn eigen route. Maar dat doofde geenszins het ruitergevoel in mij. Daarna was het voor mij met paarden gedaan. Ik zag ze nog legio op Prinsjesdag,  bij de begrafenis van Wilhelmina en  bij de rellen in Amsterdam maar dat was allemaal op afstand. Ook het ontzag werd groter, ik werd er zelfs wat bang van. Toen ik begin 80’er jaren met Agnes door de polder fietste verstoutten wij ons een hek open te maken en over een lieflijk dijkje verder te peddelen. Tót we ineens in de verte een enorm paard op ons af zagen komen. Duidelijk zichtbaar een hengst met zin. Rustig blijven staan was er voor ons niet bij. Geheel in overeenstemming met het dierenleven in de polder gingen we er als een haas vandoor richting hek. We waren net op tijd om vanachter dat hek het snuivende paardenhoofd een bete vers gras te overhandigen. Toen ontdekte ik ook wat mij aan een paard eigenlijk het meest ontroert : dat zijn de ogen. Ze zijn zo groot, te groot haast, je zou er in kunnen verdrinken. In de manege van een zwager heb ik dat langer kunnen bestuderen en elk paard had ze. Ik had het idee dat je in zo’n stal nooit ongezien bent. Misschien houden mensen daarom wel paarden omdat ze gezien willen worden.  Als je maar beseft dat die dieren alle reden hebben om de mens goed in de gaten te houden. De historici onder de paarden kunnen je namelijk vreselijke verhalen vertellen over het misbruik dat in de loop der eeuwen van hen is gemaakt in oorlogen en veldslagen. Hoe kleiner de berijder, hoe groter dat was. Kijk maar naar Napoleon. Die kan dan op één paard wel de grote jongen uithangen, zoals op schilderijen is vastgelegd, maar hij heeft onder mensen en paarden enorme slachtingen aangericht. Daar zijn mensen niet voor. En paarden ook niet.

 

 

Nachtboek 26

Maandag 29 augustus

Vandaag is behalve kleindochter Tess ( al 16 ) ook Ina jarig (pas 77). We vierden dat gisteren bij haar in Willemstad. Het is nu 37 jaar geleden dat wij uit elkaar gingen. Ik ervaar het als heel waardevol dat we elkaar nu van harte kunnen feliciteren en samen met de kinderen feest kunnen vieren. Ik herinner me nog heel goed dat zíj 16 werd. Het was vlak na een soort vergadering die mijn vader belegd had tussen de ouders van Ina  , mijn moeder en hemzelf. Ze hadden al een poosje in de gaten dat wij meer dan scharrelden en dus moest daar toestemming voor gegeven worden, zo ging dat toen. Ik werkte toen als vakantiehulp bij bakker van Egmond in Katwijk a/zee en kreeg daar een telefoontje dat het mocht. Ze wisten niet half wat ze zeiden want Ina en ik hadden allang uitgevogeld wat wel en niet mocht, namelijk veel. Wat niet mocht lieten we aan de ouders , de rest was voor ons. Linke boel in die tijd want van enige bescherming was geen sprake. Tóch zijn we voor ongelukken behoed ! Ik herinner mij (weer) het gesprek met broer Evert, die in zijn jonge jaren nog wat voortvarender was dan ik. Rond zijn zeventigste was hij nóg boos over alle gebrek aan praktische voorlichting. Wij werden opgescheept met de beruchte verhalen over zonde en ruggemergverweking, zoals in de film Das weisse Band. Natuurlijk, onze ouders waren ook kinderen van hún tijd. Maar als je drie meiden en zeven jongens hebt rondlopen, zoals zij,  is het misschien niet onverstandig om ook aandacht te schenken aan de hormoonhuishouding. En nu maar hopen dat we het zelf beter gedaan hebben. In elk geval  zonder zonde en zonder  een alziend oog dat jou ook in je hoogste verrukking of diepste eenzaamheid wil betrappen. Op een hernia na begin tachtiger jaren heeft mijn rug het verder goed gehouden.

 

Maandag 29 augustus (2)

Vanmorgen las ik in Trouw dat Jaap Sinte-Maartensdijk is gestorven. Toen ik in 1976 geplaatst werd op vormingscentrum Beukbergen (voor geestelijke verzor-ging aan militairen) was Jaap één van mijn collega’s. Hij werd vriend en was trouw. Dertien jaar hebben we samengewerkt. Samen een groep militairen begeleiden gedurende 2 ½ dag, dan waren we op ons best. Afkicken met een borrel en dan het Eemmeer op met zijn zeilboot merk Kolibri  Daar zat veel houtwerk aan. Dat betekende in de winter schuren, vooral veel schuren en afbranden en dan lakken . En elk voorjaar weer de plechtige tewaterlating. We dachten verschillend, Jaap was wat behoudender en liever, ik jaste wel eens door en overdreef graag, maar wederzijdse waardering droeg ons. In de zomer

gingen we over de wateren. Jaap was bedachtzaam, nam liever geen risico’s, bij iets meer wind dan gewend ging hij het liefst “op het fokkie” . Hoogtepunt van onze zeiltochtjes was voor hem toch het aanleggen. Dan kwam de fles tevoorschijn en keken we naar het weer. Soms namen we dan iets van de moderne theologie door of spraken we over onze honden King en Morus.

Na het conflict in 1988 tussen de Staf van Beukbergen en de Haagse baasjes  (ook dominees maar dan met macht, slechte combinatie) bleef Jaap en ging ik.

We hebben elkaar nadien nog één keer gezien na een kerkdienst in Berkel-Rodenrijs. We kwamen geen enkele diepte meer in, afbranden en schuren was er niet meer bij laat staan lakken, de borrel werd koffie en daarna ging elk zijn eigen koers. Maar nu, met zijn rouwbericht, kwam hij even langszij.

 

Dinsdag 30 augustus,

Even een tussenbalans. Ik zit naar deze pagina te kijken; die is nog leeg. Ben deze week een half jaar bezig met dit nachtboek. Heb er zelf veel plezier in en soms hoor ik dat anderen het niet vervelend vinden om te lezen. Mijn leven is er wel door veranderd.  Ik wás al een nachtvogel, dat scheelt. Maar er is meer nacht bijgekomen want er moet en zal ook nog gelezen worden. Dat is nu eenmaal een niet te stillen honger in mij. Dat begint ‘s morgens om half tien met de krant(en). Dezer dagen zelfs drie want nu de buurvrouw enkele dagen op vakantie is heb ik er ook De Volkskrant bij. Trouw staat bij mij bovenaan, al jaren. Ik houd van die krant. Nu ik er tijdelijk ook het AD bij heb zie ik ook waarom. Trouw geeft te denken. Die krant heeft een aantal columnisten die voortdurend op mijn toetsen spelen en mij daardoor raken. Of ik het altijd met hen eens ben (natuurlijk  niet) is daarbij niet eens interessant. Ze fungeren als vliegwiel voor mijn eigen denkwerk en meningsvorming.Dat heb ik bij andere kranten veel minder. Op één uitzondering na : de zaterdagkrant van de NRC.

Het is mij te veel (en te duur) om die krant er ook nog dagelijks bij te hebben,

maar de zaterdageditie sla ik nooit over. De cryptogram en de column van Youp van ‘t Hek zijn voor de zaterdagmiddag en de rest is voor de zondagmorgen. Dan is het tijd om te genieten van journalistiek van hoog niveau. Ik ben dolgelukkig dat ik in dit land leef waar al die meningen en opninies vrijuit aan de man en vrouw kunnen worden gebracht. Daar heb ik geen gekke partijen bij nodig die onder het mom  en de vlag van vrijheid dit zéggen te verdedigen. Als zij de macht zouden krijgen vrees ik het ergste voor die vrijheid. Als de kranten gelezen zijn wachten ‘s nachts de boeken.Tussentijds is er goddank sociaal leven en huiselijke gezelligheid, boodschappen doen en koken en ‘s avonds tv;

over dat laatste wil ik apart schrijven). Boeken dus. Nu ik weer in zo’n dikke pil over geschiedenis ( de Romanov’s) bezig ben ontdek ik dat dit genre mij op dit moment het meeste boeit. Daarna romans  en psychologisch getinte literatuur. Theologie  is ver naar achteren geschoven, dat kun je kennelijk moe worden. Of ik ben er bij weggedwaald. Het heeft me ooit geholpen om het leven enigszins te duiden maar die behoefte is minder. Terwijl juist het lezen van geschiedenis me niet alleen de ogen opent voor vervlogen tijden maar me ook de geschiedenis die nú geschreven wordt leert relativeren. Heel veel is al eens eerder gebeurd en hoeveel nieuws er ook aan vastzit, in de kern is er , om met Prediker te spreken, niks nieuws onder de zon. Bij het schrijven van mijn nachtboek geef ik hier af en toe lucht aan. Om het niet te zwaar te maken illustreer ik het graag met verhalen over eigen ervaringen die me hebben gemaakt tot wie ik nu ben in dit heerlijke land met fantastische mensen om me heen. Ik realiseer me dat telkens weer met een schok als ik de schrijnende beelden zie uit onze tijd of de gruwelijke verhalen lees van toen.

 

Woendag 31 augustus

71 jaar geleden lag ik op dit moment van de nacht (het is half twee) in bed met  natrillende lippen. We hadden die dag geblazen op zelfgemaakte toetertjes waarbij je met je mond tegen een soort vloeipapier moest blazen. Allemaal voor de koningin , Wilhelmina, want die verjaarde.  Zou zij, toen ze later op paleis ‘t Loo haar “Eenzaam maar niet alleen “ schreef,  wel eens teruggedacht hebben aan die honderdduizenden kinderen die op deze dag afgemarcheerd werden naar marktpleinen voor een aubade ter harer ere ? Goed, het zal allemachtig vals geklonken hebben maar ons bloed was oranje en ons hart van goud, net als haar koets. We beperkten ons in het repertoire ook echt niet tot alleen het Wilhelmus. We lieten dat oranje bloed ook door onze aadren vloeien en in het Kampen van toen is er ook vast nog wel een Psalm aan toegevoegd. Zoiets als : Dat ‘s Heeren zege op u daal. Als dat in de kerk gezongen werd vond ik’t altijd spannend  vanwege het “nu “ en “ dan “. Er waren namelijk twee regels  die luiden “Looft, looft nú aller heeren Heer “en “ Looft , looft dán aller heeren Heer “. Omdat bijna iedereen in de kerk deze psalm uit het hoofd kende en zong – dat heet : uit volle borst – werden ”nu” en “dan “ wel eens door elkaar gehaald. Ik lette daar op. Vooral als je in de buurt zat van een man (meestal) die keihard zong en dan de mist inging. Als iedereen toe was aan

“dan “ zat hij nog in het  “nu “. Ik genoot daarvan.  Op die manier had ik in lange, doodsaaie diensten toch mijn eigen hoogtepunten. Deze psalm werd ook vaak aan bruidsparen toegezongen. Dat was helemaal áf als de predikant daarbij zijn handen op de hoofden van het neergeknielde stel legde. Uit eigen ervaring weet ik hoe voorzichtig je dan moest zijn zodat je niet de kapsels in de war bracht. Soms waren dat hele torens op het hoofd van de bruid en bij de heren stond het stijf van de gel. Bovendien moet je als predikant op zo’n moment een vaste hand hebben en die heb ik niet. De trilling van de lippen (met het toetertje) is afgezakt naar m’n handen.  Dat is niet alleen lastig als ik op zo’n kansel eens een slokje water wil drinken (dat kan met twee handen) maar het stoorde bij officiële handelingen bij Doop en Avondmaal. Nu alleen nog bij het zetten van een handtekening. Die was al onleesbaar en is dat nu helemaal. Ik denk dat ik een kruisje ga zetten. Het moet mogen op mijn leeftijd  nu  “de wachters van het huis beven”  zoals Prediker zegt. Ik herinner me zo’n beving trouwens ook uit mijn jonge jaren. Het Hoofd van Dienst van het Ministerie waar ik werkte ontbood me. Toen ik bij hem binnenkwam hoorde hij het kantinewagentje op de gang en vroeg of ik twee koffie mee wilde nemen. Ik zie me nóg door zijn tapijt schrijden, richting zijn bureau. Het was net alsof er een storm opstak. Eerst een lichte rimpeling over de koffie maar gaandeweg werden het golfjes en even later klotste het het er aan alle kanten over. Uitein-delijk kwam ik met twee goedgevulde schoteltjes aan zetten, met in het midden een bijna leeg kopje.De suikerklontjes op de rand deden zich terstond tegoed aan het bruine vocht en vielen spontaan uit elkaar. Als ik het heel slecht heb zie ik nog die kille vissenogen en dat perkamenten gezicht van het Hoofd.

Hij had voorheen in Nederlands-Indië de scepter gezwaaid over duizenden ambtenaren en zou over zó’n klungel graag een zweep hebben gelegd. Wilhelmina was volgens verhalen ook  niet de makkelijkste  geweest maar mijn handen trilden niet toen ik voor haar mijn fanfare blies. Alleen maar mijn lippen.

 

Donderdag 1 september.

Toen ik vanavond thuis kwam zag ik het boek over Sterfelijkheid liggen dat dochter Karin me had beloofd. Ik wl dat lezen als aanloop naar een preek eind okotober.  Het is geschreven door een neuro-chirurg.  De Inleiding op het boek maakt me nieuwsgierig. Toen wist ik nog niet dat ik rond middernacht veel meer over de sterfelijkheid van ons mensen zou horen en lezen.Verbijsterende berichten over de dood.  Een man van 50, een  vrouw van 52, allebei plotseling,  en twee ouderen aan het eind van hun leven maar toch. Verder verhalen over ernstige zieken en over de pijnlijke kanten van het ouder worden. Betere illustraties bij het begrip sterfelijkheid zijn er niet maar tegelijk bevalt dit zinnetje me niet. Te rationeel want als je al deze berichten goed tot je laat doordringen word je ook zelf virtueel tegen de muur gezet. Je hoopt dan wel dat de executie nog jaren wordt uitgesteld maar zeker is dat die komt.  We dokteren aan onze gezondheid of wat daar voor doorgaat  maar weten natuurlijk (!) best dat dokters op een zeker moment klaar zijn. Dat zouden dokters zélf ook moeten weten. Nog sterker : ze zouden veel opener over dat moment moeten zijn en de mensen daarheen begeleiden. Ik begrijp min of meer dat dat boek over Sterfelijkheid daarover gaat. Gelukkig heb ik artsen ontmoet die het aandurfden om aan een sterfbed de valse hoop te laten varen.

Soms kreeg ik wel de indruk dat de arts zich verschool achter haar of zijn technische handelingen maar ik zal de laatste zijn die dat hem of haar kwalijk neemt. Want sterven is op z’n minst een magisch moment dat je als “omstan-der “ diep kan raken. Daar zijn niet meteen woorden voor. Ontzagwekkende stilte is beter.

 

Vrijdag 2 september.

Om dit 1e halfjaar van mijn nachtboek af te sluiten zou ik zo graag iets vrolijks willen schrijven, althans iets waar mensen vrolijk van kunnen worden. Want vrolijk zijn is een stemming. Je kunt het wórden, door humor b.v. Vrolijk-doen vind ik gauw irritant.   Bij Jeroen Pauw zag  ik hiervan  een mooie illustratie : André van Duin en Lubach.  A.s . zondag beiden achter elkaar te zien op tv.  Bij André heb ik iets van “lach of ik schiet “ . Heel af en toe moet ik echt wel om hem lachen (vooral als hij zélf niet vrolijk doet maar een typetje speelt dat vrolijkheid oproept). Bij Lubach zit ik sowieso te genieten van zijn (scherpe) humor en daar kan ik heel vrolijk van worden. Ik ben opgegroeid in de tijd van Wim Kan, Toon Hermans en Fons Jansen, dat waren voor mij de grote drie. Wim Sonneveld veel minder. Wim Kan  kon zalig relativeren, met name politieke licht- en zwaargewichten kon hij kostelijk fileren al liet hij ze nog altijd net in leven (de visboer moet mij deze manke vergelijking maar vergeven, het lijkt op levend villen en dat bedoel ik niet). Fons Jansen was dé woordkunste-naar. Ik zag hem eens in Diligentia in Den Haag en kreeg mijn gezicht na afloop haast niet meer uit de grijns. Hij was oud-legeraalmoezenier en schoot duizenden kogels door de kerk. Daarbij moet je dan bedenken dat de kerk van zijn tijd op z’n minst een bastion was. Met liefde en precisie raakte hij de overbodige en protserige gebruiken en leerstellingen waarmee de kerk tot dan toe macht uitoefende over, zoals hij dat noemde, de “dierbare gelovigen “ . Toon Hermans was voor mij de meest ontroerende. Hij hield ons eigenlijk een spiegel voor . Hij beeldde mannetjes uit die herkenbaar waren in al hun trots of falen, hun teleurstelling of onnozelheid, hun haantjesgedrag of wereldwijs-heid, hun verdriet of hun lol. Het raakte ons, soms van “au “ , soms van “ha “.

Mijn afdelingschef op het ministerie was topambtenaar maar geen ambtenaar in de gebruikelijke zin. Hij was een oud schoolvriend van Godfried Bomans en absoluut niet gehard tegen de ambtelijke molens. Zijn carrière  vertoonde al enkele breuken. Omdat hij wist dat ik via de theologie het ministerie zou verlaten  en ik hem in zijn verdere  loopbaan niet zou schaden hadden wij gesprekken die het ambtelijke te boven gingen. Op een maandagochtend trof ik hem in tranen aan achter zijn bureau. Hij was bij Toon Hermans geweest. Die show met “de duif is dood “, het typetje bij wie alles lijkt te mislukken. Mijn chef had zichzelf in de spiegel gezien. Dat was de kracht van Toon. Zelf heb ik dat een keer ervaren toen ik moest aanzitten aan een diner met het bestuur van Beukbergen (het protestants geestelijk voormingscentrum voor militairen, waarover ik op 29/8 ook schreef). In dat bestuur zaten  belangrijke oudleiders uit bedrijfsleven en politiek ( zoals oud-premier de Jong, oud-directeur Frits Fhilips, oud-minister Meijnen). Uiteraard waren zij er met hun dames ; onze vrouwen waren ook uitgenodigd. Ik zal nooit vergeten hoe achter de rug van Ina om een dikke beringde hand verscheen die mij op de schouder klopte en vroeg : en dominee, wat vindt u van die Kuitert ? Het was genade Gods die mij ingaf te antwoorden : die Kuitert, die ken ik niet ! De man keek verbaasd  en

zei : Harry Kuitert, van de VU, daar hebt u toch wel eens van gehoord ? Ik zei toen : o, proféssor Kuitert, maar dat vroeg u niet. Natuurlijk ken ik de professor, voor mij de redding in de oude gereformeerde theologie. Het gesprek liep daarna helemaal mis, mede dankzij een dame die tegenover mij zat met hooggesloten blouse en nog hoger EO-gehalte. Ik betrapte mezelf er toen op dat ik enorme behoefte had om te roepen : heren, geef die gehaktbal even door ! In herinnering aan een type van Toon die aanzat aan een banket.

Maar helaas, er waren geen gehaktballen, althans niet óp tafel.

Nachtboek 25

Zaterdag 20 augustus

Ik zet nu alleen de woorden in mijn nachtboek die ik morgenochtend in Soesterberg ga zeggen. Het is preek nr 748 (ik nummerde ze altijd) en is n.a.v.

Psalm 82 en Handelingen 17 : 16 – 28 . Inleiding op deze dienst : Ik heb een teleurstellende mededeling voor u. U dacht  , hopelijk tot uw genoegen, dat u vanmorgen fijn in de kerkbank kon zitten of op een stoel, en zingend en luisterend uw geloofshonger kon stillen.Maar het wordt anders. Ik neem u vanmorgen mee naar een vergadering. Dat is natuurlijk het laatste waar u op een zomerzondag op zit te wachten. Ik beken u eerlijk : vergaderingen waren voor mij ook nooit het hoogtepunt in mijn bestaan. Ik weet nog goed dat ik, pas afgestudeerd en vers in mijn eerste gemeente, de kerkenraadsvergadering moest voorzitten.Ik had nog nooit zoiets meegemaakt. In mijn openingsgebed zal ik vast wel gevraagd hebben om de aanwezigheid van God ; in latere vergaderingen zal ik in mijn hart vaak gebeden hebben of Hij weg wilde blijven.Want er was meestal heel weinig ruimte voor goddelijke geest en humor, voor blijdschap en inspiratie, reden waarom ik vergaderingen al gauw van mijn verlanglijstje afvoerde.Maar je móést wel.En nu het niet meer hoeft, zeg maar : in mijn vrije tijd, beleg ik er één en ik sleep u erin mee. Je zou zeggen dat is de limit. Als ik nou beloof dat ik zal proberen de humor en de geest erin te houden, u  enigszins te inspireren zodat u er toch iets blijer van wordt,  dan wilt u deze vergadering vast wel met mij uitzitten.Bovendien, we zitten op de publieke tribune, we hoeven zelf even niks en de deelnemers aan de vergade-ring zijn bij voorbaat al boeiend.Het zijn namelijk allemaal goden, dat maak je toch niet vaak mee.

Preek

Lieve mensen van God. Bestaat God eigenlijk wel ? Dat is zo’n beetje de hamvraag in elk godsdienstig debat van de laatste jaren. En het antwoord, ook van mij, is nooit meer volmondig : ja. Het is altijd :  ja, maar.Toen aan een Griekse wijsgeer gevraagd werd : bestaat God ? , zweeg hij hardnekkig. Je kunt , als het dan moet, óók zeggen : nee, er bestáát geen God. De aarde bestaat en het heelal en u en ik.Maar God bestaat niet voor wie er uit nieuwsgierigheid naar vragen.Hij is geen voorwerp van wetenschap. God is niet iets in deze wereld, de belangrijkste bewoner of zo. God is niet in de wereld.Maar de wereld is in God. Voordat u nu denkt : wat is dit voor nieuwlichterij, ‘t is prima dat ie met pensioen is maar om nou meteen alle vrijzinnigheid op ons los te laten.. .  moet ik  u zeggen dat deze eerste woorden niet van mij zijn, maar uit een boekje van de grote Duitse theoloog Emil Brunner uit 1935, 81 jaar oud dus, nóg ouder dan ik ben. Weet u wie er wél bestaan : goden !  Hele volksstammen zelfs. En ze zijn niet van vandaag of gisteren. De profeten uit het Oude Testament zagen ze al in Babylon en Egypte.De apostel Paulus zag ze al in Athene, de stad wemelde ervan. Ik heb ze op Internet eens opgezocht. Een indrukwekkende stoet. En weet u wat het frappante is : er zijn er heel wat bij die wij ook kennen.Want je kunt wel schouderophalend zeggen : ach, dat is toch allemaal mythologie, van die goden en zo. Mythen zijn toch niet echt gebeurd net als de meeste bijbelverhalen.Maar dan onderschat u zowel de mythologie als de bijbelverhalen. Ze mogen dan niet allemaal echt gebeurd zijn, het fenomenale eraan is dat ze nog steeds gebeuren ! Ze bevatten waarheden voor alle tijden. Die mythische goden zijn nog lang niet uitgestorven. Ze mogen andere namen hebben, er anders uitzien,maar in wezen zijn ze niet veranderd. En reken erop dat ze heel wat volgelingen hebben. Ook ons. Want behalve  die ene God, de Eeuwige, die we in de kerk aanroepen, aanbidden ook wij nog heel wat andere goden. Bij hen hoef je je geen sekonde af te vragen of ze wel bestaan. Ze vormen min of meer  de regering van ons leven.

We zullen ze zo zien want vanmorgen komen ze bij elkaar.Ze hebben een plechtige vergadering en zullen het beleid bepalen voor het komende jaar. Wij zitten op de tribune en zien hen de zaal binnenkomen.Voordat ze plaats nemen zie je nog wat onderonsjes. De god van de handel en die van de landbouw slaan mekaar hartelijk op de schouder en komen knipogen tekort want miljarden aan subsidies zijn weer binnen. De god van de dokters en die van de angst en die van de dood zijn in een heftige discussie verwikkeld. Want waar houdt gezondheid op en hoeveel mogen we eraan verdienen ? De god van de seksualiteit, de godin van de nacht en de godin van het geluk zorgen voor een vrolijke noot met de nieuwste moppen over liefde en het mislukken ervan.  De god van de Kunsten en die van het Beeld houden een soort handjeklap,wie wát zal claimen.Even terzijde : in de 60er jaren van de vorige eeuw was er een tv-uitzending van “Zo is het toevallig ook nog ‘s een keer” waarin met een persiflage op het Onze Vader het Beeld aanbeden werd, onze TV.Daar is veel gedoe over geweest, mensen beledigd en zo maar de kern was natuurlijk méér dan waar. Nu we een halve eeuw verder zijn is dat beeld en de aanbidding  ervan niet meer weg te denken. Moet je ‘s kijken hoeveel uur we er per dag aan besteden, aan het t.v.beeld .U niet natuurlijk, maar de anderen ! Nou, de god van het beeld is er ook, een welgedaan figuur, minstens viermaal het salaris van de voorzitter van de vergadering en ook veel machtiger.

De zoemer van de vergaderzaal gaat en ieder zoekt haar of zijn plaats. Iris, de godin van de twist en de roddelrubrieken, van de “bladen” zeg maar, is aan de beurt voor de opening. Zij kan niet anders dan met een effen gezicht een

gedicht voorlezen waarin ze heel suggestief filosofeert over vreemdgaan en drankmisbuik, drugs en diefstal. Ze noemt geen enkele naam maar iedereen weet over wie het gaat  en het gegniffel is niet van de lucht. Heerlijk die bladen en dat Shownieuws en noem maar op !  Ja, dat vinden wij niet, maar die anderen. Bij Actuele Zaken  mogen de broers Deimos en Phobos, de goden van Terreur en Angst, verslag uitbrengen over hun succesvolle acties van de laatste tijd. Overal op de wereld hebben ze onschuldige mensen geslachtofferd. Nieuwe plannen zijn in de maak. Vreselijke verhalen waarbij de godinnen van Harmonie en Geluk, van Liefde en Schoonheid, van Huis en Haard  hun oren dichtstoppen. De weergoden hebben van nature al heel wat te melden, ze hebben dit seizoen de mopperaars op hun hand én de wetenschappers die luid roepen : zie je nou wel, de mensheid brengt die mooie aarde zelf om zeep.Nogmaals, wij natuurijk niet, maar die anderen, die vervuilen zo. Dan horen we Chronos, de god van de tijd, die in heftige discussie belandt met Thanatos, de god van de dood. Want wanneer is het de tijd dat iemand sterft en wie maakt dat uit ? Die god van de tijd heeft nog veel meer noten op zijn zang. Dat hij bepaalt wie records loopt op de Olympische Spelen is bekend. En dat hij zelfs kookwedstrijden op tv verstoort door met zijn horloge te zwaaien is vervelend. Koken is kunst enkunst gaat de tijd ver te boven.Maar vreselijk is dat hij nu ook uitmaakt  hoeveel tijd  de aandacht aan zieken en hulpbehoevenden mag kosten. Hij heeft de mens geketend aan het horloge. Tot slot noem ik nog één godheid die vooral in onze dagen moord en brand schreeuwt, erop los twittert en voordringt : de god van de vrijheid. Die heeft het dan toch maar mooi voor mekaar gekregen  dat mensen vooral hun eigen vrijheid voorop stellen. Dat je mag zeggen wat je wilt, dat je mag doen wat je wilt, dat je zelf de regels wel maakt of juist niet.Deze godheid wil niks weten van vrijheid die je elkaar aandoet , die je deelt, die werkelijk vrij maakt.

Ik laat verder uw eigen fantasie graag haar werk doen, bedenk maar wat goden van onze tijd en vul hun bijdrage aan deze vergadering maar in. Terwijl al die goden nog in hun fauteuil hangen en hun meningen, zelfvoldane standpunten en boosaardige plannen de zaal in slingeren, staat er iemand op. Er valt  een doodse stilte.Er klinkt een ander geluid.

Ik moest bij het lezen van deze Psalm ineens aan het verhaal van Job denken. De hoofdrolspeler in een Oudtestamentische tragedie.Alles wordt hem afgenomen, zijn kinderen, zijn bezit , zijn gezond-heid en terecht gaat hij in protest bij de God die hij aanbidt. Ook dan zitten wij in de zaal en volgen hem ademloos op het toneel van het leven.We horen zijn jammerklachten en de vervloeking van zijn geboortedag. En dan ineens wordt het hele toneel omver geblazen en klinkt er een stem uit de storm en wordt Job  opgetild uit zijn ellende. Ik weet niet welke stem de goden horen. Soms moet je ze van je af schreeuwen, maar evenzogoed kun je met zachte stem een doodsteek uitdelen aan de brutale schreeuwers. Ik herinner mij uit mijn studententijd een bijeenkomst met professoren , studenten en allerlei hotemetoten. Uitgenodigd was een ds uit de grote stad die in de armste buurten evangelisatiewerk verrichtte namens de officiële kerken. Hij sprak de taal van de stad en het werkvolk. Dat deed hij ook in die keurige bijeenkomst.Het leek wel een vergadering van Vlamingen en Walen. Ze lagen mekaar niet. De massieve gereformeerde benadering van de mens tegenover  een soepele menslievende, pretentieloze uitnodiging tot geloof . Ver binnen de afgesproken tijd werd de bijeenkomst afgekapt. Uit beleefdheid moest nog wel het slotgebed worden uitgesproken en daarvoor was bij voorbaat de gastspreker gevraagd. Die stond op, vouwde z’n handen, sloot z’n ogen en bad : Heer, ú zag de mensen aan en werd met ontférming bewogen. Amen.

De prachtige stilte daarna, de geslagen honden met de orthodoxe staart tussen de benen en de warme glimlach van onze gast, - als ik kon tekenen, ik zou ze zó voor u neerzetten. Niet dat er daarna iets in onze opleiding veranderde. Maar het zaadje was geplant, in elk geval bij mij.Dat gaat groeien, dat wordt een bloeiende boom, met vruchten en een bladerdak waaronder je kunt schuilen tegen de brandende hitte van het leven  of  de stromende regen van teleur-stellingen en pijn. Dat is voor mij één van de weinige beweegredenen om nog te willen geloven : de hoop dat het beter wordt op de wereld en daaraan doen wat je kunt.Misschien niet groots, in de politiek of dagelijks in de krant.

Maar stilletjes, meedoen aan acties wereldwijd maar ook gewoon op het plekje waar je leeft, voor de mensen om je heen, het stukje aarde waarop je leeft, de natuur en de dieren. Leven met een open vizier naar buiten.

Terug naar de vergadering van de goden. Daar klinkt  die andere stem en hij zegt : Waar is jullie gevoel voor rechtvaardigheid ? Sinds wanneer worden boeven voorgetrokken ? Weerlozen en wezen, verdrukten en zwakken,armen en kwetsbaren,die zouden toch jullie zorg moeten zijn ? Daar ben je toch goden voor ?  Maar wat ik van jullie hoor en zie, het is allemaal hartverscheurend slecht, dom gedoe en duistere praktijken, de hele wereld wankelt op haar grondvesten en dat komt door jullie. Daarom zullen jullie als godheden van je troon vallen en de weg gaan van al wat leeft. Jullie zullen sterven, net als gewone mensen. Wij kijken vanaf de tribune nog even de zaal in.Ook hier niet direct de indruk dat er veel zal veranderen. Maar het zaadje is geplant. Niemand kan deze stem vergeten.  Op de tribune kijken wij elkáár ook wat anders aan. Ik zag vorige week een herhaling van een Prinsengrachtconcert.  Daarin werd het Erbarme Dich uit de Matthäuspassion gespeeld, door viool en hobo. De camera zwenkte weg van het toneel en bracht mensen in beeld die luisterden. Ontroerde, verstilde gezichten, vochtige of gesloten ogen, helemaal één met de muziek. Erbarme Dich, ontferm U, ja, over ons,maar meer nog : over de weerlozen en de wezen,de verdrukten en de zwakkende armen en kwetsbaren.En dat zal niet anders kunnen dan via ons.  Zó immers vinden wij , tastend en zoekend , God. Amen.

Zondag 21 augustus

De preek is achter de rug. Eerst vorige week in Leersum en vandaag in Soesterberg.In de laatste gemeente ben ik 27 jaar geleden aan het werk gegaan. Toen ik eens rustig de kerkzaal inkeek  besefte ik dat zeker 2/3 van de mensen van toen er niet meer is. Een klein deel is verhuisd maar zeker de helft is gestorven. Ook in de zes jaar dat ik daar nu weg ben zijn er heel wat weggevallen, vooral mannen. Alleen al uit de laatste twee jaar kan ik er zo zeven noemen. Dat lijkt misschien niet veel maar op een getal van 70 à 80 kerkgangers is dat enorm. De kerk wordt steeds leger. En dan te bedenken dat  dit gebouw als gereformeerde kerk een halve eeuw geleden is gebouwd op de groei ! Honderd meter verderop  deden de Hervormden hetzelfde. Die “Hoeksteen “ (want zo heette die kerk) is “verachtelijk weggeworpen “(volgens sommigen) bij de fusie van beide kerkgenootschappen. Nu is er dus nog één gebouw, ‘s zondags voor een kwart bezet en dat is sowieso niet gezellig. De mensen zijn het wel. Die zou je iets anders gunnen maar  dan moeten er drastische besluiten worden genomen en dat vergt moed. Ik heb de indruk dat nu gewacht wordt tot het moment dat de wal (= als het geld op is) het schip van de kerk zal keren. Alleen : is er dan nog iemand ?

Wat mijzelf betreft : ik heb lang geaarzeld of ik deze diensten zou doen. Voelde me er op zeker moment te leeg voor. Ook wat opstandig toen ik al die oude verhalen weer eens las. Kon met dat godsbeeld niets en werd door het zwijgen van de officiële kerk (b.v. over vluchtelingen of over de tweedeling in onze maatschappij) en het luidruchtig gedoe van de evangelicals, de commercie rond The Passion enz ook niet positief geladen. Het moest van binnenuit komen en dat kostte moeite want het lag op grote diepte. Ik hoop er genoeg gedolven te hebben om mensen enigszins te inspireren. En morgen is het weer maandag. Dan moet er een wespennest uitgeroeid worden want niet alles van de schepping is wonderschoon, er wacht een tandverzorger en een kapper en gelukkig zijn er mensen die ik mag ontmoeten.Collega Jaap Roggeveen heeft me ooit geleerd dat ontmoeten betekent dat er niets moet. Van een Neerlandicus in Trouw las ik dat dit taalkundig onzin is maar soms gaat de schoonheid van een woord boven de kunde, dus volg ik Jaap en ga ik heerlijk mensen ont-moeten. Als er niks moet kan een gesprek veel makkelijk opbloeien.

 

 

Maandag 22 augustus

Vandaag zijn er in onze voortuin duizenden doden gevallen. Wespen. Afgelopen zaterdag  wilde Agnes een uitgedroogde lavendelpol uit de grond trekken.Bleek daaronder een kolonie van deze beestjes hun domicilie gevestigd te hebben. Een leger grondwespen (want zo werden ze door de deskundige genoemd, zéér agressieve diertjes) wierp zich op haar en en bracht forse steken toe, met name in de hoofdhuid, onder de haren. Grote paniek, de bril sloeg af (is heel gebleven), horloge kapot maar meer nog diep in haar ziel geraakt : ieder kriebeltje is nu een wesp.Een half uur ná de slag voelde ze nog steeds iets op haar hoofd. Na wat speurwerk ontdekte ik nog één achtergebleven strijder die ik met bevende hand heb gevierendeeld (in het boek over de Romanovs las ik dat die doodstraf in Rusland in de 18e eeuw vrij populair was ; in ons land deden ze dat trouwens ook, vertelde meester Prins op de Lagere School). Voor alle zekerheid belden we de dokterspost. Nadat de assistente een vragenlijstje had afgewerkt en een allergische reactie uitbleef, werd Agnes gerustgesteld. Wat bleef waren de wespen. We hebben ze, zoals dat heet, over het weekend heen getild. Wel enig voorbereidend werk verricht door op Google een verdelger te zoeken en te vinden. Vanmorgen zo’n man uit ons dorp gebeld en vanmiddag verscheen er een smetteloos witte auto voor de deur. Een gezellige man begroette ons met een stevige handdruk. Hij had ze al gezien toen hij uit de auto stapte. Een kenner dus. Hij hees zich in zo’n imkeruitrusting en dook met een spuit en een tankje poeier in de bosjes. Na drie minuten kwam hij terug, trok z’n beschermend pak uit en sprak de bevrijdende woorden :

dat was ‘t ! Hij vertelde er nog bij dat in dit nest duizenden wespen huizen, dat er  veel onderweg zijn die allemaal nog thuis komen, naar hun kindertjes, en dat je, als je goed oplet, nú al kunt zien dat ze verlamd raken. Vijftig euro rijker vertrok hij, met achterlating van zijn visitekaatje : dat voorspelt niet veel goeds voor de rest van de zomer. Maar hij kreeg wel gelijk. Toen ik een uur later eens ging kijken (wat overigens sterk was afgeraden) zag ik er nog enkelen vliegen in een lage versnelling, één koos een plekje op mijn overhemd maar was niet meer agresief. Nóg een uur later was het enkel nog een witte dodenakker. Eén dezer dagen wil ik de schop pakken en wat omspitten om te zien wat daar ondergronds  is gebeurd, als ik durf. Vanavond meldde zich één wesp in de huiskamer. Het leek me een historicus uit de wespenfamilie die onderzoek kwam verrichten naar degenen die zijn familie hadden laten uitmoorden.  Hij vloog laag en vrij rustig rond maar nog net te snel om de klap van een opgevouwen krant te ondergaan. Toch moet ik hem ergens iets geraakt hebben want ineens was hij zoek. Heel vervelend want hij zit ergens. Ik heb al eens een koningin opgevist uit één van de bedden. Vele jaren geleden had een ander zich verstopt achter de boeken van Kuitert en daar overwinterd. Toen ze op een mooie voorjaarsdag tevoorschijn kroop was ik zó ontroerd dat ik haar met wat honing op krachten bracht. Eenmaal voldoende aangesterkt vloog ze loom naar de muur van ons huis en kroop in een spouwgat. Enkele weken later  moest ik toen de gemeente bellen om haar nest te verdelgen. Stom natuurlijk. Ik denk dat het daarom sindsdien op eigen kosten moet. Blijft over de wespensteek. Méér dan zestig jaar geleden had ik met één van mijn zusjes een heftig meningsverschil over een bakker in Koudekerke, waar we met vakantie waren. Er waren toen twee bakkers op dat dorp. De één heette Izeboudt en de ander zal wel Joziasse of zo geheten hebben. De ruzie ging over de vraag bij welke bakker ze nou de beste kadetjes hadden. Zij vond de één, ik de ander. Waarom dat zo hoog opliep mag de god van het verleden weten, mij is het volstrekt onduidelijk. Maar jarenlang was Izeboudt de wesp ! Ik hoefde de naam maar te noemen of ze reageerde furieus. Altijd handig zo’n wesp , in een gezin met opgroeiende kinderen waarin ieder zijn of haar plekje moet zien te veroveren. De meest pijnlijke wespensteek die ik zelf heb opgelopen was toen ik net predikant was. Ik  moest in Arnhem een dienst doen, in de kerk van een (on-)redelijk zware collega. De mensen kenden mij niet. Na afloop, bij het uitgaan van de kerk,  merkte een  vrouw  op : wat een charlatan ! Het werd mij verteld door iemand die dat hoorde. Nu kan ik daar een boel op afdingen en heel begrijpend en zo gaan doen maar ik ben het nooit vergeten, als door een wesp gebeten. Mijn leermeester Wybe Zijlstra zou hier een vlijmscherpe vraag bij stellen. Bijvoorbeeld : vertel eens, wáár deed het precies zeer ? Zijn visitekaartje heb ik nog wel, maar hij is er helaas niet meer. Ga ik toch zelf maar spitten.

PS  Het woord wesp komt van het latijnse Vespa, die kleredingen die overal tussendoor schieten,  met die gore uitlaatgassen, waar de politiek zich steeds drukker over gaat maken tot ze er niet meer mogen zijn. Maar enig om op te rijden, als ik zestien was  ging ik er voor sparen !

 

Dinsdag 23 augustus

Eigenlijk had ik over de warmste zomers willen schrijven maar een ijskoud bericht van Marijke dringt voor en dooft de inspiratie. Bij de man van haar jongste dochter is longkanker geconstateerd. Voor hem , die het leven met beide handen aangreep en indronk, niet te bevatten, voor haar niet, voor de twee kleine meiden niet, voor Marijke niet, voor niemand. Geen roker, wel altijd werkzaam in de bouw, met name renovatie, dus denk je aan asbest. Maar dan zit ik al te duiden en dat wil ik helemaal niet. Barnard vertelt in zijn Dagboek dat hij op zulke momenten maar één ding kon : zwijgen. Ik volg hem.

 

 

Woensdag 24 augustus.

Ik zag net op tv dat astronomen via die enorme kijker in Chili een planeet ontdekt hebben die vergelijkbaar is met onze aarde. Ietsje groter maar wel op ongeveer dezelfde afstand van haar zon als onze planeet van de onze. Niet dat ze de planeet zelf gezien hebben maar de wetenschappers kunnen dit afleiden aan bewegingen van die ster;  die “bibbert “ af en toe. Dat is een gevolg van de zwaartekracht die beide hemellichamen op elkaar uitoefenen. Op deze zuster van onze aarde  zou  water kunnen zijn en mogelijk leven. Stel je nu eens voor dat  daar een soort menselijke beschaving is die 1 miljoen jaar verder is dan de onze . Die hebben ons dan allang gezien (met hun vergevorde technieken) en bibberen zélf van wat ze op onze moeder aarde allemaal in beeld krijgen. Helaas zulen we elkaar nooit te spreken krijgen , in geen miljard jaar. We leven gewoon te ver uit elkaar. Mars is al een eind weg, kost een jaar reizen. Deze planeet is nog 500.000 maal verder van ons verwijderd en draait om een zon die astronomisch gezien dichtbij ons staat. Wat zou ik het die oude Grieken en Copernicus en Galileï gegund hebben  om  mee te kijken door die telescopen in Chili. Zij wisten al af van dat enorme heelal maar konden of mochten het niet bewijzen. Helaas is ook de RK kerk hierbij eeuwen lang een sta in de weg geweest, hoewel er pausen zijn geweest die beter wisten. Niet voor niks bezat Vaticaanstad een beroemd observatorium. Helaas ben ik te dom voor het vak astronomie, alle beta-wetenschap gaat mij ver boven de pet, maar dat verhindert me niet erdoor gefascineerd te zijn. Op de preekstoel heb ik dat ook wel eens laten merken. Dat leverde in doordeweekse gesprekken met gemeenteleden wel eens wonderlijke confrontaties op. De één hield vol dat de aarde plat was en de reis naar de maan een trucage uit de Amerikaanse filmstudio’s. Een ander hield het op de schepping in 6 dagen, zo’n 6000 jaar geleden en had met lichtjaren niks te maken. Toen hij mijn ongeloof bespeurde werd hij zó woedend dat hij met de vuist op tafel sloeg, heel hard. Die tafel was een salontafel , die deze “big bang” niet heeft overleefd. Mislukt pastoraat zal iemand het misschien noemen Het is ook niet bij die ene keer gebleven. Dat krijg je ervan als je niet kunt uitleggen dat de kleur van bloed rood is, want op zoiets leken die gesprekken.

 

Donderdag 25 augustus.

Het studentenleven gaat deel uitmaken van het cultureel erfgoed. Op tv werd er met name door prof.Pleij al uitvoerig over gerateld. Die man doet absoluut niks met zijn oren. Wat een ander zegt interesseert hem slechts voorzover hij er op kan doorborduren. Het lijkt me een makkie om bij hem tentamen te doen. Je slaagt altijd omdat hij zichzelf zo geslaagd vindt. Het ging over de “mores en zeden” onder studenten. Daar werd ook de ontgroening bij genoemd. Ik ben ontgroend in 1958 bij het Kamper Fides Quaerit Intellectum.

De soos was gevestigd in één van de beroemde poorten, de Cellebroeders-poort. Ik kreeg een groen petje. Zoiets als een zakdoek met vier knopen, maar dan zonder knopen, heel stom. Dat mocht alleen af als je naar bed ging én als je een ouderejaars moest begroeten. Daarbij kreeg ik een groen aantekenboekje waarin afspraken en opdrachten waren vermeld. Je werd min of meer besproken door de oudere leden die dag en uur vastlegden in mijn boekje. Ik meldde me dan bij het aangegeven adres maar mocht niet bellen of kloppen. Ik moest zingen. “Groen benne we groen, als groentesoep zo groen , ja groener nog dan groentesoep is deze vuile gore troep, groen benne we groen als groentesoep zo groen “ Literair geen sterke tekst maar zó makkelijk te onthouden dat ik hem na 58 jaar nóg weet en zelfs kan zingen. Ik stond natuurlijk wel voor paal, midden op straat tussen joelende jochies en meesmuilende ouderen en dat was dan ook de bedoeling. Het zingen moest trouwens  aanhouden tot er een deur werd open geschreeuwd en dat kon lang duren. Soms kreeg je dan een gesprek met die ouderejaars (dat bleken later de betere studenten). Een enkele keer werd je opgezadeld met flauwe opdrachten. Zo moest ik in stromende regen, gewapend met een stokje waaraan een touwtje zat gebonden, gaan vissen in een plas op straat. Een uur lang. Wat je niet allemaal moest óver hebben voor je geloof. Eén student had teveel boeken over de oorlog gelezen en trachtte ons midden in de nacht in het plantsoen achter de poort te drillen op naziwijze. Hij kreeg het schuim op de lippen (deels van het bier, deels van onmacht) en ging volledig af toen wij en masse (onze lichting telde 17 studenten) dienst weigerden. Gesprekken vonden trouwens plaats op ongelijke voet : de ouderejaars zat in een stoel en ik op de grond. Het jaar daarop mocht ik als tweejaars zelf deelnemen aan dit circus. In het krot dat ik bewoonde waren twee opbergkasten boven de reguliere inbouwkasten , waarbij aangetekend dat dit sjieker klinkt dan het was. Toen mij eens vier feuten tegelijk werden toegeschoven en ik toch het gesprek van één op één verkoos, heb ik de andere drie opgedragen zich in die bovenste kasten te nestelen, deurtjes dicht en óm het kwartier het deurtje te openen en “koekoek” te roepen. En het lukte. Waarom ? Omdat deze jongens graag lid wilden van onze studentencorps. Maar goed dat dit nu op de lijst van ons cultureel erfgoed staat. Dit hoort bij onze cultuur, met al die waarden en normen en zo. Heeft Wilders weer wat méér te verdedigen.

 

Vrijdag 26 augustus

In 1978 was ik voor ‘t eerst aan de Côte d’Azur. Ik lag op een strandje bij Le Lavandou en staarde wat voor me uit over een prachtige zee. Plots kwam er een stelletje vanachter een rots tevoorschijn, poedelnaakt.  Ze zagen er mooi bruin verbrand uit en liepen pal door mijn beeld. Nu ben ik hetero genoeg om mijn blik snel om het zwabberend lid van de man heen te richten op zijn lief.

Toen ik merkte dat hij naar mij keek deed ik uiteraard alsof ik gevangen was door de aanblik van de azuurblauwe zee. Daarna zag ik hun billen achter een volgende rotswand verdwijnen. Op datzelfde strand  moet je nu niet in boerkini gaan liggen . Want dat zogenaamd vrije Frankrijk houdt niet van “uiterlijk religieuze kenmerken “ op het strand. Alsof naaktloperij geen religie is. Nóg pijnlijker vond ik het toen een vrouw op het Normandische strand werd gevraagd naar haar mening in deze kwestie en zij antwoordde dat de boerkini absoluut niet strookt met de Franse normen en waarden.(Die hebben ze daar ook net als in ons land, al hoor ik Jan Peter Balkenende daar niet meer over in zijn huidige baan).  Zelf had deze vrouw een uitermate fors postuur. Ze droeg een zwart badpak dat met moeite het overtollige vet bij elkaar hield. Met name de bandjes over haar schouders stonden strak van spanning. (Misschien was het dat meisje van de Côte d’Azur wel, maar dan 40 jaar later). Als de boerkini  bedoeld is om mannen op  afstand te houden had déze vrouw er zeker niet één nodig. Tommy Wieringa schreef in zijn column dat de boerkini een dubbelzinnig symbool is , zowel een teken van onderdrukkng als van verlossing.  Van verlossing omdat moslima’s nu ook eindelijk naar het strand kunnen, aldus de ontwerpster Zanetti.  Van onderdrukking omdat het de  mannen zijn die  bepaald hebben dat hun vrouwen zo min mogelijk van hun lichaam moeten laten zien aan anderen. Maar ik zag twee intelligente jonge moslima’s op tv  die met een blij gezicht vertelden dat zij het vanuit hun geloof deden. Als je voor vrijheid bent waarom hebben zij die dan niet ? Als je wilt kun je toch gewoon naar de zee kijken.

 

 

 

 

 

familiedag jaren 80
familiedag jaren 80

Nachtboek 24

Zondag 14 augustus.

Ik ben te laat om nog  aan de Olympische Spelen mee te doen. Gelet op mijn gymnastiek-verleden lijk ik er ook niet de aan te wijzen figuur voor. Maar dromen mag en dus verplaats ik mij naar Rio. Bij het Keirin-wielrennen, zo fantastisch gewonnen door een Nijverdaalse, zag ik bij elke wedstrijd het volgende : de  deelneemsters stonden startklaar op de baan, zaten op hun fiets die door hun coach werd vastgehouden en dan zag je ineens links in beeld een man op een elektrische brommer aankomen. Kaarsrecht. Zodra hij de meiden passeerde viel het startschot en de hele club ging achter die brommer aan. Gedurende enkele rondes verhoogde de man zijn snelheid tot hij op een gegeven moment (toen ze 50 km p/u reden) van de baan ging. Toen moesten ze het verder zelf maar uitzoeken. Díé job, die had ik wel willen hebben. Vroeger deed dat Norbert Koch (Noppie geloof ik, voor de insiders) maar dan op een echte motor met uitlaatgassen en zo. Zoals het nu gaat is vooral voor zijn volgers een stuk aangenamer. Ik beken eerlijk dat ik gewoon wegdroomde, telkens als ik die brommer in beeld zag verschijnen. Een gangmaker heet dat. Maar de harde realiteit was : geen brommer met een sliert meiden erachter, maar een preekstoel. Beter gezegd : een liturgietafel want op de preekstoel in Leersum waag ik me niet. Dat is een modern hoog geval zonder leuningen en hij staat los, niet tegen een muur of zo. Je kunt je dus nergens aan vasthouden. Ueberhaupt heb ik iets tegen preekstoelen,  ze isoleren, beetje pretentieus. De gangmaker in mij staat liever wat dichter bij mensen. Ik weet dat er allerlei verheven omschrijvingen zijn van preken maar ik houd het voor mezelf liever wat aards. Ik heb nagedacht over een tekst(verhaal) en wil het resultaat daarvan graag delen met anderen. In de hoop vooral henzelf te inspireren om er ook eens mee aan de gang te gaan. Dus toch dat mannetje op die brommer. In een kerkdienst hoop ik de vaart er al een beetje in te krijgen maar het echte werk moeten mensen daarbuiten zelf doen. Daarmee houdt de vergelijking wel zo’n beetje op want dan gaat het niet meer zozeer om winnen en verliezen, hoewel me dat vanmorgen wel werd aangezegd door een Amerikaanse Evangelical. Met de rechterhand op zijn hart stond hij luidruchtig op de tv te bidden, God te danken voor het reddend bloed van zijn Zoon waardoor wij gered zijn van onze zonden en kunnen slagen in het leven. Zoiets. Na zijn Amen zei hij zelf : fantastisch ! Zo mooi vond hij zijn eigen gebed. Toen hij zijn ogen opende en recht in de camera keek zag ik dat er aan zijn hoofd gesleuteld was. Zéker een ooglift. En ik dacht ook botoxwangetjes te ontwaren, net als bij Hillary Clinton. Als ik zo’n man ergens in een collegiaal overleg zou treffen, zou ik hem toch een tip geven. Dat wij wél op zo’n brommertje moeten passen en dat op gang brengen iets anders is dan de zaak dichtsmeren met achterhaalde cliché’s. En dan wacht ik maar af wat hij op mij heeft aan te merken. Als hij enig verstand van sport heeft zal hij het toejuichen dat ik de Spelen niet gehaald

heb !

 

Maandag 15 augustus

Vannacht droomde ik dat ik mijn mes  terugvond (zie nachtboek 30/7) . Het lag tegen de rand van het tapijt  (wat we niet hebben). Deze droom  bracht mij op het idee om vanmorgen samen met Agnes en Mariët de kamer eens grondig te inspecteren.Wie weet ligt het toch ergens.  Zit ik vanmorgen buiten met de kranten, koffie en sigaret, steekt onze buurvrouw Reina haar hoofd door de balsemien. Kijk eens wat ik heb gevonden, daar zul je vast heel blij mee zijn. Mijn mes ! Lag nog verscholen in haar vaatwasmachine ( op hoogtijdagen mogen wij onze afwas aan haar machine toevertrouwen). Weer zo’n ervaring van droom en werkelijkheid. Maar meer nog schoot mij het verhaal van Jezus te binnen over de verloren penning. Gaat over een vrouw “hebbende tien penningen, indien zij éénen penning verliest , ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstig tot zij dien vindt ? En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen(!) tezamen zeggende : weest blijde met mij want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. “  Zo verwoordt de Statenvertaling uit 1637 dit verhaal. Ik heb er ook die geladen taal voor nodig om mijn verwondering en blijdschap onder woorden te brengen. Natuurlijk, het is maar een mes maar er is veel aan blijven hangen, geschiedenis, herinnering. Als je mensen spreekt bij wie is ingebroken hoor je altijd hetzelfde : kijk, zo’n fototoestel of tv, ach die kun je vervangen, maar die ene halsketting of dat horloge….. Zou het niet mogelijk zijn een cursus voor boeven op te starten waarin ze leren wat wél en wat beslist niet gejat mag worden ? Nee, dat is niet mogelijk, daar zijn het boeven voor. Zij kennen het verschil tussen mijn en dijn al niet laat staan dat ze nuanceringen kunnen aanbrengen in het dijn. Na het verhaal over de verloren penning staat in Lucas 15 dat over de verloren zoon. Geïnspireerd door de prachtige column van Youp van ‘t Hek in de NRC moest ik denken aan Yuri van Gelder, die grote kleine man. Eerst even dat verhaal. Die verloren zoon was de jongste van twee broers in dienst bij hun vader. Hij wil het “deel van het goed dat hem toekomt” en gaat er vandoor. “Hij is weggereisd naar een ver gelegen land en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadig.” Toen alles  was opgesoupeerd moest hij zwijnen hoeden om aan de kost te komen. En dus gaat hij terug. En nu komt het : zijn vader zag hem al van verre aankomen. Die stond op hem te wachten  ! Hij laat het gemeste kalf slachten en bouwt een feestje onder het motto : laat ons eten en vrolijk zijn. Als die coach van Yuri hem nou eens met een vette knipoog had opgevangen, zich van de alcoholkegel niets had aangetrokken ( áls hij die al geroken had, want een hele avond Heinekenhuis gaat ook niet geurloos aan je voorbij) en hem lekker had ondergestopt, dan had hij vandaag met een nog veel mooiere knipoog  Yuri in een glansrol gezien. Maar nee, ze lieten Yuri zwemmen terwijl hij voor de ringen kwam.  De begeleiding begeleidde niet. En zo werd het “verloren schaap”(ook Lucas 15) het zwarte schaap. Dan houd je alleen maar een kudde gelijken over. Zonde want juist z’n zwart schaap houdt de kudde wakker al was het vast en zeker niet Yuri’s bedoeling om dat ook letterlijk te nemen. Maar in eenzaamheid wil je wel eens gekke dingen doen. Helemaal als Heineken je sponsort !

 

Dinsdag 16 augustus

In de krant van zaterdag las ik een uitspraak van de schrijfster Wanda Reisel : “mijn geheugen is een zolder waar ik rondloop en probeer in het halfduister iets te onderscheiden.”  Dat zinnetje komt sindsdien telkens bij me boven. Dat beeld van die zolder vind ik treffend. Zolders hadden voor mij altijd iets dubbels. Ik speelde er nooit graag. In het huis in de Pauwenlaan in Den Haag was er achter mijn kamer een zolderruimte. Daar hing een gordijn voor. Als ik in bed lag in schemerdonker zag ik dat wel eens bewegen. Door tocht , maar toch…. Ik geloofde niet in spoken maar het spookte er wel, dacht ik. Ik deed in die tijd (jaren ’50)  heel af en toe aan slaapwandelen. Ben in die toestand een keer twee trappen afgedaald en heb beneden de hele tafel gedekt voor 14 personen .Zoveel waren er precies in huis. Mijn ouders waren nog in de kamer en wekten me pas toen ik met het broodmes de trap weer opging. Ook werd ik  ‘s nachts eens wakker op dat zoldertje achter mijn kamer. Ik had me helemaal verschanst achter allerlei spullen die daar stonden. Werd wakker van mijn eigen paniek toen ik daar niet meer achter weg kon komen. Een leukere zolder trof ik later toen wij inwoonden bij een oude dame (bijna net zo oud als ik nu ben !) in een huis met drie etages en daarboven nog een zolder. Daar stonden allemaal oude spulletjes die niet van mij waren. Heerlijk om in te grasduinen.

Dat kon onbespied want de hoofdbewoonster kwam haar1e  etage niet meer af. Kennelijk had ze wel in de smiezen dat ik daar graag was want op een gegeven moment bood ze me de hele zolder aan. Van een klein kamertje daar heb ik toen een studeerkamer gemaakt en op de zolder een schommel opgehangen voor de kinderen. Toen de eigenaresse stierf heb ik braaf geholpen de zolder te ontruimen. Als dank kreeg ik een soort schoenendoosje  dat ik altijd over het hoofd had gezien. Daarin zaten blikjes chocomel uit  Amerika van vlak na de oorlog. Eéntje heb ik geopend. Het bleek duidelijk niet voor de eeuwigheid gemaakt : een dikke bruine drab viel als een koeienflats op het aanrecht.Dank u wel.  De laatste zolder  was in Duitsland. Daar woonden we 18 maanden in een vreselijk oud , vrijstaand huis met drie kelders en één zolder. Allemaal ruimtes die unheimisch waren . Ik kwam daar liever nooit. Sommige huizen passen je als een jas, anderen lijken meer op de stugge kleding die wij als kind moesten passen wanneer de naaister er was. Dan werd een jasje van mijn oudere broer voor mij “gekeerd” . Het werd dan eerst helemaal losgetornd en daarna met de binnenkant buiten weer opgebouwd.  Als alle lappen met spelden weer aan elkaar zaten moest ik passen. Alles prikte en stak stug in mijn vel maar het stond prima , was het commentaar van de toeschouwers. Zo was dat huis in Blomberg ook. De meest geheimzinnige zolder is in mijn herinnering die van mijn zwager in Zuid-België. Eeuwen oud. Er stonden rekken langs de kant waarop stapels fotoplaten uit de 1e Wereldoorlog lagen. Ik durfde er niet één te pakken, bang dat door een dominoeffect de hele boel in elkaar zou storten. Door al deze zolderervaringen was dat citaat van Wanda Reisel wel aan mij besteed. Boeiend toch dat elk mens zijn of haar eigen zoldertje heeft. Ik merk dat ik bij het schrijven van dit nachtboek regelmatig op mijn zoldertje loop te grasduinen. Als ik aan de vele gesprekken terugdenk die ik had, allereerst met mensen om mij heen maar ook in mijn werk, dan beleefde ik het als een hoogtepunt als er kleinoden van zolder werden gehaald, geschiedenis die was opgeborgen, herinneringen die waren weggezet of zelfs verdrongen. Helaas  kon ik niet iedereen enthousiasmeren om dat trapje eens op te gaan. Daar bleef de zolderdeur dicht  en de lippen op elkaar. Opgeruimd zul je dat zoldertje nooit krijgen. Maar weten wat er staat en hoe waardevol het kan zijn is wat anders. Daarom blijf ik er graag rondlopen.

 

Donderdag 18 augustus

Ik kijk graag naar sport dus kan ik deze weken behoorlijk aan mijn trekken komen. Maar dat eindeloze geklets erover komt me de keel uit. Op Zender 1 hebben ze daar zelfs een speciaal uur voor ingeruimd. Vanaf een bankstel – dat deden ze bij het voetbal ook al – geven allerlei insiders hun mening. Schakel ik dan naar een van de buitenlandse zenders dan zie ik live-uitzendingen van de leukste sporten. Volgens mij gaat het bij de Spelen dáárom. De teleurstelling van Daphne, de woede (op zichzelf) van de hockeyers, het verdriet van een judoka, ik had dat allemaal al gezien. Waarom  dat geklets erover. Hup, naar de volgende sport is toch beter ? Sinds wanneer is zilver halen of derde worden verliezen ?  En waarom kan verliezen niet op een sportieve manier ? Dan is de ander toch gewoon beter? Op dat moment. Volgende keer liggen de kaarten misschien anders, it’s all in the game. Zie je wel, er zijn heel mooie uitdrukkin-gen voor, doe daar dan ook wat mee. Vandaag zag ik weer een staaltje van slapende bobo’s. Wat doen die gasten daar toch allemaal dat ze zo moe zijn ?

Eerst hadden we het akkefietje met Yuri van Gelder. Ik vermaak me nog steeds met discussies over hem.De hamvraag is voor mij namelijk waarom  hij niet beter in bescherming is genomen. Je vaardigt als bond iemand af met een verslavingsprobleem, zijn vaste begeleider vraagt om constante begeleiding, en als de spierbundel dan doet wat je mocht verwachten laten ze hem vallen als een baksteen. Natuurlijk omdat die bobo’s het te druk hadden met eigen zaakjes. Zo keken ze vandaag weg bij bij de 4 x 100 meter, of misschien waren ze er niet bij, bezigheden buiten het stadion hebbende. Er werd een duidelijke fout gemaakt door een andere loopster die in de Nederlandse baan kwam, waardoor de wissel met Daphne niet goed ging. Een simpel protest was voldoende geweest. Zelfs op het bankstel werd dit geconstateerd maar geen bobo gehoord. Wel mooi dat de koning in pak haar (en de anderen) de medaille omhing. Gelukkig niet in dat mallotige oranje t-shirt wat je boven een bepaalde leeftijd en mét een zekere buik niet meer zou moeten willen dragen. Als ik dikkerds aan het werk wil zien kijk ik wel naar gewichtheffen. Nog liever naar Sumo-worstelen maar dat is helaas niet op de Spelen. Tot voor korte tijd was dat regelmatig op tv. Ik was dan een fervent toeschouwer . Vind het gewoon een mooie sport maar psychologisch zal daar wel een kanttekening bij te maken zijn. Misschien voelde ik me dan lekker slank of was het makkelijker voor me om mij in zó’n figuur te verplaatsen dan in de uitgebalanceerde lijven van Epke of Daphne. Als nabeschouwing op dit stukje nachtboek wil ik nog kwijt ver te zijn weggegroeid van de opmerking van de apostel Paulus dat lichamelijke oefening van weinig nut is. Ik mag er dan zelf niet in uitblinken, je kunt mij vaak op de kijkerstribune vinden en ik zie dat het een wereldwijd en groot vermaak is.En nut en vermaak zijn voor ons, 2000 jaar na Paulus, minder vijandig tegenover mekaar  dan voor hem. Hij had trouwens op meer gebieden (b.v. seksualiteit, al of niet kosjer eten, positie van vrouwen) problemen waar wij heel anders tegenaan kijken. Maar dat valt buiten deze sportuitzending.

 

Vrijdag  19 augustus

Ik zag vanavond de hockeymeisjes de zilveren medaille winnen. Nog nooit zo’n maf commentaar gehoord na de wedstrijd als deze keer. De verslaggever deed al alsof er door de Britse meisjes een moord was gepleegd. En de bankzitters ( zie gisteren) deden daar nog een schepje bovenop. Ik zag zelfs tranen. Heel koninklijk vond ik het dat onze vorst dit keer niet de medailles uitreikte.  Voor dit verwaande stelletje ( niet zozeer de meisjes die speelden als wel de figuren eromheen) was een andere ijdele kwast goed genoeg : Camiel Eurlings. Die man van de naziachtige groet aan van Aartsen op een CDA-congres , die ook erg voor de gedoogsteun van de PVV was. Die in de regering mocht zitten en vanaf die plek goeie relaties met de KLM aanknoopte waar hij vervolgens directeur mocht worden. Dat moest wel mislopen. Vliegtuigen hebben lucht nodig om door te vlegen maar geen baas die zelf een luchtfietser is. Bleek die nog losse handjes te hebben ook. Nou, met die handjes heeft hij de meisjes de zilveren medaille omgehangen, uit ben je. Bij het IOC  blijken ze een neus te hebben voor dit soort gasten. Gelukkig brak er bij de hockeysters een zilveren glimlach door. Die zijn tenminste sportief en dat kan van veel volk rondom allerlei sport (denk eens aan voetbal) niet gezegd worden. Dat is de wereld van de belangen en je mag tien keer raden welke belangen dat zijn maar ze zijn financiëel van aard. Wat een verademing was het om de hardloper Martina te horen. Deze Antilliaan van geboorte vertegenwoordigde Nederland op de korte afstanden. Bij de 200 meter werd hij 5e, was één honderdste seconde te langzaam voor een medaille en uitermate trots ! Ik ben trouwens wel blij dat het zondag allemaal voorbij is en dat ik me weer mag verheugen op de praatprogramma’s.

De sporters zullen nog wel even nadruppelen maar je mag toch hopen dat de echte wereld weer de overhand krijgt. De dagen en mijn tijd worden korter.Dan zou het toch wel aardig zijn als het echt ergens over gaat. Ik zal proberen daar vanuit  mijn kleine wereld  zondag in Soesterberg (net als afgelopen zondag in Leersum) een aanzet voor te geven.

 

Nachtboek 23

Zaterdag 6 augustus

Vanavond zag ik weer een gedeelte van de film  “Das Leben der Anderen “. Gaat over de Stasi (geheime Oostduitse dienst) die een schrijver en zijn vrouw (actrice) bespioneert. Bracht mij terug in de jaren “60 van de vorige eeuw toen de Koude Oorlog tussen Oost en West nog ijselijk was met ongekend gevaar-lijke periodes (zoals de Cubacrisis).Ik werkte toen bij een ministerie en had ermee te maken. Door een lek op onze afdeling vermoed ik dat mijn naam in die tijd bij de Stasi bekend is geworden (die legden immers alles vast). Toen ik eind jaren ’80, bij het begin van de dooi (maar het Ijzeren Gordijn bestond nog)

naar Berlijn ging werd bij de grensovergang tussen Oost en West, bij Helmsted,

mijn paspoort ingenomen en op een transportband gelegd, die langs enkele houten barakjes  liep. Ik kreeg er een angstig gevoel bij, gelukkig ten onrechte.

Diezelfde avond nog ging ik bij checkpoint Charley Oost-Berlijn in. We aten daar in een restaurant waar vooral Sovjet-militairen zaten. Toen ik de grens terug overstak werd weer mijn paspoort besnuffeld. Ik had er per ongeluk 10 Westmark in laten zitten. Die waren eruit toen ik hem terugkreeg. Ik durfde niks te zeggen. ‘s Nachts ben ik nog op de uitkijkpost bij de Muur gaan staan (waar President Reagan enkele maanden eerder op stond) en meteen kwam er een jeep met Vopo’s aan die met flitslicht keurig foto’s schoot, wat ze trouwens bij iedereen deden die maar naar het Oosten keek. Dat was ik al gewend toen ik in 1974/75 korte tijd bij een Luchtmachtsquadron in West-Duitsland werkte als geestelijk verzorger. Wanneer wij op excursie naar het Gordijn reden en daar vlak langs de vierkante DDR-piketpalen liepen (die stonden aan “onze” kant waar een meter of tien grasland nog tot Oost-Duits gebied behoorde; dat hielden ze ook zelf kort), kwamen er ook meteen jeeps van waaruit wij allemaal gefotografeerd werden. Van bovenaf kon je daar ook een station zien  waar de grens dwars doorheen liep. Bewapende Vopo’s met honden controleerden daar elke trein op mensen die hun heilstaat wilden ontvluchten. Toen ik jaren later deze plekken nog eens opzocht bleken alle sporen gewist, gründlich. Alsof er niks gebeurd was liep ik onder de Brandenburgertor door en wandelde over de vermaarde Unter den Linden, kocht daar in de vroegere Karl Marx boekhandel het net verschenen commentaar van Eugen Drewermann op het Johannesevangelie en ben daar onbespied op een bankje, onder de linden, in gaan lezen. Pas tóén kon ik die huiver uit de 60’er jaren van me afschudden. En dat strookt weer met één van de stokpaardjes van Drewermann die bevrijding van angst tot de kern van het christelijk geloof rekent.

 

Zondag 7 augustus

De twee volgende zondagen mag/moet ik naar de kerk om diensten te leiden dus nam ik het er vanmorgen nog maar even van. Lekker uitgeslapen (wat ik bijna nooit doe) en met koffie en thee aan de NRC van zaterdag. Wat ben ik blij dat ik niet in een land als Turkije of Iran leef waar je moet lezen wat de overheid goed vindt. Omdat die overheden boter op hun hoofd hebben zijn de kranten die wél mogen verschijnen eenzijdig en propagandistisch. Kun je van mijn kranten niet zeggen. Je mag juist hopen dat onze overheden ze goed lezen. Wat een rijke schakering aan artikelen, analyses, meningen en informatie.Tussen al dat lezenswaardigs vond ik een boeiend stukje over de Chinese “zondvloed “. Rond 1000 vòòr Christus is voor het eerst de legende opgeschreven over een rampzalige overstroming in 1920 v. Chr.. De legendarische koning Yu heeft de strijd tegen deze grote vloed aangebonden door kanalen te laten graven en rivieren uit te baggeren. Zo zou hij de grondslag hebben gelegd voor de landbouwcultuur van China en zou hij het goddelijk mandaat verworven hebben om een eigen dynastie te stichten, de Xia. Is die grote vloed tóch nog ergens nuttig voor geweest, namelijk voor de vestiging van de dynastie. Ook in het gebied rond de Middelandse Zee is zo’n grote vloed geweest. Ik heb eens gelezen dat het duizenden jaren v.Chr.mogelijk twee tot vierhonderd jaar grotendeels onder water heeft gestaan. Ook daar zijn naderhand legendes over ontstaan. De verschillende volken hielden er veel goden op na en dus lag het voor de hand deze rampen aan hen toe te schrijven, b.v. als straf voor overmoedig en zondig gedrag. Deze legendes bestonden al  vòòr de bijbelverhalen. Toen het Joodse volk zijn eigen verhalen bedacht, waarin een duidelijke plaats voor hún God was, is ook het verhaal over de grote vloed bewerkt. Het werd het verhaal van Noach, die met zijn gezin het water overleefde. De rest van de mensheid verdronk omdat ze zondig waren en zich niets van God aantrokken. Ook deze vloed heeft dus iets opgeleverd, namelijk een godsdienst. Want Hij die strafte met het water sloot daarna een nieuw verbond met zijn volk. Prachtige legenden die hun kracht ontlenen aan het mythische gehalte, niet aan het feitelijke van de gigantische overstromingen. Het is dan ook een lachertje om op een Ararat (want er zijn meer bergen die zo heten) de resten van een ark te gaan zoeken. Je gaat ook niet op het Ida-gebergte op Kreta het geboortehuis van de Griekse oppergod Zeus zoeken. Of in het bos een boze wolf die grootmama opeet die naderhand levend uit zijn buik wordt gehaald. Dat is allemaal zoeken naar de oorsprong van water, terwijl het erom gaat die verhalen als water  te drinken om zo de smaak te pakken te krijgen. De smaak van de grote vragen, waarom, hoe en waartoe.

 

Maandag 8 augustus

Vorige week ben ik begonnen in een dikke pil over de Romanovs, de Russische tsarenfamilie  die drie eeuwen lang macht uitoefende in dat enorme rijk. Dat betekent dat ik met andere boeken klaar ben. Eerst dat van Connie Palmen waar ik eerder heel enthousiast over schreef. De kaars van dat enthousiasme is tijdens het lezen langzaamaan gedoofd. De twee hoofdfiguren riepen bij mij enorme irritatie op en de schrijfster evenzeer met haar pedant aandoende etalering van  : kijk eens wat ik allemaal weet. Ik was blij dat ik het boek uit had. Toen probeerde ik de lezing van de Bijbel in zeer gewone taal te voltooien. Is me niet gelukt, ik strandde in de evangeliën. Wat een babbeltaal. Babbelen komt vast en zeker van Babel waar ook een eenheidstaal werd gesmeed en waar je volgens de Heilige Schrift wég moet wezen. In dit geval luister ik graag naar die boodschap.Vervolgens las ik HhhH wat Jelmer me uitleende met de woorden : dit móét je lezen. Himmlers hersens heten Heydrich betekenen die letters. Een heel indrukwekkend boek over de (geslaagde) aanslag op Heydrich, het blonde beest, een topnazi, die o.a. in Praag vreselijk heeft huisgehouden. In die stad is hij gedood. De wraak voor die aanslag was ongekend (zo werd een heel dorp , Lidice, uitgemoord door de SS). De manier waarop de auteur zich in deze geschiedenis mengt maakt dat je je haast toeschouwer voelt. En dan nu de Romanovs. Ik zit nog in het begin, aanvang 17e eeuw maar ben al helemaal door het boek gevangen. Jonge jongens, die nog geen brommer mogen rijden of aan alcohol mogen denken, worden ( in purper en goud gehesen, behangen met diamanten, geschoeid met schoenen, die met parels zijn afgezet)  tot tsaar gewijd. Gesteund door adel en kerk vooral – want ze zijn intens vroom – zou je toch een hemel op aarde verwachten. Maar telkens breekt de hel los met wreedheden die je niet in de krant zou durven zetten. Ik vermeld ze hier ook niet. Grootheidswaan is zo allemachtig slecht voor mensen, voor daders en slachtoffers. De 2e Romanov zag in zijn Moskou het Nieuwe Jeruzalem (met een Jordaan en al). Nou, als zulke gedachtenspinsels de overhand gaan krijgen, berg je dan maar. Daarbij vergeleken is zo’n jochie in België, zoon van een imam, die ik vanavond op tv zag en die iets als  “dood aan de christenen”riep, peanuts . En dát is al doodeng. Mij zul je echter nooit horen zeggen dat we in een vreselijke of angstaanjagende tijd leven. Want elke tijd is zo geweest. Het enige verschil is dat wij nú leven en het rondom ons zien gebeuren. Waarbij ik mezelf en ons land gelukkig prijs dat wij in de tijd dat ik leef niet in de vuurlinie hebben gelegen. We roeptoeteren wel van alles en beledigen en schelden schijnen nieuwe omgangstechnieken te zijn maar we leven toch in een walhalla, zoals ik laatst las in een column in de NRC. Wat zou ik die wereldwijd gunnen aan iedereen.

 

Woensdag 10 augustus.

Omdat het Nachtboek en ik elkaar gisteravond met rust lieten lag ik voor mijn doen vroeg (half 2) in bed en kon ik heerlijk lezen. Ik zit midden in het verhaal over Peter de Grote (die van het Zaanse huisje). Wat een geniale gek was dat. Vreemd eigenlijk dat we altijd met een zeker respect over hem spreken en ook met wat trots omdat hij dan toch maar in ons land de fijne kneepjes van de scheepsbouw leerde. Je wilt niet weten wat deze man, die zich oppermachtig waande,  allemaal heeft uitgevreten. De doden , ook mensen die door hemzelf zijn vermoord (onthoofd vooral), zijn niet te tellen. Het gekke is dat deze toch vreselijke verhalen mij even later niet uit de slaap houden. Hopelijk komt dat niet door eelt op mijn ziel. Ik lees al jaren veel geschiedenis, over Romeinen en Nazi’s, over Kongo en Middeleeuwen en laat ik het Oude testament niet vergeten. Het zou kunnen dat er een zekere gewenning aan geweld bij mij plaats vindt. Maar anderzijds haat ik geweld en ben ik er benauwd voor. Voer voor psychologen. Vanmiddag toch heerlijk uitgerust verder aan de komende kerkdiensten gewerkt. Het lukte me om de ideeën die ik had eindelijk op het scherm te krijgen. De Geest was goed voor mij. Ik blijf dat nog steeds spannend vinden om een oude tekst over te brengen naar mensen van deze tijd. Vervolgens is er de uitdaging om die tekst uit te spreken. Daar stond ik vroeger minder bij stil, ik zag er zelfs naar uit. Maar nu, na de operatie aan mijn hals en mond  ruim 4 jaar geleden, is dat anders. Niet alleen het praten kost meer moeite, ook en vooral de articulatie. Mijn tong en het linkeronderdeel van mijn kaak zijn nogal gevoelloos. Dat maakt bepaalde lettercombinaties moeilijk. Voor een bankrover belemmert dat de toegang tot de kluis, mij verhindert het sommige woorden uit te spreken. De woorden “roddel “ en “lot “ b.v. tik ik duizend maal makkelijker uit dan dat ik ze uitspréék. Pijnlijker wordt het dat ik  ook “God “ haast niet kan uitspreken. Op zich niet erg want laten we zuinig zijn met die naam, in bidden en in vloeken, maar lastig als je het specifiek over Hem wilt hebben. En dat is nu het geval. ik koos namelijk als thema : God temidden van de goden, n.a.v. Psalm 82. Toen ik vanmiddag mijn preek in 1e versie klaar had ben ik hem hardop gaan voorlezen. Wie weet valt het de buitenstaander minder op dan mijzelf maar ik bleef nogal eens haken. Alleen het woord “roddelverhalen “ haal ik eruit want dat gaat echt niet. Maar God blijft overeind. Je kunt op slechtere namen je tanden stukbijten of in mijn geval over een luie tong struikelen. En bovendien heb ik nog drie dagen om te oefenen.

 

Donderdag 11 augustus.

Vandaag zag ik wat beelden van het damesturnen op de Olympische Spelen. Sierlijke sprongen op de mat en fantastische oefeningen op toestellen. Vanzelf gleden mijn gedachten naar de oude gymzaal op ons gymnasium. Daar hing een heel antieke lucht ; dat paste wel bij de school. De leraar was een vriendelijke man die ons twee uur per week te gast had. Net als veel van zijn collega’s bleef hij de bedompte lucht de baas met sigarettenrook. Terwijl hij op een stoel zat (zijn leeftijd vroeg daarom) begonnen wij met een rondje gymzaal. Niet te snel want we hadden uiteindelijk twee uren. Daarna commandeerde hij ons in de wandrekken. Eenmaal bovenin moest je dan de bovenste sport vastgrijpen, je omdraaien en uithangen, als een gekruisigde. Dan moest je je benen horizontaal naar voren steken en zolang mogelijk dat standje vasthouden. Ik had er, alleen al vanwege mijn hoogtevrees, een bloedhekel aan en was jaloers op zijn stoel.  Daarna krégen we dan de ringen, zoals dat genoemd werd. Ik had ze liever meteen teruggegeven. Die dingen bewogen en dan moest je er nog een vogelnestje in maken ook.  Ik hield het bij hangen, als een blad aan de boom, wachtend op de herfst en dan mocht ik eraf. Daarna de brug. Ik mag dan net als elk ander mens verwant zijn aan de aap, ik kon er niks mee. Tussen de leggers flink met je benen zwaaien en dan er overheen en mooi landen. Ik kwam meestal niet verder dan één been erover en tuimelde dan op de vangmat. De ergste toestellen moesten dan nog komen. Eerst het paard. Je ziet op de Spelen nu die moderne verschijningen van dat toestel (waar ik ook niks mee zou kunnen) maar wij hadden nog die ouderwetse van bruin leer (ooit ver voor de oorlog al ingescheurd). Daar stond dan een springplank waar de tand des tijds alle elasticiteit allang uit had weggevreten. Waar verwacht werd dat je met een kloeke sprong over het paard heen zou springen belandde ik meestal op pijnlijke wijze op zijn rug, tussen die twee handvaten. De volgende aanslag op mijn jongenslijf werd gepleegd door de evenwichtsbalk. Je ziet op Youtube wel eens van die Amerikaanse politiefilmpjes. Agenten laten dan de bestuurder van een auto, van wie ze het vermoeden hebben dat hij heeft gedronken, over een witte streep lopen. Pas zag ik er één die halverwege pardoes omviel, zo lazerus als wat. Hij leek op mij bij die oefening op die omgekeerde bank (want die werd als zodanig gebruikt). Tot slot was er dan touwklimmen. Ik had ze al die tijd al dreigend aan het plafond zien hangen , opgebonden tegen de zijwanden. Met een blij gezicht maakte de leraar de touwen los want nu zou hij moeiteloos kunnen waarnemen wie zijn topfavorieten waren van de klas. Dat waren immers zij die hoog klommen. Volgens mij was dat ook het moment waarop hij de cijfers voor lichamelijke oefening vaststelde. De hoogklimmers een 8 en zij die bleven zitten op die dikke knoop onder in dat touw een 6- . Die kreeg ik ook hoewel ik met mijn gekneusde kruising (te danken aan de brug) niet eens durfde gaan zitten op die touwknoop. Daarna was er volleyballen en daarmee heb ik mezelf kunnen redden. Ik heb het zelfs tot mijn 40e volgehouden. Lichamelijke oefening mag dan volgens de apostel Paulus van weinig nut zijn, het is wél een vak. Alleen paste ik er niet zo geweldig in.

 

Vrijdag 12 augustus

Eigenlijk had ik deze week naar de kapper gewild maar omdat het op mijn hoofd toch niet meer zo groeizaam is als vroeger kon ik dat makkelijk een weekje uitstellen.  Onwillekeurig kwamen de kappers van vroeger langs. De eerste die ik mij herinner was in Kampen op de Broederweg, schuin tegenover ons huis. Die had twee kapsels in de aanbieding :  Coupe Bloemkool en Coupe Gereformeerd. De eerste was voor mannen en jongens. Hij zette bij wijze van spreken een vergiet op je kop en knipte of schoor alles wat daaronderuit of doorheen kwam weg. De andere was voor de vrouwen : die smeerde hij allemaal een permanentje aan nadat hij eerst fors de schaar had gehanteerd. Resultaat van dit alles ? Dat kon je ‘s zondags in de kerk zien : van die heugaveld tegeltjes die als losse eilandjes op kaalgeschoren koppies ronddreven  bij mannen en jongens,  en kippenkontjes met krullen bij de dames. Alleen de meisjes ontsprongen deze dans : zij hadden of een vrolijke strik in heur haar of hadden mooie lange lokken. Dan moesten ze niet vóór mij in de kerk zitten want dan wilde ik dat haar wel eens klem zetten tussen enkele bijbelboeken. In Den Haag vond ik een kapper met van die sjieke vliegtuig-stoelen met ingebouwd asbakje. Het was een vader met twee zoons. Pa kon niet knippen. Ik durfde niet om een ander te vragen als ik aan de beurt was en hij me met een zware rokershoest in de stoel blafte. Gevolg was wel dat je tenminste de eerste weken voor schut liep. Bij die kapper kwam trouwens het Griekse woord “koureiaka “ weer bij me boven. Ik had dat op school geleerd. Kapperspraatjes zijn dat, die kenden ze al vele eeuwen voor Christus.

Dat is vooral gezwam. In het dorp waar ik nu woon kwam ik bij een kapper terecht die van mannen houdt, maar niet van mijn type. Die ging echt tekeer op mijn hoofd, reden waarom ik dat bezoek niet heb herhaald. Toen heeft Agnes het vele jaren bijgehouden. Nu kom ik al lange tijd bij een Turkse zaak. Dat begint met thee of koffie en veel égards. Eenmaal in de stoel geef ik me over aan het traject : gedekt kort” “. Als dat voltooid is komt er meestal iets bijzonders. Pas kreeg ik ineens was op mijn oren. Het zag er niet uit. Na enkele minuten was het gehard (die was, ik nog niet) en werd het er met een plotselinge beweging af getrokken. Ik wilde net au zeggen maar toen was het al over. Soms houden ze er ook het vlammetje van een aansteker bij om de oren mooi glad te krijgen.  Praten doen we amper. In deze tijd wel handig  want stel je voor dat er gevraagd wordt hoe ik denk over Erdogan of Güllen, net op het moment dat hij met dat vlijmscherpe mes je nek uitscheert. Eén verkeerd antwoord…..Ook daar geldt : als je geschoren wordt moet je stil zitten. En je mond houden.

 

Nachtboek 22

Zaterdag 30 juli

Toen ik 15 werd kreeg ik van drie tantes een zilverkleurig bestek. Ik was naar deze drie zussen van mijn vader vernoemd en nu wilden ze eens wat terug-doen.  Ik was de achtst geborene in het gezin. Boven mij waren grootouders en diverse ooms en tantes al vernoemd maar deze drie waren met hun namen : Marie, Akkie en Annie nog niet  ingedaald in het geboorteregister van mijn ouders. Die waren er heilig van overtuigd dat ik een meisje zou zijn en hadden deze namen voor mij voorbestemd. Laat nou in de nacht van 27 juli een kind ter wereld komen dat zijn mannelijkheid extra cachet gaf door op zijn kin ook nog een soort wormvormig aanhangsel te vertonen. Huisarts Gispen verloste niet alleen mijn moeder van mij maar mij ook van dat extraatje. Met dezelfde schaar waarmee de navelstreng was doorgeknipt werd dit boventallig pikkie weggeknipt. Ik moet geschreeuwd hebben. En de namen werden aangepast : Marius  Akko Anne. De ambtenaar Burgerlijke Stand schijnt bij het aangeven van mijn bestaan nog geprotesteerd te hebben tegen Akko maar is door mijn vader overruled.  Het waren lastige namen want wat gebeurde : in mijn 2e levensjaar werd ik al Bassie genoemd. Toen ik kon lopen was ik vaak te vinden bij een vrouw in de buurt en werd daarom Bassie van der Zwan genoemd. Bassie werd Bas,  maar alleen thuis en als alles pais en vree was. Riep mijn vader “Marius “ dan was het zaak een krant in je broek te stoppen en niet te snel te reageren. Ook op scholen werd ik aangemeld als Marius. Toen Ina en ik gingen verloven in 1959 stond er Marius op het kaartje, waardoor wij – na later bleek -  enkele huishoudelijke cadeautjes zijn misgelopen omdat kennissen dachten dat Ina er met een broer van mij vandoor was  gegaan en met hem wilden zij niks te maken hebben.  Ik voel mij thuis in de naam Bas en dat heb ik – zonder het destijds beseft te hebben – te danken aan mijn eerste grote liefde, de in het zwart geklede Ali van der Zwan, naar wie ik mijn voetjes richtte toen ik  net kon lopen. Maar Marius kreeg later dat bestek, met de letters M.A.A.N  gegraveerd in vork en lepel. Het mes had geen ander kenmerk dat dat ik het uit duizenden herken.  Nu is het weg. Na 63 jaar trouwe dienst heeft het de afhaalchinees van afgelopen woensdag niet overleefd. Ik vermoed dat het tussen bakjes, papier, botjes en restjes de weg van alle vlees is gegaan, zich een plaats heeft bereid in de vuilcontainer en de volgende dag door de vuilnis-wagen is ingenomen. Het is maar een mes, maar ook iets van drie tantes (die ik overigens amper of helemaal niet heb gekend). Jammer, maar het positieve nieuws is : ik heb de vork en lepel nog, mét initialen.

 

Maandag 1 augustus.

Ik zag vandaag de naam Kruithof. Dat is een makelaar. Heb ik niks mee want wij zijn huurders. Maar zijn naam werkte bij mij als een flesopener. De herinne-ringen golfden naar buiten. Of naar binnen, dat weet ik niet precies. In Kampen was het de naam van een blinde organist. Die kon heel gevoelig spelen. Of het dáárom was of omdat hij de vaste organist van de Burgwalkerk was weet ik niet, maar hij zat achter het orgel (wat een vreemde uitdrukking eigenlijk want organisten zitten altijd voor of naast het orgel en achter de speeltafel) toen er rond 1947 een kerkdienst werd gehouden. Geen gewone dienst, zoals op zondag, maar een doordeweekse. Ook niet voor gewoon kerkvolk. De preek-schuur (een benaming van prof. Kuitert voor die enorme, saaie protestantse bakken vol mensen) was helemaal bezet door soldaten in uniform. Mijn vader was de voorganger en ik was meegegaan en zat in een hoekje op de galerij zodat ik dat hele groene veld kon overzien. Later begreep ik dat deze militairen zouden worden uitgezonden naar wat toen Ons Indië werd genoemd. Ze waren opgeleid in de van Heutzkazerne aan de Oudestraat en stonden nu klaar om de Nederlandse vlag te verdedigen Zo zal het vast niet genoemd zijn maar daar kwam het wel op neer. Zeventig jaar geleden was het merendeel van ons volk nog kerkelijk  en dus zal het als vanzelfsprekend zijn beschouwd om “onze jongens “ ook vanuit de kerk uit te zwaaien. Ik heb geen idee wat vader tot hen gezegd heeft, weet ook niets meer van gebeden of liederen. Zou hij hun Gods nabijheid toegewenst hebben bij hun zegenrijke werk ? En dat het onze plicht was die kolonie voor ons land te behouden ?  Het enige wat me is bijgebleven is het beeld van die blinde organist, op wie ik vanaf de galerij een prima zicht had.

Toen de dienst afgelopen was gaf hij een toegift : hij zong solo, door zichzelf begeleid, met een uiterst fragiele stem een lied, ondersteund door de Vox Humana. Menselijke stem betekent dat en het is een register op het orgel dat alle geluid dat eruit komt wat beverig doet klinken. Zeg maar : de gevoelige snaar. Wat zouden die “jongens “ daaraan beleefd hebben ?  Die vraag kun je ook stellen bij wát zij daarna uitvoerden in dat verre land. Nu weten we dat de hele missie tevergeefs is geweest, Indië werd Indonesië en onafhankelijk. Maar we weten nu ook veel meer over wat daar is gebeurd. Nog lang niet alles. Er wordt nog veel gezwegen. Ik heb zelf ook wel eens geprobeerd oud-strijders aan de praat te krijgen maar veel verder dan lekker eten daar en mooie vrouwtjes kwam het vaak niet. Toen de film Oeroeg uitkwam dacht ik dat dat misschien een goeie aanleiding zou zijn om het gesprek op gang te krijgen. In ons kerkblaadje nodigde ik de veteranen uit om met mij die film te gaan zien. Niemand reageerde. De lippen bleven op elkaar, tot op het sterfbed. Een bevriende arts vertelde mij eens dat hij een patiënt had die hem foto’s had laten zien uit die tijd van de Politionele Acties (want zo werd dat in ons land heel eufemistisch genoemd ; het was natuurlijk gewoon een smerige oorlog !).

Ik ga u de details besparen maar het had een hoog ISIS-gehalte. Nu, 70 jaar later, wordt dat schoorvoetend  iets erkend. Er is zelfs een schadevergoeding uitgekeerd aan enkele nog levende, hoogbejaarde weduwen. Hoe langer je daar als Nederlandse overheid mee wacht, hoe goedkoper dat uitvalt, om de simpele reden dat rechthebbenden zijn uitgestorven. Dat is nog steeds  dezelfde mentaliteit van de koopman die onze V.O.C. destijds ook dat land van veel rijkdom heeft beroofd. Hoe haalde Balkende het in zijn geleerde koppie om voor die mentaliteit te pleiten ? En wat bezielde de kerk om de jongens vóór die oorlog te zegenen (want dat zal het toch wel geweest zijn) ? Als mijn vader de kennis van nu had gehad zou hij de dienst hebben geweigerd, mag ik toch hopen. En als de blinde organist de kennis van nu had gehad, zou hij  de Vox Humana hebben uitgerukt en het orgel keihard alle valse klanken laten voortbrengen die erin zaten . Kruithof, organist maar ook makelaar want hij bemiddelde tussen herinnering en nachtboek.

 

Dinsdag 2 augustus

Als er iets toevalligs gebeurde kon mijn moeder zo spontaan zeggen : alsof de duvel ermee speelt. Je had het over iemand, de deurbel ging en de betreffende persoon stond op de stoep. Ik geloof niet dat mijn vader bij die woorden stond te juichen. Die hield niet van grappen of wat ook richting de Almachtige noch diens tegenspeler. De uitdrukking kwam bij mij boven toen ik vanmorgen Trouw opsloeg. Vlak naast elkaar twee artikelen : de één over de roep van de verwende boeren om subsidie teneinde hun veestapel uit te kunnen dunnen. De ander over de noodzaak om excuses aan te bieden aan Indonesië voor het gewelddadig optreden van de KNIL ; zelfs het woord eufemistisch werd gebruikt toen het over de politionele acties  ging. Ik schreef er de afgelopen nacht over; alsof de duvel ermee speelde. Ik ben trouwens zelf ook een keer de duivel genoemd. Dat was in mijn 1e jaar als student theologie. Ik woonde in een krot, tussen veel andere krotten. In het mijne woonde ik één hoog ; beneden was vroeger een groentenwinkeltje geweest en die ruimte werd nu door mij en door buren gebruikt als fietsenstalling. De deur was eigenlijk nooit op slot. Twee huisjes verder woonde een oude man (zo’n jaar of vijf jonger dan ik nu ben !) met zijn dochter en een vaderloze kleinzoon. Zij behoorden tot de zeer strenge Vrij Oud Hervormde Gemeente waar ik al eens over schreef. Op een middag , ik zat eindelijk eens wat te studeren, hoor ik beneden gebonk en mijn naam wordt geroepen. Bas ! Zo heette ik in die buurt, op de Hogeschool was het weer Marius. Ik vervoeg me bovenaan de trap en zie beneden mijn oude buurman met een woest gezicht, verwilderde haren en schuim op de mond. Of het van bier of van woede was weet ik niet maar aangeschoten leek hij wel. Hij schreeuwde naar boven dat het slecht met mij zou aflopen, dat al dat studeren mij verder afbracht van de Almachtige God, dat de duivel in mij was gevaren en dat ik in de hel zou branden. Dat ik de duivel zelf was en dat hij volgende week weer zou komen. Ik vat het maar samen want het duurde al met al toch wel enige minuten. Zelden is een preek zó langs mij afgegleden als toen, maar de duivel heb ik onthouden. Ik kon niets terugzeggen want na zijn denkbeeldig Amen was hij meteen weg. Ik ondernam ook niks op dat moment, zó gewend om na een preek me stil te houden. Als ik met vader meeging wanneer hij de boer op ging met een preek, rond Kampen en later rond Den Haag, vroeg hij op  de terugweg altijd : hoe vond je het ?  Mijn vast antwoord was “mooi” ! En als ik bij een ander in de kerk was geweest (soms zogenaamd want dan spijbelde ik)  en er weinig van gehoord of niks van begrepen had, en thuis aan tafel werd dan de vraag gesteld : waar had de ds het over ? dan volstond het antwoord  “mooi” dus niet . Dat werd dan : over de zonde en dat vond de ds niet goed. Eigenlijk best ontroerend. Terug naar mijn buurman : hij kwam een week later inderdaad weer. Zelfde opwinding, zelfde preek. Daarna zal het misschien nóg een keer gebeurd zijn maar ineens hield het op en ik kwam er vrij snel achter waarom. Op een zaterdagnacht, in een weekend dat ik niet naar huis of vriendinnetje mocht, kwam ik laat thuis uit de studentensociëteit, waar we met wat andere achterblijvers de zondag hadden ingedronken. Ik hoorde een enorme herrie in het huis van de betreffende buurman. De deur stond open en dan was het gebruik dat je even binnenliep. Ik belandde in een geweldig drankgelag, hoorde een taal die in mijn studieboeken niet voorkwam en kon nog net een buurmeisje van 14 redden uit de zeer grijpgrage klauwen van een jongeman die beweerde stuurman op een sleepboot te zijn maar geen idee had wat links of rechts was (laat staan bak – of stuurboord). Het meest opvallende was dat opa het middelpunt van het feest was, weer met schuim op de mond maar nu echt van de drank. Hij vertelde de ene schunnige mop na de ander en elke vrouw, die langs liep, kneep hij in de billen, ook zijn eigen dochter. Ik vroeg hem wat er met hem gebeurd was. Hij en zijn dochter hadden bedankt voor die kerk en het geloof de deur uitgedaan. Zij vierden nu hun vrijheid. Néém er nog één. Ik ben ‘m als de duvel (toch maar) gesmeerd en bij een medestudent gaan slapen. Want de sleutel van mijn krot had ik aan dat meisje van 14 gegeven , die daarheen was gevlucht en zich  op mijn verzoek veilig had opgesloten. Haar zus van 15 had aan een dergelijk avondje een tweeling overgehouden en dat moest haar maar bespaard blijven. 

Vrijheid is kostbaar, vooral als het voor iedereen geldt. Mag de PV ook wel eens aan denken.

 

Woensdag 3 augustus.

Sterfdag van m’n jongste broertje, 2 jaar alweer. Ik belde Anja, zij was in Dieppe. Had vandaag elk kerkje dat ze zag bezocht en er een kaarsje voor Bert gebrand. Wat leeft die jongen nog. Tegelijk zo vreselijk weg. Hij had ons allemaal moeten overleven met zijn warme aanwezigheid, z’n grote bek en z’n nog grotere hart. Via de kunstgreep van leven na zijn dood doet hij dat ook een beetje. We geloofden daar geen van beiden in, althans niet in de traditionele zin, maar in dit nieuwe jasje is het een troostende verbeelding. Bert is niet dood maar hij leeft. Dat doet me denken aan de plechtige uitvaart van een professor in Kampen. Wij als studenten moesten fungeren als een soort slippendragers en hadden daartoe jacquets gehuurd. Ik zat boven op een kleine galerij in de aula toen de kist werd binnengedragen. Hij werd gedragen door vier man. Eén van hen was duidelijk kleiner dan de rest en liep aan het hoofdeinde. Omdat de kist open was zagen we het hoofd van de dode professor heen en weer schudden. De rector magnificus sprak de lijkrede uit die hij eindigde in majeur met de woorden : Prof. (naam) is niet dood maar hij leeft ! Toen de stoet daarna onder ons door liep, met de kleine drager op dezelfde plaats,  zagen we betrokkene echter weer heftig nee schudden om te benadrukken dat hij helemaal niet leefde. We stelden ons op achter de volgauto’s en moesten toen  4 km acher de volgwagens lopen naar de begraafplaats in IJsselmuiden, vast een indrukwekkend gezicht. Net over de brug, ter hoogte van het station , kreeg de laatste volgwagen een lekke band, rechts achter, net onder de zitplaats van de zeer oude vader van de rector magnificus. Stoppen was er niet bij en dus zagen wij vanaf dat moment een voortdurend ja-knikkende vader die de boodschap van zijn zoon bevestigde. De dode mag het dan nee-schuddend ontkennen maar wij houden vol dat hij leeft.

Waarmee maar weer is aangetoond dat theologen eeuwig in discussie blijven, zelfs over de dood heen. Broer Bert zal daar niet aan meedoen. Hij had niks met theologie of kerk maar respecteerde iedereen die daar wel iets mee had.

Hij is een paar keer bij mij in de kerk geweest, bij intree en afscheid en bij andere bijzondere gebeurtenissen. Ik zie hem nog de kerk in Nijkerk binnen-komen bij de begrafenis van broer Jan. In spijkerbroek, witte blouse, op sandalen, met een zwartleren jack aan z’n pink over z’n schouder. Die grote man ging vlak voor me zitten, uiteraard bij de familie. Al hij er was had ik altijd het gevoel dat ik mijn woorden over hem heen moest tillen. Als hij ze nou maar doorliet dan was het goed. Bij de uitgang liep hij langs me , legde zijn hand even losjes in m’n rug en zei : goed gedaan, Bassie. Die stem, die mis ik ook,

maar die kan ik wel nadoen. Hoe hij op dingen zou reageren kan ik me ook prima indenken. De leukste gesprekken hadden we op terrasjes in Zuid-Frankrijk, waarbij we niet nalieten de schoonheden van de Franse natuur van ons commentaar te voorzien. Die zette altijd in met de opmerking van één van ons beiden : kijk eens wat daar op 2 uur (een zeilterm om de richting aan te duiden) komt aanlopen. Voor de rest werden die gesprekken na enkele pressions best diepzinnig. Heerlijk om te herinneren. Ik ga een eind mee met die rector magnificus maar zou het iets anders formuleren : Bert mag dan wel dood zijn maar ik houd hem graag in levende herinnering. En ik ben niet de enige. Die kaarsjes van Anja zullen inmiddels wel gedoofd zijn maar morgen zullen ze weer branden, overal waar na de dood geleefd wordt.

 

Donderdag 4 augustus

In een winkelcentrum zag ik vanmiddag twee kinderen achter hun smartphone aanrennen op jacht naar een Pokémonpoppetje. In de krant las ik een verhaal over rugklachten bij jongeren veroorzaakt door het hangen in hun stoel voor het pc-scherm. Bovendien bewegen ze te weinig en missen ook nog goeie gymnastieklessen op school. Dat riep bij mij de vraag op : wat deed ik dan in mijn kinder- en jongensjaren ? Spelletjes, eindeloos veel spelletjes en soms gewoon niks. Toen ik naliep wélke spelletjes, volgde er een eindeloze rij : ik begin maar met de buitenspellen(ik leerde vroeger met één l maar dat is veranderd, net als handvatten) : knikkeren (met halfjes en tweetjes, van glas en klei), tollen (met een zweepje of priktollen en dan proberen die van de ander kapot te krijgen, beuken heette dat), hoepelen( met een oud fietswiel, zonder spaken, en dan het stokje in de velg houden), zeepkisten(in mijn geval met een onderstel van de oude kinderwagen waar ik twee plankjes op had bevestigd), voetballen (met alles waar je tegenaan kon schoppen), jokari (balletje aan een elastiek wegslaan, in de hoop dat het elastiek het hield en het balletje terugkwam), badminton (zolang de snaren het hielden, was nooit lang), touwtjespringen (als ik met m’n zusjes moest spelen), bokspringen, hinkelen, verstoppertje(met als dieptepunt dat niemand je zocht), tikkertje, paardje rijden (voor paard noch ruiter een plezier), sleeën( liefst van een duinpad af ,maar dan wel onder die afzettingen door en dat ging wel eens mis) ,schaatsen (nooit mijn favoriet geweest), van hoge hooibalen afspringen (als voorbereiding op wat er later in het hooi zou gebeuren) enzovoort. Ik zal er vast vergeten zijn. Binnenspelen in de tijd vóór de computer waren voor mij : sjoelen (met je arm onder dat bruggetje door om die ene steen terug te pakken), monopoly (ik haatte dat, bleef meestal alleen op de stations achter), halma, mens-erger-je niet(deed ik dus wel), mecano (toen al bleek mijn gebrek aan technisch vernuft), voetbal-spel, zo’n houten bak met poppetjes aan een stang en een pingpongballetje (meer voor mijn broers, überhaupt is voetbal voor mij een kijkspel), dammen en schaken (ik verloor altijd want dacht niet vooruit waardoor de mooiste zetten onder de “mat “werden geveegd), kwartetten (ook bijbels, zoals : mag ik van jou de oom van Lot ?, dát werk), mahjong (geweldig spel, net als kaarten), legpuzzels, punniken(vier spijkertjes in een garenklosje en dan met een haaknaald kleurtjes katoendraad er doorheen werken. Het resultaat gebruikte ik als kleurrijke leidsels voor een paardendraf met mijn broertjes, dommer kon je het niet hebben), lezen (aanvankelijk verboden litteratuur, namelijk Dik Bos, met een knijpkat onder de dekens) en treintje spelen ( de eettafel stoelen werde op een rij achter elkaar gezet, op de voorste zat de bestuurder die “tjoek tjoek “ riep en verder gebeurde er niets) Soms deed ik niks maar dat was meestal van korte duur.Want onder het motto: ledigheid is duivels oorkussen (daar heb je die duvel weer, toch een trouwe gast in mijn leven) werd je algauw betrokken bij een of andere huishoudelijke klus. Nu had ik daar geen hekel aan ; tuin aanharken, auto wassen, snijbonen door de molen halen,boodschappen doen, boontjes doppen, tafel dekken, schoenen poetsen (soms 14 paar op zaterdagavond),  het meisje in mij (Marie Akkie Annie) vond dat leuk om te doen( dat waren toen typisch meisjesdingen) En nóg ben ik dat niet kwijt ( die werkjes doe ik nog graag) ,al ben ik wel erg blij met het computer-tijdperk. En die Pokémonpoppetjes verdwijnen vanzelf weer, dat zijn symbooltjes van vergankelijkheid, zoals elke tijd die kent. Wie hoepelt er nog ?

 

Vrijdag 5 augustus

Tussen alles door ben ik bezig met een preek. Ik heb lang geaarzeld of ik dat nog wel wil en kan. Ik heb per slot van rekening behoorlijk opruiming gehouden. Veel van wat ik dacht te geloven is weg. Boeken die ik las bevestigden me in het loslaten. Mijn rugzak, die in de loop van mijn leven stevig was volgestouwd en zwaar kon wegen, is heel wat lichter geworden.

Maar kennelijk niet leeg want dan zou ik voor de twee komende kerkdiensten hebben afgezegd. Ik ga geen toneelspelen en teksten zeggen die niet van mezelf zijn. Wat houdt me bezig (wat is er in die rugzak blijven zitten) ? Simpel gezegd : de vraag naar God. Vanmorgen las ik in de krant (dit keer het Nederlands Dagblad, Trouw was kennelijk op) dat ISIS de oorlog heeft verklaard aan het christendom Ze voeren daarvoor een theologisch argument aan : dat wij er drie goden op na houden in plaats van die ene Verhevene. Ik voel me dan allerminst aangesproken. Die drie-een heid is een zwaar bevochten constructie uit de 4e eeuw. Ik heb het – ook op catechisatie – nooit uitgelegd als een soort driegodendom maar meer als een dynamisch gebeuren met de nadruk op één God die zich langs verschillende wegen liet kennen. De hamvraag  is voor mij echter : wat bedoelen wij mensen als we God of Allah zeggen ? Is God niet één van de vele goden die wij er op na houden. Ik herinnerde mij Psalm 82 : God temidden van de goden. Laat daar nou dit voorjaar een boek over verschenen zijn : God in de kring van de goden. Griekse tragedies en het christendom. Het boek meteen aangeschaft en ik beken eerlijk : ik snap er de ballen van, niks dus. Een groot theoloog ben ik niet,amper een kleintje, misschien ligt het daaraan maar m’n hersenen doen het nog prima. Ik zou er dus best iets van mogen begrijpen, maar nee dus. Zo heb ik trouwens nog wel een paar boeken in mijn kast staan. Aangeschaft vanwege lovende kritieken maar absoluut aan mij niet besteed. Gelukkig heb ik een interview met de auteur bewaard. Daarin staan zinnen als : “ bijbelverhalen als verhalen van verbeelding. Dat we een ruimer godsbeeld moeten krijgen. We denken anders dan vroeger. Het is een andere wereld geworden. We moeten het zelf opknappen en worden voor keuzes gesteld “. Die zinnen hebben mij verleid tot het kopen van dat boek. Nu heb ik alleen nog die Psalm. Mijn broer in Rolde vroeg me vandaag per brief naar mijn motivatie om toch weer de kansel op te gaan. Hij schreef : “je had de auto vol oude gedachten en menselijke uitvindingen naar de schroothoop gereden. Dat oude kreng rammelde aan alle kanten. Maar nu ga je hem toch weer oplappen óf rijd je in een nieuwe, elektrisch voortgedreven wagen ? Een ander oplaad-punt dan vroeger. “  Ik ga hem zo antwoorden dat ik weer gewoon op de fiets zit, zonder elektrische ondersteuning . Ik moet zelf  trappen, wind mee geen probleem, wind tegen in kleine versnelling anders krijg ik geen lucht genoeg.

Met dat beetje inblazing (inspiratie toch ?) kom ik toch vooruit.

Nachtboek 21

Zaterdag 23 juli

Ergens in mijn achterhoofd hoor ik nog steeds kerkklokken luiden. Dat zal wel nooit overgaan. Zaterdagnacht zetten ze vaak een tandje bij. De preek had ik op dat tijdstip vroeger wel klaar maar ik zat altijd met het Kyriegebed. Dat zijn woorden ergens in het begin van een kerkdienst waarin om ontferming wordt geroepen voor mensen die klappen kregen. De kerk fungeert dan als een soort doorgeefluikje naar Boven. Iemand moet toch de slachtoffers noemen. We kunnen toch niet altijd doen alsof onze neus bloedt en wegduiken in onze zakdoek vol zelfmedelijden. Ik voelde me altijd verplicht die grote, boze wereld mee de kerk in te nemen. Voordat we daar verheven liederen zingen, heilige teksten lezen en daar op voortborduren moet er eerst iets anders gebeuren.Niet doen alsof er niets aan de hand is. Maar sta  eens even stil bij al die drama’s ; een man die een moord pleegt en daarna met een baby uit een raam springt ; een jongen  die door de gekte van de tijd en de gekte in zichzelf op het idee komt negen leeftijdssgenoten te doden bij een Hamburgertent. Ik kan niet bij al dat verdriet komen dat door het leven stroomt van de achterblijvers. Wil het alleen noemen, uit respect, uit mededogen, uit protest en áls er een Boven is : om troost. Het zal wel niet veel voorstellen maar het is meer dan niks. Wie niks of niks meer met een kerk heeft verzinne iets beters, maar doe iets. Overigens betrap ik mijzelf er op hoe selectief ik ben.Want vandaag werden bij een aanslag in Kabul 80 mensen gedood en ik noemde ze niet. Maandag staan ze ook vast niet op de voorpagina van mijn krant. Tijdens de Vietnamoorlog zei een Amerikaanse commandant eens : life is cheap in the Orient. Wat een arrogantie. Wij, Westerlingen, hebben het leven daar goedkoop gemaakt, toen en nu. Een kind of een lief verliezen is wereldwijd en in alle tijden een doodsteek. En toch : zo’n ramp aan de andere kant van de wereld voelt anders, het raakt me minder, is anoniemer en je kunt toch ook niet alle leed van de wereld op je nek nemen. Deze algemeenheden heb ik allemaal wel zo’n beetje paraat. Anders word je gek, toch ? Ik hoor de klokken weer.

 

Zondag 24 juli

Een heerlijke buitendag. Niet dat ik de behoefte heb naar plekken te gaan waar mensen over elkaar heen buitelen, integendeel. Verrukkelijk in de tuin, onder de parasol, eerst met de NRC van zaterdag. Ik lees met de schaar in de hand en knip voor dochter Karin uit wat me interessant lijkt. Lezen en knippen, we hebben daar het woord knezen voor bedacht. Er was veel te knezen en voor ik het wist  brandde de middagzon door de parasol . Tijd om aan te kleden en boodschappen te doen. Vervolgens met een schuin oog naar de Tour gekeken. Leuk, Parijs, maar verder eigenlijk altijd hetzelfde. Vond ik trouwens van de hele Tour, misschien op de laatste drie dagen na toen de Alpen meer uitdaagden dan gedacht. Het commentaar is ook aan vernieuwing toe. Om het kort samen te vatten : de naam Mollema wil ik voorlopig niet meer horen. Mens, wat kwam die vaak voorbij. Aardige man, zeker, maar kleurrijk, nee.

Laat op de avond twee prachtige gesprekken gevolgd. Eerst Hansje Bunschoten met Eva Jinek over leven, liefde en dood. In tegenstelling tot vorige week toen Mart Smeets te gast was , die vooral zichzelf in de weg zat (en dat is dan veel) zag ik nu een echt gesprek tussen deze twee vrouwen. Vakvrouwen als het om het medium tv gaat ; tegelijk zich bewust van hun enorme kwetsbaarheid. Ik voelde me bijna een voyeur die een intiem gesprek zat af te luisteren. Ga er om die reden ook niks uit citeren anders zou ik mezelf in die rol bevestigen. Daarna zag ik Tijs v.d.Brink in “Adieu God”  met Margriet van der Linden. Wat zonde, om eens een geliefde EO-term te gebruiken, dat zoiets zo laat wordt uitgezon-den. Het zou boeiende gespreksstof bieden op plaatsen waar geloof nog als een beklemming wordt beleefd. Margriet en Tijs zaten beiden op een refor-matorische school en vervolgens op de evangelische school voor journalistiek.

Ze kenden elkaars taal maar waar Tijs nog  uit gewoonte en (bij-)gelovigheid haast routinematig naar een Jezusfiguur verwijst die “voor ons heeft betaald “, gaf Margriet aan dat zij afstand heeft genomen van de geijkte denkwereld over God.  Zij gelooft niet meer in het bestaan van God. Jezus kan haar nog inspireren als mens die oog heeft voor de uitgekotsten (zoals in Bethesda) en zich verzet tegen de gedisciplineerde godsdienst. Vanwege haar andersdenken en anders-zijn ( zij koos voor de liefde van een vrouw) moest zij de band mt haar ouderlijk huis verbreken. Maar zij bidden nog wel voor je ? Ja, maar met maar één doel : dat ik terugkeer van mijn dwaalweg. Zo ongeveer formuleerde zij het . Ik heb geen idee hoe hoog de kijkcijfers zijn voor dit programma maar al is er maar in één huiskamer iets begrepen van de gijzeling die je mekaar in godsnaam kunt aandoen, dan was deze uitzending meer waard dan alle sportuitzendingen van deze dag. En ik wil het zeker nog eens hebben over dat bidden als instrument om het eigen standpunt te onderstrepen. Hoe vroom het in bewoordingen ook mag klinken, het heeft met bidden net zo weinig te maken als de Tour de France met spannend.

 

Maandag 25 juli

Ik kan er niks aan doen maar ik moest vanmorgen onbedaarlijk lachen om een bericht dat eigenlijk te treurig is voor woorden. Het stond in Trouw. In het Duitse Bamberg is een katholieke stichting die aan sociale woningbouw doet voor armlastigen. Nu is aan het licht gekomen dat deze Joseph- Stiftung een oud-bisschop heeft ondergebracht in een groot pand van 1,2 miljoen euro in de rijke buurt van deze plaats. Daar wil hij “trachten dieper in het mysterie van het geloof door te dringen “. Er zijn drie nonnen die de monseigneur verzorgen. Op zo’n moment mis ik Fons Jansen. Hij had dit gevalletje heel scherpzinnig kun-nen fileren. Herhaal nog één keer die woorden : het mysterie van het geloof, en zie die nonnen aan het werk. De man is 85, dat wel, maar juist daarom mogelijk ook aan een wederopstanding toe. Dat mag wat kosten, toch ? Lachen om de kerk. Dat is heel wat anders dan lachen in de kerk terwijl dat nóg leuker is. In de langdurende diensten die ik als kind moest uitzitten loerde je gewoon op iets waar om te lachen viel. Zo’n collectezak, met een kwastje van onderen,  aan een lange stok waarmee de diaken de rijen afging, daarbij behendig manoe-vrerend om de meest vreemde hoedjes te ontwijken, dat ging wel eens mis bij hoofdbedekkingen met té grote veren. Plots zat zo’n vrouw met de hoed op haar neus en zag je haar geloof (in elk geval in zichzelf) wegsmelten. Of een predikant met een té grote mond en een kunstgebit. Je kon er op wachten dat bij een grote uithaal de bovenste rij tanden over het goddelijk woord heen richting doopvont vloog. Ik herinner mij de schaamtevolle stilte toen de koster in stijl op een witte doek de prothese de kansel op droeg. Inwendig bulderde de hele gemeente maar je hoorde geen kik, nou wat kleintjes dan. Ik groeide op in de tijd dat gereformeerden niet mochten kaarten. Duivels prentenboek was dat. De studentenpredikant Henk Volten preekte in Den Haag, in één van de deftige kerken.Het was midden jaren vijftig. Tijdens zijn preek wendde hij zich ineens tot de ouderlingenbank en zei : het mooiste spel dat er bestaat is bridgen en dat spelen we met kaarten en daar gaan we niet moeilijk over doen, broeders ( er waren alleen mannen ouderling). Het leverde bevrijdend gelach op vanaf de galerijen waar de jeugd het klaverjassen beoefende, maar meesmuilend gegons uit het middenschip, waar de ouders zaten die straks aan de eettafel thuis moesten uitleggen waarom er in huis niet gekaart mocht worden terwijl de ds er zo enthousiast over was. Predikanten hadden toen nog gezag. En als zo’n man (er waren nog geen vrouwelijke dominees) aan de poten begon te zagen van de kast vol ver- en geboden dan was het einde zoek. Mogen ze zeker ook naar de film, met elkaar naar bed voordat ze getrouwd

zijn ; dan is het scheppingsverhaal zeker ook niet echt gebeurd en Jezus niet uit de dood opgestaan en hoeven ze ook niet meer twee keer naar de kerk. Waar blijven we dan ? Denk niet dat ik deze voorbeelden verzin, ik kreeg ze zelf  op mijn bordje. De lach in de kerk was zuinig, het werk van pruimen-mondjes. Misschien konden kerkmensen wat moeilijk om zichzelf lachen, dat werd hun ook niet bijgebracht, het was allemaal zo zwaar en schuldig. Terwijl ze het net als alle andere mensen prima kunnen, meestal meteen al na hun kerkdiensten, bij de koffie en de borrel daarna.Dan kwamen de reacties die in de kerk nog werden onderdrukt. Eén reactie die wél tijdens een dienst plaats vond wil ik u niet onthouden. Het was in 1947 in het kerkje van Kamperveen, een boeren-plaatsje onder de rook van Kampen. De stadsdominees moesten daar op zondagmiddag preekbeurten vervullen , om 2 uur, tussen twee diensten in de stad door. Ik ging als kind graag mee want het was de enige gelegenheid waarbij ik eens in een auto kon zitten, een Packard, van taxibedrijf van Dregt. Stel je voor een winterdag, een klein kerkje met een grote kolenkachel in het midden. Daaromheen boeren en boerinnen die ‘s morgens om 4 uur zaten te melken, dan om half 10 een kerkdienst met preeklezen, daarna thuis aan de koffie en een borrel, een stevige warme maaltijd en dan weer kerk met die ds uit de stad. De vrouwen waren in klederdracht, voorzien van een mooie kap met gouden platen opzij, tot onder de kin ingesnoerd in stevige zwarte stof. De kachel loeit en de ds heeft een stem die uitnodigt om op weg te deinen. Dat wilde wel na al die wakkere uren, nu bij een warme kachel. Je zag de ene kap na de ander naar beneden buigen.Mijn vader raakte zijn gehoor kwijt en liet dat beslist niet op zich zitten. Op een gegeven moment gaf hij met de vlakke hand een klap op de statenbijbel en bulderde : het woord moet gehoord worden ! Vijf vrouwen sprongen verschrikt in de houding, twee van hen zijn de resterende duur van de preek maar blijven staan. De andere drie gingen weer zitten, misschien wel om dieper door te dringen in het mysterie van het geloof.

 

Dinsdag 26 juli

Morgen word ik 78. Ik probeer mij verjaardagen van vroeger voor de geest te halen maar dat lukt amper. Het zijn wat flitsen.Op de lagere school mocht je de klassen rond met snoep ( wij hadden het toen niet zo op tanden). Je nam dan je beste vriendje mee en trakteerde in de andere klassen “vrienden en bekenden” , meestal broertjes en zusjes en vriendjes die waren blijven zitten. Toen ik 10 zou worden hing er al enkele dagen een geur van fietslak rond het huis en vooral bij de schuur, waar ik niet in mocht. En ja hoor, op de morgen van 27 juli stond er een in verse zwarte lak gestoken jongensfiets, met keurig wit spatbord (anders werd oom agent boos en dat waren ze in die tijd erg gauw). Hij leek precies op het rijwiel dat mijn broer had bereden en waar hij de week tevoren afstand van had moeten doen. Kort gezegd : hij kreeg een nieuwe en ik de zijne. Mijn eerste tocht eindigde in onze eigen straat toen ik de voorkant van een Studebaker aanzag voor de achterkant. Ik dacht fijn achter hem aan te kunnen rijden maar belandde op zijn motorkap. Gelukkig was er nog wat lak over en na wat uitdeukwerk en een kwastje was hij, net als de dag tevoren, weer als nieuw.  Op diezelfde ochtend van mijn 10e verjaardag werd er aan de deur gebeld. Omdat je als jarig kind toch iets happiger bent op ingekomen post en gasten vloog ik naar de voordeur. Daar stond een collega van mijn vader. ik ben jarig, vertrouwde ik hem verwachtingsvol toe. Ik vermoed dat hij me de zegen of zo heeft gegeven want ik heb er verder geen tastbare herinneringen aan. Bij hem had ik ook  op niets anders hoeven rekenen, begreep ik later. Het doorgeefluik van deze man  kende maar één beweging : naar binnen. Zo nodigde hij zijn catechisanten  uit voor een gezellige fietstocht. Of ze wél voor fietstassen wilden zorgen. Het gezelschap ging naar een zandafgraving waar mooie stenen te vinden waren. Of ze er allemaal maar wat mee wilden nemen voor decoratie in zijn tuin. In het najaar rook hij niet alleen de herfstbladeren maar in de slachtmaand drong ook de geur van zijden spek en malse biefstukken door tot in zijn pastorie. Het was voor hem de tijd om al zijn adresjes in de buitengewesten eens met een bezoek te vereren. Hij deed dat op de fiets, mét fietstassen, maar nu wél in zijn eentje. Gedeelde spek en biefstuk is maar halve vreugd en nu die dieren tóch geslacht waren kon je er maar beter volop van genieten. Nu was het traktement ( zo heette het loon van de dienaren Gods ; door het een sjieke benaming te geven leek het wat meer) laag en dus kan ik me de noodzaak tot deze semi-hongertochten best wat voorstellen. Maar laten we zeggen een kwartje voor een 10-jarige had toch moeten kunnen ; nou goed, een dubbeltje dan . Dan was die zegen ook veel beter aangekomen.

 

Woensdag 27 juli.

En dit was ie dus, mijn verjaardag. Wat heb ik toch veel lieve mensen om me heen. En wat een verademing is dat temidden van al die verhalen over de meest gruwelijke dingen die mensen elkaar aandoen. Ik ben de godganse dag verwend. Het begon met een telefoontje uit Nieuw Zeeland van kleindochter Merel en eindigde op de valreep van de dag met kleinzoon Twan die uit Portugal belde ; zijn zus Tess had al uit Italië gebeld. Wereldwijd dus die liefde. Dan nog telefoontjes uit eigen land, mooie kaarten, te gekke cadeaus en vooral de mensen, ‘s middags met vrienden rond de chipolatataart en ‘s avonds met de familie aan de Chinees. Ik liep net buiten met mijn leasehond – Harold en Lidy vertrouwden ons hun Appenzeller weer toe – in een zalig druilerige regen en kon even lekker ontroerd wezen. Daarna was alle energie op. Met een schuin oog keek ik nog even naar de prachtige geschenken die voor me zijn achtergebleven, de hond bedelde nog om een stuk worst dat hij niet meer mag hebben (gaat ervan krabben), een aai over z’n bol kon hij krijgen , ik doofde de lichten en nu sluit ik voor deze dag het nachtboek. 78, het gaat tellen.

 

Donderdag 28 juli

Komende maand zijn er twee zondagen niet vrij. Dan word ik in de kerk verwacht met een preek. Dat speelt al weken door mijn hoofd. Ook het onderwerp. Omdat ik in het nieuwe liedboek niet thuis raak heb ik de organist van Leersum gevraagd wat liederen uit te zoeken die bij het thema passen. Dat heeft hij al gedaan. Nu ik nog. In Egypte zou dat een fluitje van een cent zijn, als ik tenminste een imam was.Daar bepaalt de regering nu al welk onderwerp de preekheren tijdens het vrijdaggebed moeten behandelen, schreef  Eildert Mulder in Trouw , maar nu wil  de president dat er geen eigen preken meer worden gehouden maar dat een van overheidswege opgesteld epistel wordt voorgedragen. Een heel gezelschap zal deze preken ontwerpen.  Theologen, psychologen, ambtenaren en sociologen zullen wekelijks de preek leveren, gecontroleerd door enkele parlementsleden. Imams hoeven niets anders te doen dan die woorden voor te lezen, als er tenminste nog genoeg  voorlezers zijn want de president heeft er er tijdens zijn bewind al vijftigduizend ontslagen. Sisi -   dat is de prikkelende naam van die president – hoopt hiermee natuurlijk te bereiken dat er geen radicale boodschappen meer vanaf de preekstoel klinken maar dat zijn (eigen-)wijsheden worden doorgegeven. Over vermenging van kerk en staat gesproken !  Stel je voor een preek van Rutte over de harde werkers voor wie hij het allemaal doet ; de helft van het kerkvolk loopt weg want is gepensioneerd, werkeloos, schoolgaand of ziek. Een preek van v.Rijn over steeds betere zorg door  steeds  minder goed  te zorgen; de bijbelteksten over omzien naar zwakken en weerlozen kun je schrappen. Een preek van Klijnsma over arbeidsplaatsen voor gehandicapten ; het verhaal over Bethesda (waar ze hun laatste toevlucht zochten, alleen nog hopend op een wonder) kun je er niet als lezing bij gebruiken. Wat ben ik blij dat ik in een land leef waarin dit soort onzinnigheden niet plaats vinden. Laat al die priesters en dominees maar lekker worstelen met de heilige teksten en die proberen aan te haken aan de leefwereld van de mensen nu. Hun woorden mogen gerust haaks staan op Den Haag Vandaag, met name als vandaaruit  mensonwaardige maat-regelen worden afgekondigd waarmee recht en gerechtigheid geweld worden aangedaan. Hun woorden zullen vooral in het teken staan van vrijheid en liefde, begrip en verdraagzaamheid, verzoening en verwondering. Als dat ook nog met wat humor kan zijn we tenminste zo ver mogelijk verwijderd van die gekke plannen van Sisi. En dat wil ik graag zo houden. Ik ga dus niet naar Egypte. Uit de oude bijbelverhalen  had ik al begrepen dat je daar maar beter kunt wegwezen.

 

Vrijdag 29 juli

Acht jaar geleden knipte ik uit de krant een foto van Obama en Hillary Clinton. Hij had net het kandidaatschap voor president van haar gewonnen. Toch kijkt hij op die foto niet als een overwinnaar. Meer als iemand die Hillary goed in de gaten zal houden. Zij staat erop met dezelfde glimlach die ze al jaren heeft, ook nu nog.  Want vandaag knipte ik twee foto’s uit waarop ze die beroepsgrijns opnieuw laat zien, nu een beetje opgepimpt . Ze is dit keer omarmd door een vergrijsde Obama die zijn linkerarm om haar schouders heeft en met de ander haar linkerhand vasthoudt. Zij heeft haar rechterarm om zijn middel geslagen. Een beetje een gedwongen omhelzing. Obama kijkt niet alsof hij zeggen wil : die na mij komt is sterker dan ik. In zijn op de zaal gerichte blik lees ik  meer iets van : ik wens jullie sterkte ! Tijdens haar aanvaardingsspeech zag ik Hillary trouwens dezelfde gebaren maken waarmee onze premier altijd in de weer is : duim omhoog en daarna wijzen. Wie aapt hier wie na ? Mag het niet wat charmanter à la Obama of is charme verboden voor vrouwen die het glazen plafond doorbroken hebben ? Ik ben benieuwd hoe zij de komende maanden gaat overleven. Er zullen veel oude koeien uit Amerikaanse sloten worden gehaald, zoals : Bertha zelfverrijking, Klaziena emailgedoe en Truus blunders in Libië. En nu ik het toch over koeien heb moet ik m’n hart luchten over een stukje in Trouw. Daar lees ik dat Nederlandse boeren pleiten voor minder koeien. Ik zou zeggen : doe dat dan. Een paar jaar terug wilden jullie er meer omdat er meer melk geleverd mocht worden. Nu die melk weinig blijkt op te leveren moeten de koeien weer weg. Maar ja, dat gaat dan weer niet zonder subsidie ! Ze krijgen 350 euro compensatie per koe. Niet genoeg natuurlijk. Boterberg, melkplas, meeloverschot, zolang ik kranten lees kom ik die termen tegen en nog nooit heb ik de boeren in die gevallen zelf hun broek zien ophouden. Altijd moest de overheid of Brussel of één of andere commissaris met de portemonnaie komen. Die Europese potjes zouden volgens mij best eens wat eerlijker verdeeld mogen worden. Om te beginnen onder de velen die stille armoe lijden. Hillary wil daar in de VS ook wat aan gaan doen, zegt ze. Zelfs die Amerikaanse Wilders roept wel eens zoiets maar dat zijn niet meer dan oprispingen (boeren dus) na een overdadige maaltijd. Daar zijn hun potjes groot genoeg voor, voor die maaltijden dan.

 

 

Nachtboek 20

Zaterdag 16 juli

Na lange tijd weer eens in een pak gelopen. Geeft meteen een heel ander gevoel. Net alsof de vrije tijd van je afglijdt en je in een keurslijf wordt gehesen. Toch was het de moeite waard want Anne. zijn gezin en familie, zijn vrienden en het crematorium verdienden toch een likje stijl. Ik weet, het hangt er niet vanaf maar toch. Toen ik bij het crematorium aankwam zag ik een “VIP-bus Rouw” staan. Een echte bus in zwart/grijs tinten met een zwart vlaggetje hoog in top. En in bezit van een heuse installatie om een kist naar binnen of buiten te hijsen. Ik probeerde me voor te stellen hoe dat gaat in zo’n bus. Zitten ze rond zo’n kist, met een lauw glaasje in de knuisten : Gerrit, daar ga je, voor ‘t laatst ?

Het is vast gezelliger dan in zo’n enorme zwarte bak met van die gordijntjes. Ik vermoed dat de belangstelling daarvoor tanende is en dat ze die wagens wit gespoten hebben. Je hebt tegenwoordig veel trouwerijen waarbij het bruidspaar wordt vervoerd in zo’n krankzinnige limousine. (De EO-man Bert gebruikt ze bij het oplossen van familieruzies. Ik word al kriegel als ik zo’n sloep zie, krijg overal jeuk als ik die Bert hoor klessebessen en word onpasselijk als ik de goedwillende nichtjes een maaltijd zie voorbereiden waaroverheen ze dan allerlei roddelpraatjes of vrome wensen sproeien). Ik heb eens meegemaakt dat zo’n trouwbak stopte voor de kerk, waar ik klaar stond om het a.s. echtpaar vóór het zingen daarin te krijgen, dat het portier geopend werd en het bruidspaar met champagneglazen in de hand erg vrolijk de auto verliet. Toen moest de dienst nog beginnen. Het huwelijk heeft trouwens niet lang stand gehouden. En dan is er geen limousine die komt afhalen. Alleen maar strontbakken.  Zo jammer want ze hebben toch ook leuke dingen beleefd en als het óp is en er geen moed is voor de lange duur dan ga je toch twee wegen. Je komt er vanzelf  wel achter waar die nog naast elkaar lopen of elkaar kruisen.  Die sloep aan het begin zou weg moeten, dat geeft van die overtrokken verwachtingen. Bewaar die maar voor het eind, als je er zonodig een keer in wilt. Gelukkig zijn er alternatieven. Zo’n bus misschien ? Of nog beter ? Mijn broertje Bert lag twee jaar geleden in een prachtige ouwe Snoek Break (zoiets), toen we hem naar het crematorium brachten. Daarachter reed zijn lieve Anja in een antieke  2 CV en wij daarachter in allerhande merken van zeer oud tot gloednieuw.. En zo over de gerenoveerde boulevard van Scheveningen, langs de Vogelwijk ;  de tocht kon mij niet lang genoeg duren. Volgens mij kan die “VIP bus Rouw” daar niet tegenop maar daar ben ik niet zeker van. Mijn fantasie is groot genoeg voor die Gerrit en dat glaasje en alle verhalen vandien.

 

Zondag 17 juli

Waarom doe ik het toch ? Altijd even kijken naar die evangelische zenders op zondagmorgen. Staat daar zo’n welgedaan figuur in het amerikaans te zwammen over morgen, wanneer het beste deel van je leven begint. Hij had er ook een boek over geschreven waarmee hij als dominee al veel succes had geboekt. Wie heeft toch die combinatie god en succes bedacht ? De bijbel staat er ook al vol van : als je doet wat God van je vraagt zal hij je rijkelijk zegenen met vette schapen in grazige weiden. Ik geloof daar geen barst van. Vanmiddag hoorde ik een moderne versie : er was gebeden om een nieuwe wasmachine, en ja hoor. Ik stop hierover, het komt te vaak terug. Iets heel anders : vanavond gekeken naar het programma Maskers af. Hansje Bunschoten interviewde Mart Smeets. Ik had me daar veel van voorgesteld. Zij heeft nog maar kort te leven en had behoefte aan enkele gesprekken over dood en leven, liefde en geluk, maar dan ronduit, zonder masker. Zij kende Mart uit haar werk voor Studio Sport. Het was best aardig, dat gesprek, maar niet zonder maskers. Ik vond het meer een toneelstukje voor twee personen die mekaar  redelijk uitdaagden. Er bleef veel ruimte voor wegkijken, taboe’s en gemeenplaatsen. En de afleiding van eten en vooral drinken mocht er ook wezen. Jammer. Misschien is tv toch niet het goede medium voor een gesprek zonder maskers. Dat vond ik bij al die series “Kijken in de ziel” ook al. Daar kijk je niet zomaar in. Laat een gespreks-

partner,  therapeut of zielzorger toch nooit het idee hebben de ander echt zonder masker te zien of in de ziel te kunnen kijken. Mart zei op een gegeven moment : dat gaat jou niks aan, daar praat ik niet over op tv. Toen Hansje doorvroeg  zei hij dat er vier mensen waren die hem helemaal kenden. Daar nam ze genoegen mee maar ik geloof dat niet. Ik vind het hoogmoed om te beweren dat je een ander helemaal , door en door zeggen we dan, ként, hoe close je ook bent. Ik vind het al heel wat als je jezelf een beetje kent. Eén van mijn lievelingspsalmen was altijd nr 139 waarin de dichter in tweespraak met zijn God of zijn geweten worstelde om zelfkennis. Daar komt zoveel bij kijken. Hoe ga je om met kritiek, kun je dat hebben ? Wat doe je als je tekortschiet tegenover een ander ?  Wat zou er gebeurd zijn als  iemand vanmorgen tegen die succesprediker had gezegd : wat staat u nou voor onzin te verkopen ? En waarom zei Hansje op het slot niet tegen Mart : het was gezellig dat je er was,

maar dat met die Maskers Af is niet gelukt. Dat kan ook niet lukken. Volgende week komt Eva Jinek op bezoek, leuk mens, maar ik zie de maskers al hangen.

 

Maandag 18 juli.

In het programma VPRO met Boeken op zondag vertelde Wim Noordhoek dat hij al 50 jaar in Amsterdam woont maar zich nog steeds een Hagenaar noemt, Amsterdammer zal hij nooit worden. Hij beschreef hoe hij in zijn jongensjaren vanuit Kijkduin naar de stad fietste (altijd wind tegen !) en dan langs de tankgracht kwam die de Duitsers in de oorlog hadden gegraven als onderdeel van de Atlantic Wall ; een extra hindernis voor het geval dat de Geallieerden op Scheveningen zouden landen. Van 1950 tot 1951 liep ik als 12-jarig jochie elke dag door die tankgracht naar de Herman Bavinckschool. Geen idee waarvoor dat was aangelegd en niemand heeft het me toen ooit verteld. Later werd er het Segbroekpark aangelegd met nog een heuse tram erdoor maar dat heeft maar kort geduurd want Vogelwijkers tramden niet. In die sjieke wijk hadden mensen auto’s. Mijn vader ook, een zwarte Kever, met dubbel ruitje achter en een kattenbak (goed voor minstens twee kinderen !), NK 94 – 26. Toch zijn wij nooit Hagenaars geworden en zeker niet sjiek. Ik heb alles bij elkaar een kleine 20 jaar in die stad gewoond en heb er totaal niets mee. Ik vond de mensen afstandelijk, behalve dan in de volkswijken en op de markt, maar daar vond ik ze overrompelend, op het brutale af dus dook ik gauw weg. Volgens mij zijn dat Hagenezen, dat is heel iets anders dan Hagenaars. Ik vroeg mezelf zondag af : als ik dan geen Hagenaar ben, wat dan wel ? Geboren in Apeldoorn maar die plaats zegt mij helemaal niks. Nog steeds kan ik er b.v. geen centrum vinden. De beelden die ik heb stammen uit de oorlog, Duitsers met afweer-geschut op het station, vluchtelingen uit Arnhem en wij in de rij voor de gaarkeuken. Ik woon nu 40 jaar in Hoogland, gemeente Amersfoort. Leuk wonen, maar Hooglander zal ik nooit worden, dat is een eigen kringetje. Amersfoorter ook niet, ik kom er voor een broek of boek of bril en voor de officiële documenten maar dat is het. Ze hebben iets met een kei en met financiëel tekort (samen met projectontwikkelaars veel te grote broeken aangetrokken) en huisvesten veel orthodoxe christenen met bijbehorende gebouwen. Dus wat ben ik ? Een Kampernees. Ik geef het eerlijk toe. Ik woonde daar als kind van 1945 tot 19550 en later nog twee jaar als student. Die stad raakt me. Ik voel me er thuis. Herken de plekken waar ik woonde : een gigantische pastorie op de Broederweg met een serre en een kolenhok waarin zelfs zachte en harde turven waren opgeslagen ; een grote tuin met paardekastanjes en een eigen nest boven in zo’n boom ; een muur die ons scheidde van de vrijgemaakte hogeschool en juffrouw Boele de buurvrouw, die ons altijd bespioneerde. Ik ruik de IJssel en de geur van doodlopende steegjes, ik zie de Oudestraat op zaterdagavond wanneer de jongelui flaneerden van carillon tot Weertstaat, terwijl op de Plantage een Evangelisatiesamenkomst werd gehouden met o.a. mijn vader als straatprediker, om al die jongeren op het rechte pad en bij Jezus te krijgen. Toen ik in 1958 mijn eerste schrede zette op het glibberige pad van de theologie betrok ik een onbewoonbaar verklaarde woning, dat stond ook met een bordje op de gevel aangegeven. Voor fl.2,40 per week mocht ik daarin. Het was eigendom van “gekke Jenne”  die elke week kwam innen, ze had ruim 40 van deze krotten. Het grappige was dat dit onderkomen nog geen 100 meter verwijderd was van de eerder genoemde pastorie en toch was het één grote  gribus. Hoererij en drank, makkelijk op de vuist,en toch : geweldige mensen ! Van alle vakken die mij in Kampen zijn onderwezen heb ik van de omgang met deze mensen het meeste geleerd. Het duurde helaas maar één jaar want  de studieresultaten vielen dermate tegen dat ik ontkrot moest worden en op kamer werd gezet in een lief en keurig gezin van de weduwe van een professor. Dat heb ik, samen met de theologie, acht maanden uitgehouden en toen was Kampen als woonstad voorbij. Ik studeerde er later wel af , ging daarvoor geregeld met de boemel en altijd raakte ik ontroerd als ik vanaf het station aan de andere kant van de IJssel mijn stadje zag. En dat is nóg zo. Ik moet minstens één keer per jaar die stad zien, mijn plekjes bekijken en wat herinneringen oprapen. En uiteraard die Bovenkerk in,

me weer even heel klein voelen,  oog in oog met dat machtige orgel, wat oude klanken terughoren en ontdekken dat ik echt helemaal niemand in deze stad meer ken. Daar lopen zeventigers rond die door mijn vader zijn gedoopt (in synodaal verbondswater) maar daar kan ik niks van zien. Mijn sigarettenboer is weg, de Hogeschool is leeg, de professoren zijn uitgestorven, alleen het carillon doet het nog. Net als ooit, toen de geluiden via mijn zolderraampje binnen-druppelden. Iemand die dat is overkomen wordt nooit Hagenaar. Die blijft Kampernees.

 

Dinsdag  19 juli

Zit ik vanavond ineens in de Grote Kerk in Apeldoorn. Dat is echt een grote kerk, zeg maar gerust een bakbeest. Nog steeds met koninklijke loge – Wilhelmina zat er destijds – en waar ze in de kathedraal van Den Bosch een alziend oog hebben, is in Apeldoorn een stukje hemel geverfd, jawel met koningsblauw. Er was een orgelconcert, heerlijk met dit warme weer in een koele kerk. Als slot een bewerking van Psalm 108. Toen het koraal gespeeld werd betrapte ik mezelf erop dat ik hardop zat mee te zingen. Maar wát zong

ik ?  Juist, de oude berijming, die inmiddels meer dan een halve eeuw geleden vervangen is door de nieuwe. Die Psalmen zijn tussen mijn 7e en 12e levensjaar

diep in mijn geheugen geslagen. Elke week op school één vers, 40 per jaar, keer 6 is toch 240 in de hele schooltijd . Er zijn 150 psalmen, zeker de helft heb ik nooit geleerd, die waren niet gangbaar in de kerk, maar van de rest kende ik dus verschillende coupletten. En ik ken ze nóg en of ik nu 89 gooi met yatzee of 43 met poker of een autokenteken zie met 86 of een verkeersbord met 139, ik doe er een psalm bij.  Ik heb al eens verteld dat dit al in mijn opvoeding is begonnen : wij woonden in Kampen op “het ruime hemelrond “ (nr.19) en in Den Haag op “opent uwen mond “ (nr 81). Leuk allemaal, maar nu de vervreemding. Als ik die oude woorden echt in mijn mond neem smaken ze me niet meer. “’k Zal in de dageraad ontwaken en met gezang mijn God genaken “, zo eindigde ik vanavond in Apeldoorn maar het is een holle frase.  Ik genaak helemaal niks en als ik doorlees in die psalm en lees : want ‘s menschen heil is ijdelheid, maar als Gods almacht ons geleidt, dan doen w’in Hem de kloekste daân zodat wij duizenden verslaan. Want allen, die ons wederstreven, zal Hij vertreden en doen sneven “ , dan denk ik : het lijkt Erdogan wel, de stem van de sterke. Vraag is of die teksten mij vroeger wel smaakten ? Ik vermoed dat ik geen idee had wat ik uit mijn hoofd leerde en dat ik dat idee heel láng niet heb gehad, ook niet op gymnasium en hogeschool. Er werd ontzettend veel voorgekauwd en dat was slikken of stikken. Zo leken geschiedenislessen op het gym op het vraag- en antwoordspel van de Heidelbergse Catechismus. We penden ons een ongeluk : eerst de vragen die de leraar verzon en daarna het bijpassende antwoord. Aan sommige colleges theologie heb ik geen betere herinnering. Die en die dachten zo, maar wij….En dat laatste moest in tentamen of examen terugkomen. Zó jammer, want met de kennis van nú had ik tóén graag met Spinoza en Erasmus, met Bultmann en Tillich willen stoeien.

En wat zou het niet gezond geweest zijn als al die psalmversjes eens onder een vergrootglas gelegd waren, gedateerd en bij het vak geschiedenis ondergebracht . Dat ze weggehaald waren uit de sfeer van actuele vroomheid en beleving. Ik zou vanavond alleen mee geneuried hebben want de melodie blijf ik mooi vinden.

 

Woensdag 20 juli

In het AD las ik dat het Internationaal Olympisch Comité  450.000 condooms gaat verstrekken aan de 15.000 deelnemers en begeleiders van de komende Spelen im Brazilië. En dat voor een tak van sport waarmee geen medailles te behalen zijn. Toch 30 stuks p.p. Wat zou mijn puberteit er lichter hebben uitgezien als het IOC mij destijds  1/10 % van die enorme berg beschikbaar zou hebben  gesteld. Wat toen in het geniep gebeurde, met alle angst vandien, is nu een gegeven waarmee rekening wordt gehouden. Een gezonde evolutie. Ik weet nog dat ik mij voor het eerst bij de drogist meldde met het verzoek : mag ik een tube tandpasta (Prodent), een doosje hansaplast en (met gedempte stem :))  een pakje condooms van u. Niet voor niks deed toen de mop de ronde van die jongen die aan zijn drogist vroeg : graag 2 buisjes chefarine (een pijnstiller) en een doosje condooms. Waarop de drogist zei : als je er zo beroerd van wordt moet je het niet doen ! In de jaren ’60 kwam de pil, deel van een revolutie. Ik weet dat er mensen zijn die niet blij waren met deze ontwikkeling. Zij voorzagen een lossere moraal en daardoor een toename van het aantal scheidingen. Je zou zeggen : ze hebben gelijk gekregen. Veertig procent van de huwelijken loopt stuk, met alle pijn en ellende vandien.  Ik vind het echter ondoordacht  om dat te wijten aan een nieuwe kijk op seksualiteit. Er is veel meer aan de hand. De mensen veranderen, zijn niet of veel minder gebonden aan hun sociale komaf, kerk of politieke partij, dorp of buurtgemeenschap; het gezin functioneert heel anders dan vroeger; beide ouders ontwikkelen zich zelfstandig enz. enz. In de laatste 20 jaar van mijn pastoraat maakte ik meer scheidingen mee dan huwelijken. Zelfs van de pas gesloten huwelijken zag ik er binnen korte tijd een aantal klappen. Als dat gebeurde greep ik voor mezelf wel eens terug naar de voorbereiding en viering van zo’n huwelijk. Minstens twee avonden hadden we heel open gesprekken gehad; bruid en bruidegom schreven mij allebei een persoonlijke brief waarin ze beschreven waarom ze voor die ene ander gekozen hadden; vaak woonden ze al een tijdje samen zodat ernstige verrassingen min of meer waren uitgesloten, en toch ging het mis. Eén keer al binnen drie maanden, terwijl het stel vóór hun trouwdag al 10 jaar had samengewoond. In hun huwelijksviering  en in die van anderen hield ik het er altijd op dat zij samen voor goud gingen, anders begin je er toch niet aan. Je hoorde dan wel mensen zeggen dat “ze “ tegenwoordig zo makkelijk scheiden. Nooit meer zeggen want het is niet waar. Het doet hartstikke zeer. Vraag het maar aan wie het heeft meegemaakt. Op een oordeel zit niemand te wachten. Overigens : veel plezier bij het kijken naar de Spelen, hardlopen en roeien, hoogspringen en boksen, judo en schermen en laat je fantasie eens dwalen áchter de schermen.

 

Donderdag 21 juli

Ik heb weer heel wat deskundigen gezien. De aanslag in Nice, de mislukte coup in Turkije, het congres van de Republikeinen en  de doping bij de Russen sleuren heel wat studiebollen weg vanachter hun bureaus. Vanavond zag ik er één die zo heftig schudde en bewoog met zijn hoofd dat ik de indruk had dat hij lang geen daglicht had gezien. Wat hij vertelde kon je schokkend vinden maar je had het ook zelf kunnen bedenken. Wat me opvalt  is dat bij al deze onderwerpen – en daar kun je,  nu het behoorlijk warm is, meteen het klimaat weer bijvoegen – de sombermansen in de meerderheid zijn. Hun bood-schappen  hebben iets van onheilsprofetieën. Daarna komt het weerbericht en ook dat eindigde niet vrolijk : heftige onweersbuien, hagel, veel water en we weten niet waar. Prettige avond verder en een goede nacht ! Eén nieuws-lezeres voegt daar meestal nog tussen : dat wás ‘t ! Daar ben ik het meest allergisch voor.  Die vlotte babbels over zo ongeveer het einde der tijden, die ken ik nu wel. Veel religie moest het vroeger ook hebben van die bangmakerij.

Het was haast routine. Net als bij het journaal kennelijk : dat wás ‘t.  Morgen bedenken we weer wat anders ! En dan vinden we  ook wel weer een deskundige à la professor Clavan ( typetje van Kees van Kooten) die er een hagelbui bij verzint. Ik ontmoette vandaag een echte deskundige, een podologe, die zich ontfermde over de voeten van een vriendin. Ik was de chauffeur/begeleider en had aan het einde van het consult een brandende vraag. Ik mocht hem stellen.  Nelleke Noordervliet vertelt in haar prachtige boek “Vrij Man” dat een linkshandig kind , dat vroeger gedwongen werd rechts te schrijven, motorisch dermate verstoord raakte dat hij over zijn eigen voeten struikelde (pag.36). Ik was zo’n kind. Ben op een aantal punten absoluut links maar heb van jongsaf aan geleerd (moeten leren ? ) rechts te schrijven. Vlak na de oorlog , net 7 jaar oud, lag ik regelmatig op mijn gezicht. Mijn voeten bleken meer en meer naar binnen te gaan staan.  Oplossing : steunzolen, maar wel rechts blijven schrijven. Om enigszins leesbaar te blijven heb ik vele jaren met een vulpen geschreven maar op een een glijdend moment was mijn hand op. Gelukkig was de computer uitgevonden,  met een prima tekstverwerker. Terug naar de deskundige. Ik vroeg haar of zij hier wel eens van gehoord had maar dat bleek niet zo te zijn. Ze vond het wel interessant.  Toen ik de suggestie deed dat het misschien een leuk promotieonderzoek kon opleveren kreeg ik als antwoord dat de kinderen tegenwoordig gewoon links mogen schrijven. Het is dus geen probleem meer. Dat wás ‘t . Nu struikelen ze over de Pokémon maar dat is voor het nieuws van morgen, tegelijk met 10 uur lang televisie over de Vierdaagse.  Alsof dat niet evengoed zou kunnen met beelden van vorige jaren.

De meelopers zijn dáár en de kijkers zal het toch worst wezen wíé er meelopen.

En van zo’n hagelbui hebben we ook vast wel oude beelden in voorraad.

 

Vrijdag 22 juli

Via Ned.2 kun je tegenwoordig een nachtzoen krijgen. Daarvoor was vanavond een journaliste opgetrommeld die onderzoek naar de radicalisering van islamisten had gedaan. Weer een deskundige dus al werd mij niet duidelijk hoe wijd haar onderzoek zich had uitgestrekt. Toen haar gevraagd werd met welke gedachte zij ons de nacht in wilde sturen zei ze met een vriendelijke lach : bedenk dat de kans dat je door een aanslag getroffen wordt vele malen kleiner is dan dat je met de fiets een ongeluk krijgt. Ik had net de beelden uit München gezien en vraag me af wat iemand beweegt tot zulke domme taal. Dit is toch geen menselijk taalgebruik. Het heeft veeleer iets van een robot, computer-gestuurd. Alle plussen en minnen bekijkend komt dat apparaat tot deze conclusie. Het zal gelijk hebben. En daarna rustig gaan slapen ? Maar het is toch  geen Shownieuws waarbij de presentatoren met gebleekte tanden alle narigheid weglachen en het kijkersvolk richting Heinekenhuis drijven ?

 Ik mag toch hopen dat het voor veel mensen zo niet werkt. Angst en bezorgdheid verdwijnen niet met kansberekeningen en statistische gegevens. Tussen de Islam en de Westerse samenleving is iets grondig mis. Met veel geweld zijn we  elkaars gebied binnengedrongen en niemand weet hoe dit gestopt moet worden. Elke aanslag wordt meteen in het licht van dát conflict gezien en het ene land na het andere zet alles op scherp. Dan maakt het niet  uit dat meer dan 90% van de Islamieten hier niets mee te maken hebben en dat slechts een heel klein aantal mensen (in Islamitische landen altijd nog veel meer dan in het Westen) slachtoffer worden. Daar zit geen enkele geruststelling in, laat staan dat je er lekker op kunt slapen. Wat is er op tegen om eens wakker te liggen en te waken met….

 

 

 

 

 

 

Nachtboek 19

Dinsdag 12 juli

Al drie nachten mijn nachtboek niet aangekeken. De griep ontnam me alle lucht. En lucht heb je nodig wil er iets van inspiratie ontstaan. Op oude bijbelse prenten zie je dan een engel of God zelf  inblazen.  Bij mij niks van dat alles, Ik hoestte ze de deur uit. Zette ik een raam open dan stuitte ik op zo’n dikke muur van vochtige lucht, niet mijn klimaat.  Ik zal nooit over het weer klagen, vind alle weer op z’n minst goed, alleen is op een bepaald moment het éne weer lekkerder dan het andere. Vanmiddag dus toch maar een dokter  om advies gevraagd. Hij luisterde aandachtig naar de koorzang van de Caballero’s uit ver verleden tijden. Met behulp van een prik constateerde hij ook dat het viraal was ; wél de 3e keer na de laatste griepprik. Gelukkig gaf hij me een hulpmiddel zodat ik zaterdag a.s. de crematie kan leiden van Anne. Met hem, zijn vrouw en dochter  kreeg ik in de jaren negentig een bijzondere band en die is blijven bestaan. Anne is 88 jaar geworden. Vanavond hebben we zijn afscheid voorbe-reid. Ontroerende gesprekken. Hij heeft als jongeman het gereformeerde nest verlaten en is er nooit meer op teruggekeerd. Maar een In Paradisum moet kunnen. Hij hield van reizen  en ik gun hem graag dat enkeltje Nieuw Jeruzalem, al moet je daarmee tegenwoordig ook al weer oppassen. De grote Willem Barnard heeft n.l. in het Liedboek (Gezang 265,of 737 in het nieuwste) een Engelse hymne bewerkt tot “Jeruzalem , mijn vaderstad “. Een verrukkelijke beschrijving van een hemels visioen : “ geen pijn, geen verdriet, geen ziekte of dood. Daar groeit het graan, daar rijpt de wijn, voor iedereen te geef. De negers met hun loftrompet, de joden met hun ster, wie arm is , achteropgezet, de vromen van oudsher.”  U begrijpt : de negers met hun loftrompet , dat kan kennelijk niet meer. Vroeger wel, want toen werden ze zo genoemd. Toen bliezen ze ook nog negro-spirituals. De heilige verontwaardiging die nu overal racisme bespeurt kan straks wel eens heel vreemde geschiedenisboekjes en kerkelijke liedjes opleveren. Ik zie dan ook de “slaven “ verdwijnen en als die uit het verhaal zijn weggeschreven hoeven we het ook niet meer over de bevrijding uit slavernij te hebben, wég Bijbel. Daarom , beste Willem Barnard, uw leven is volgens uw eigen couplet 11 “een en al verrukking en plezier”,  wilt u die negers met hun loftrompet vragen a.s. zaterdag extra hard te blazen als Anne binnenkomt want hij hoort daar ook zo bij !

 

Woensdag 13 juli.

En ja hoor, mijn ochtendkrant  reikte ze aan : commentaren op die negers met hun loftrompet. En de slaven werden ook  genoemd ( ik heb een voorspellende geest, lijkt). Echt zomernieuws. Zoals de poema op de Veluwe of de wolf in Drente. Ik ga me er nu niet over opwinden. Kom even terug op zondag j.l.

Ik was vroeg wakker en besloot  me nog één keer te wagen aan Hour of Power, de commerciële kerkdienst uit Los Angeles, vroeger uit de Chrystal Cathedral, maar nu de oude Schuller dood is doet de kleinzoon het vanuit een wat bescheidener optrekje. Het heet nog steeds Hour of Power, door een vrouw, die kennelijk nog minder met Engels had dan ik, steevast uitgesproken als : hoer of pover. Schuller jr begon zijn preek met de zin dat de bijbel de liefdesbrief is van God aan de mensen. Alsof wij niet wisten wat een liefdesbrief is vertelde hij een 10 minuten durend verhaaltje over zo’n nooit verzonden briefje van hemzelf , dat hij als verlegen jongen van 16  schreef aan een onbereikbaar meisje. Jaren later kwam dat allemaal uit, dat meisje is nu zijn vrouw en zij mocht de schriftlezing doen. Prachtig allemaal. Maar om de bijbel nu een liefdesbrief te noemen  ! Dan moet je wel erg veel schrappen.

De oorlogsboeken en de meeste profeten lijken mij niet erg geschikt om het hart van mensen te veroveren. Ik vind God daarin helemaal niet lief, onaantrekkelijk en erg bezig met z’n eigen ponteneur. Dus als het een liefdesbrief moet wezen dan maar wat uit Genesis, uit Prediker, Spreuken en Hooglied en enkele Psalmen. Zo kan de liefde dan voorzichtig ontluiken. Maar zeg er eerlijkheidshalve wél bij dat de liefde in het verdere verloop wat steviger wordt, dat het niet alleen maar amazing grace is of peace in the valley. En misschien blijkt nog wat later dat het woord liefdesbrief niet zo geweldig gevonden is. Een werkboek is mogelijk een beter woord. Al zeg ik er wel eerlijk bij dat in elk geval voor mij niet alle hoofdstukken te doen zijn. Er staan tips en geboden in waar ik het absoluut niet mee eens ben, die zal ik dus ook zeker niet volgen. Het is een heel oud boek, die bijbel, en dat kun je goed merken.

En dan kun je braaf zeggen dat “God in dit Woord spreekt “ maar dan wel zoals de schrijvers dat soms meer dan 2000 jaar geleden begrepen. Zo versta ik het in elk geval niet, áls ik al iets hoor. Veel gebijbel vind ik maar buiksprekerij in gods naam. Voordat je het weet maak je er een liefdesbrief van. Geen goed idee.

 

Donderdag 14 juli.

Quatorze Juilliet, de dag van de Mont Ventoux ( maar net niet helemaal). Ik reed door een stille nacht naar huis, zag het spel van halve maan en twee planeten, dacht aan het afscheid van twee, mij bekende Soesterbergers. Herman op vrijdagochtend, veel te jong overleden. Ik zag hem een week geleden voor het laatst. Lieneke leidt zijn crematie en liet mij haar goeie woorden lezen. Ik op mijn beurt stuurde haar mijn woorden voor het andere afscheid , op zaterdag. Wat een zorgvuldigheid allemaal. En een diep contrast met dat doodsschip op de bodem van de Middellandse Zee waarin meer dan 600 lichamen gevonden werden, 5 per vierkante meter, verdronken vluchtelingen. Wie geeft hun de woorden die ze verdienen ? Ik zat daaraan te denken toen ik routinematig de autoradio aanzette : extra nieuwsdienst. Aanslag in Nice, verscheidene doden, meer dan 30, de teller liep per minuut op, thuis meteen de beelden erbij, 75 doden inmiddels, veel gewonden, veel angst.  Op de Promenade des Anglais. Wat hebben we daar in vroegere vakanties genoten van  bekakte juffen met opgemaakte hondjes en bruin gebrande rijkaards op de versiertoer. Op deze avond zal het rond het vuurwerk gewemeld hebben van mensen die komen zien en mensen die gezien willen worden. En ineens is alles voorbij. Door een gek, door een aanslag, dat horen we later.  Dit is onze wereld. Niet wezenlijk anders dan vroeger maar wel direct op ons bord, in ons hoofd, op ons netvlies. Op CNN-beelden zag ik de vrachtwagen, die als moordwapen werd gebruikt, op de mensen in rijden.  Voor al die gedode mensen zullen woorden gevonden moeten worden. Ik hoop dat er genoeg zijn. Anders is stilte een beter alternatief. En wat muziek. In elk geval iets van mensen, wat goed doet tegenover deze afgrijslijke moordzucht.

 

Vrijdag 15 juli

Wat vandaag waarheid is is morgen  leugen en andersom. Geen touw aan vast te knopen. Ik begrijp nu iets van krantenredacties. ‘s Avonds laat een prachtige krant klaar voor de volgende ochtend en dan gebeurt er wat. Die aanslag in Nice, door ISIS terreur, zeggen de meesten. Maar het kan net zo goed door één iemand zijn gebeurd. Vanavond was de militaire coup in Turkije, leek het. Maar net zag ik soldaten door politieagenten afgevoerd worden. Hoe is het morgen ?

Trouw had vanmorgen niks over Nice, het AD wel. Zaterdagmorgen zal de coup in Turkije op de voorpagina staan en Wilders die het mooi vond, maar misschien is het allemaal alweer voorbij en zit Wilders weer achter het net.

Wel bijzonder trouwens dat je er bovenop zit, tanks tegenover demonstranten, militaire voertuigen vol jonge dienstplichtigen  tussen schreeuwende mensen door. Herhaling van foto’s en filmbeelden uit 1956 (Hongarije) en 1967 (Praag), Chili (1974) en noem maar op.  Je kunt de tv natuurlijk niet aanzetten of naar Nachtzoen kijken waarin een medelander gevraagd wordt de kijker met een mooie gedachte of een gedichtje naar bed te sturen. De interviewster kijkt echter bij voorbaat al zo verschrikt uit haar ogen dat ik daar ook niet rustig van word. Dan maar de werkelijkheid , onze wereld nog steeds. Morgen verder.

Nachtboek 18

Zaterdag 2 juli

Ik ben vannacht naar school geweest. Droomde van het gebouw in de Sweelinckstraat in Den Haag. Het staat er niet meer. Heette toen Christelijk Gymnasium. Of Sorghvliet er al bij stond herinner ik me niet. Nu heet dat wel zo, ligt tegenover het Catshuis en  prinses Amalia is één van de leerlingen. Dat werd ik 65 jaar geleden. Ubi tempus manet ? Als dat Latijn is betekent het : waar blijft de tijd. Meteen in de 1e klas werd die dode taal op ons losgelaten. Mensa, mensa, mensae etc. Op het Lyceum van mijn broer deden ze : rosa, rosa, rosae etc. Dat is zelfs een liedje geworden. Zover brachten wij het niet. Onze school grossierde vooral in latere cabaretiers, toneelspelers,taalkundigen, theologen en vooral veel meesters in de rechten met Leids accent, meer dat volk. We hebben ook een oud-leerlingenblad, krijg ik nog steeds en daarin lees je vooral over de succesvolle weg die velen aflegden. Soms glijd je uit over de kale kak maar dat hoort nu eenmaal bij een toch wat elitair schooltje. In mijn tijd waren er geen 300 leerlingen. Wel een heuse rector en concierge en administrateur. Met name de eerste rector komt nog wel eens voorbij, niet in dromen in de nacht maar gewoon in gedachten. Hij stamde  uit oude boeken. In het zwart gekleed, pak met vest, vrijgezellenstrikje om en een dun brilletje op waarachter zeer sprekende ogen. Ik had groot ontzag voor die man. In mijn eerste jaar beijverde ik me om ‘s morgens vroeg op school te zijn zodat ik de deur voor hem kon openhouden. Zijn vriendelijke lach temperde enigszins mijn diepe angst voor die tempel van wetenschap waarin ik me altijd tekort voelde schieten, een gevoel dat door sommige docenten naar hartelust werd versterkt. Een enkele keer moet mij dat teveel zijn geworden wat zich uitte in ballorig gedrag. Dat kon je op die school beter niet vertonen. Op een keer werd ik uit de les Aardrijkskunde gestuurd wegens wangedrag. Dat vak zal op die school ongetwijfeld een sjiekere naam gehad hebben maar die is me ontschoten. Niet de herinnering aan die leraar, een vreselijk lange man. Ik had  de pech dat zijn lokaal aan de rectorskamer grensde. Als je er dus uitgestuurd werd en buiten voor de deur moest blijven staan stond je meteen voor het commandocentrum. Die had een dubbele deur en was voorzien van een drukbel. Wanneer je aanbelde moest je wachten tot er op een klein scherm het woord “binnen “ verscheen. Ik had niet de opdracht gekregen me bij de rector te melden maar de kans dat hij mij zou zien staan was natuurlijk levensgroot. Ik verstopte me onder de jassen die daar aan de kapstok hingen. Hoe lang ik daar gestaan heb weet ik niet meer maar op een gegeven moment zie ik twee glimmend zwarte schoenen op me af komen. Vlak voor me bleven ze stilstaan en hoorde ik : ik heb nog nooit een regenjas met benen gezien. Mijn schuilplaats werd van bovenaf geopend en met een lichte tik tegen mijn oor werd ik de rectorskamer binnengeloodst.  Hij nam plaats achter een gigantisch bureau, zette zijn ellebogen op het schrijfblad , de vingertoppen tegen elkaar, keek door me heen en stelde de hamvraag waarom ik buiten de  klas stond. Dit soort van biechten haat ik. Je eigen ondeugden verwoorden tegenover iemand die er gegarandeerd straf tegenover zet. Ik behoorde tóén in elk geval niet tot het type mensen dat dan met verve een verhaal opdist waarin zij zelf een glansrol spelen. Ik was meer een schlemiel die met horten en stoten mezelf afbladderde tot een naar mannetje, zeg maar gerust : een zondaar , want dat zat in mijn pakket van huis uit. Ik kreeg Latijnse teksten mee en mocht daar diezelfde middag van 2 tot 5 in een leeg lokaal mijn tanden op stuk bijten. Deze boetedoening maakte van mij een redelijk brave leerling. Maar gelukkig ?

 

Dinsdag 5 juli

Zondag kwam ze, de griep. Pijntje Hier Pijntje Daar en nog echt ook. Zere spieren, longen met het geluid van de eerste stofzuigers, een diepe hoest, koud en koorts en tien zakdoeken per dag. Geen nachtboek dus. Als wij vroeger als kinderen ziek waren kregen we uit de studeerkamer van vader wat te lezen. Geen spannende romans of dubieuze boekjes maar jaargangen van de Elisabethbode, ingebonden. Daar stonden veel foto’s in van familieleden. Ik prijkte als tienjarig jochie  zelfs een keer op voorpagina. Je ziet me dan in actie bij het rondbrengen van dat blad op de 1e Ebbingestraat in Kampen.  Na enkele griepjes of schoolziektes had ik die foto’s wel gezien. Ik geloof niet dat ik me ooit gewaagd heb aan de meditaties en de vervolgverhalen. De eerste twee dagen van déze griep heb ik geslapen maar vandaag kreeg ik behoefte aan bladeren. Ik kwam terecht in mijn verzameling nachtgedachten en nacht-zwammen van tien tot vijftien jaar geleden. Toen “stond “ ik nog in het ambt, preekte nog en schreef meditaties maar af en toe, vooral in de nacht, moest ik even los. Ik geef een voorbeeld :

Nachtzwam  13.04.2004.

En als die ander nou eens gelijk heeft…….Dat dacht ik toen ik vanavond eerst Lebbis zag op tv en daarna een Belgische documentaire over Irak.

Kortgeknipte ( waarom allemaal ?) Amerikanen als overwinnaars in Irak.

Ze spreken de taal niet en walgen van de godsdienst ter plekke. Ze hébben Sadam én de olie, wat willen ze nog meer ? Ze begaan de ene blunder ná de ander en offeren daar jonge levens aan op.

Welke godsdienst is er nu eigenlijk bedreigend ? Lebbis had het over de God van de christenen die bloed wil zien. Als voldoening voor zonden van mensen. Daar had ie zelfs zijn eigen zoon voor over. En nu dat gebeurd is kun je je gang gaan. ’t Is tóch al verzoend. Theologisch een vertekend beeld, ik weet het. Maar zó komt het over !Mee dank zij die hele Jezus-hype in de VS. En Bush, die denkt naast “god” te zitten, handelt conform. Hij weet wie en wat  het “kwaad” is .En kan dus zijn gang gaan. Gesteund door o.a. hét land van “normen en waarden”, Nederland o.l.v. Jan Peter Balkende, een kind in deze slangenkuil.

Was dat nou maar enkel politiek. Maar het is overtuiging ! En dat is griezelig bij een macho-kapitalist als Bush. Als “zoon van zijn vader” zal hij aan de verwachtingen hebben beantwoord. Hij “finished the job“ en greep de duivel in zijn nekvel,  dacht ie. Dat levert hem in godsdienstige kringen alle lof. Maar van de “Zoon van dé Vader” heeft hij volgens mij niets begrepen. Áls hij al iets begrepen heeft van godsdiensten. De Islam is namelijk wel een heilig broertje van het christendom. Ze tappen uit hetzelfde vat, net als de Joden trouwens. Alle drie deze godsdiensten gaan de mist in als ze  hun geloof vermengen met macht. Ik kan ook zeggen : hun fundamentalisten halen het fundament onder hun eigen geloof weg. De intolerantie van de orthodoxie  heeft té veel bloed aan de handen. En dat geldt voor alle genoemde godsdiensten.Ik wou dat ik kon zeggen : die oude christelijke godsdienst was zo gek nog niet. Maar dat lukt me niet, want ze was ( ?) net zo ziek als de  fundamentalistische

stromingen in het Jodendom en de Islam van nu. Pas als elke gods-dienst ( en ideologie) door de Verlichting heen durft gaan, z’n grote broek durft uittrekken en élk mens even uniek acht, valt er te praten. En te leven. Voor iedereen. En daar gaat het toch om ?

 

We zijn nu 14 jaar verder (nou ja, verder ?). Ik ga echt niet de krant van vandaag en alle gisterens citeren. De duivel is helemaal niet in zijn nekvel gepakt maar nu pas echt los. En niemand kan zeggen dat het “christelijke “ ( of humanistische of postmoderne, ik vind alles goed) westen daar niet medeschuldig aan is.

 

Woensdag 6 juli

Na m’n nachtboek van gisteren was er om te beginnen chaos, met name in mijn hoofd. Ik had enkele oude nachtzwammen gelezen en daardoor was er veel opgerakeld aan herinneringen. Ik werd door mensen en gebeurtenissen bestormd en dat werkt niet slaap bevorderend. Om 4 uur zag ik in het Noordoosten licht gloren, prachtig om te zien, alsof een wolkendeken werd opgerold.Een taxi bracht twee Poolse buren thuis en de wijkmerel begon zijn lied. Toen pas kwam de slaap, alsof ik op ze had gewacht. Maar de rust kwam niet. In mijn hoofd vestigde zich de acteur Sebastian Koch (de kunstenaar in de film “Das Leben der Anderen” en de Duitse officier in de film “Zwartboek” .) Hij was een boek aan het schrijven en dat werd alsvolgt ingeleid : “dat hij behoedzaam maar dwingend haar schouderbandjes opzij schuift, zijn pen pakt en gaat schrijven. Zó ontstaat een boek. Even later slingert zij in een woeste dans haar been zó ver omhoog dat haar slipje maar net genoeg pijp heeft .” Ik werd wakker, 6 uur in de morgen, de lucht inmiddels strak blauw. Op twee uur slaap durfde ik de dag niet aan, dus ogen toe en mijmeren. Waar komt die acteur Koch ineens vandaan en vanwaar die leuke zinnen ? Wat een luxe dat je op je ouwe dag nog zulke verrassende dromen hebt. Ik moest terugdenken aan mijn tentamen Oude Testament zo’n vijftig jaar terug. Ik moest mij in de profeet Joël verdiepen en er een soortement van scriptie over maken met o.a. een keurige eigen vertaling uit het Hebreeuws. In die profetie wordt gesproken over de Dag des HEREN, dat Hij zijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en …. uw ouden zullen dromen dromen en uw jongelingen gezichten zien. In het woordenboek las ik dat die dromen “sexual dreams “ konden zijn. Dat vond ik zo enig dat ik het ook met enthousiasme  vermeldde aan de hoogleraar. Hij keek me nadenkend aan, vond het interessant en switchte gauw naar het grote geheel van die Dag des HEREN. Daar had ik niet zoveel over te melden dus hij beëindigde het tentamen, beloonde me redelijk en we namen afscheid.         Zou hij , na mijn vertrek, zich rot hebben gelachen óf als een haas in zijn Dictionary zijn gedoken om ook zelf hoop te putten uit zijn eigen vak ?

Ik moet weer in slaap zijn gevallen want om half  8 werd er van binnenuit mijn hoofd naar buiten geklopt, zoals een vogeltje uit het ei breekt, een heel vreemde ervaring. Net alsof ik mezelf moest aantrekken, als mijn ochtendjas.

Ik heb toen de korte nacht maar opgegeven en snel de zinnen die ik hierboven citeerde uit mijn droom, opgeschreven. Voor de rest voelde ik me  grieperig genoeg om regelmatig een uurtje of wat een oogje dicht te knijpen tegen het felle daglicht.

 

Donderdag  7 juli

Wat is nieuws ? Ik keek naar het laatste journaal. Begon met voetbal, Frankrijk had gewonnen. Die wedstrijd ging aan het nieuws vooraf. Het prinsesje Amalia had haar voetje verstuikt. Of was het haar enkeltje ? De koninklijke familie blijft ook niks bespaard want de koningin had gisteren een lichte hersenschudding opgelopen. Uit die tv ! Wat is dit voor flauwe kul ? Nog even snel het Amersfoortse deel van het AD doorgebladerd. Nee, maar ! U weet nog van The Passion ? Die kwam dit voorjaar toch langs in onze stad ? Nou, er zijn nu meer gegevens bekend. Hij is duurder uitgevallen dan geraamd. Dat komt door ‘Brussel “. Nu krijgt Brussel in dit Wilderstijdperk overal de schuld van dus moest ik even doorlezen. Met “Brussel “ werd dit keer bedoeld de aanslagen daar. Daarom moest The Passion beter beveiligd worden want aanslagen willen we er hier niet bij hebben. Gelukkig heeft The Passion ook wat opgeleverd. Kijk, dat zijn fijne nieuwtjes. Ik vroeg me allang af wat die lijdensgeschiedenis in Jeruzalem destijds die stad nou gekost heeft en of ze er ook nog iets aan over hielden. Gelukkig kunnen we daar in de moderne tijd een exact beeld van krijgen. Bleef het aantal toeschouwers in Jeruzalem nog vaag ( velen, staat er , en ze stonden van verre), in Amersfoort zaten  er 20.000 met hun neus bovenop en 3,2 miljoen “keken van verre “, dat is tele – visie, maar daar heeft Amersfoort niks aan. Hoewel : de burgervader verwacht dat een deel van die verkijkers als toerist nog wel eens zal komen opdagen om te zien de plaats waar het allemaal gebeurd is.  Van de 20.000 die het live  hebben meegemaakt, bezocht de helft een café of restaurant en gaf daar 18 euro uit ( Kassa, 180.000 euro). 4000 bezoekers gingen ook nog winkelen en besteedden  gemiddels 23 euro (Kassa, 92.000 euro). Al met al spreekt de gemeente van een geslaagd evenement, waaraan alle betrokken partijen een goed gevoel hebben overgehouden.In een eerder bericht had ik al gelezen dat ook de artiesten erg genoten hadden van hun verschillende rollen. Ze hadden er na afloop ook nog behoorlijk om gelachen en er een goed glas op gedronken.  We schakelen terug naar Jeruzalem . Daar is de verhaallijn over The Passion begonnen. En ik lees er Mattheüs over. Die schreef er zó  intens  over dat  de grote Bach er zijn meesterwerk van maakte. En zie : …de aarde beefde en de rotsen scheurden, de graven gingen open en de lichamen van de doden werden opgewekt en kwamen in de heilige stad. “ Dat is even andere koek dan toeristen uit b.v. Barneveld die met het kippenlijntje naar Amersfoort tuffen om te kijken naar de plek waar een mallotig spelletje gespeeld is. Lijden moet je niet spelen, het is rondom, stroomt je huiskamer binnen via beelden, spoelt aan op de kusten van ons Europa. Lijdende mensen.  Hun hoop ? Dat ze mogen opstaan uit hun graven en misschien een enkele euro mogen uitgeven in welke stad dan ook.

 

Vrijdag  8 juli

Ik weet het : ik hoef niks meer te doen. Maar ik kan het niet laten. Heb met sommige mensen in mijn oude gemeente toch ervaringen gehad die meer waren dan het gewone. En dus zoek ik hen af en toe op. En als de nood, of zelfs de dood, echt aan de man of vrouw komt ben ik er vaker. Niet om mijn evangelie te prediken of zo maar gewoon om er te zijn. De ander mag dan aangeven welke ruimte ik zal innemen. Dat is vaak een stoel aan het bed en bij hoge uitzondering later een plaatsje en rol bij het afscheid in kerk of aula.

Vanmiddag was zo’n moment van opzoeken. Ik was bij twee mannen, aan het eind van hun leven. Vertrouwd, huiveringwekkend, bescheiden, voorzichtig, met respect, als ‘t kan ook wat humor, allemaal woorden en begrippen die dan tellen. Ik vind het heel uitdagend  mezelf terug te vinden als ik in de auto zit en weer naar huis rijd. Die twee reden mee, en hun vrouwen en kinderen en alle verhalen en het opkomend verdriet van definitief voorbij en we hadden nog zoveel…. Ik ben toch geen robot. Ooit zal mij dit zelfde overkomen. Om die reden zou het me naar de strot kunnen grijpen. Maar ik zit heel rustig achter het stuur. Ik was amper thuis of via de telefoon hoorde ik dat één van de twee inmiddels was overleden. Ach. Dan ben ik graag even heel stil.  Echt niet omdat de dood gewoon is. Juist niet maar het moet wel kúnnen, sterven . Loslaten is het. De stervende heeft geen keus. Loslaten is voor de overlevende vaak veel moeilijker. Maar als die het niet doet…….Amos Oz zei pas : als je niet terugkeert van de plek waar je je lief hebt verloren, sterf je zelf ook. Dus als je nog het leven wilt, hup, achter het stuur, zolang het je gegeven is.

Nachtboek 17

Zaterdag 25 juni

In mijn krant las ik vanmorgen een bericht waarmee ik graag wil dollen. Maar ik bewaar het voor later want  mijn beleving van deze dag was veel serieuzer. Ik was naar de begrafenis van de schoonmoeder van mijn overleden broertje Bert. Het vond plaats in Leiden op een intieme begraafplaats achter de Zijlpoort aan de haven. In een stampvolle oude kapel (met vreselijke bankjes) werd afscheid genomen. Met veel kaarsjes, een beklede kist en ontroerende muziek uit Indië. Bengawana Solo, Jalan Kenangan, Terang Bulan en Telaga Biroe heetten de nummers. Breekbare muziek vond ik het. Heel wat anders dan daverende Psalmen of versleten evergreens.  Uiteraard ging het bij dit afscheid om de bijna 88-jarige Lientje. Maar ik vond het nodig  ook haar dochter (mijn lieve schoonzus) Anja te noemen en vroeg een paar minuten spreektijd. Ik heb het volgende gezegd : “Eigenlijk had mijn broertje Bert hier moeten staan.Die kon niet. Hij laat na zijn crematie alleen nog van zich horen in onze herinnering.

Daarom doe ik het mee namens hem. En vooral naar Anja toe. Jaren geleden heb jij gezegd : mijn moeder naar een verzorgingshuis, nooit. Dat doe ik zelf.

Jullie ruimden een kamer in en namen de zorg voor haar op jullie. Jij, Bert en Anber. Twee jaar geleden kwam het loodzware sterfbed van Bert. Maar ook je moeder eiste de nodige aandacht. Telkens als ik mijn broer opzocht ging ik eerste bij haar langs. Bij binnenkomst riep ik altijd : ha, moeder van der Capellen. En dan was het van haar kant : dag dominee Bas. We zaten dan even bij elkaar, soms legde ik een hand op haar voorhoofd en voegde haar enkele goede woorden toe.In bijbeltaal heet dat “zegenen “. Dat is het tegenover-gestelde van wat er veelal op de sociale (?) media gebeurt. Na de dood van Bert heb ik haar nog één keer gezien. Jijzelf  nam daarna ook nog de zorg voor Gerard op je, die niet in zijn eentje durfde sterven en ook welkom was in jouw huis. En nu je moeder. Ze was misschien geen makkelijke patiënt. Dat zal ermee te maken hebben dat ze helemaal geen patiënt wilde zijn. Ze wilde leven.

Jullie en jij, Anja, vooral, hebben dat, zo lang als het kon, voor haar mogelijk gemaakt. Dat mag jij zelf allemaal normaal vinden, “ dat doe je als dochter voor je moeder”, maar ik wil het toch op dit moment noemen. Je hebt de laatste jaren groot werk verricht. Het zal nu stil worden, zolang als dat duren kan bij jou. Ook tijd voor je eigen leven. Ik wens je toe dat dat veel gelukkige momenten mag kennen. En jullie allemaal wens ik toe dat de herinnering aan moeder van der Capellen jullie goed doet, goed voor een dankbare glimlach. “

Ik vond het een lieve begrafenis. Dat kan ik zeggen omdat ik heel veel vergelijkingsmateriaal heb. De ergste vond ik wanneer het eigenlijk helemaal niet ging over de dode. Dan bleven mensen achter met enkele vette teksten en dikke woorden maar daar kun je geen traan mee drogen. En waarom zou voor de overlevenden het lachen moeten zijn vergaan. Degene die gestorven is had toch ook haar of zijn malle kanten. Juist door de echte tranen om het verlies heen  moet er een glimlach doorbreken, anders verdrink je. Vanmiddag was dat er allemaal en we konden toch met een goed gevoel het kerkhof verlaten, zeg maar : opgewekt. Daarmee hoef je niet eens tot de jongste dag te wachten.

 

Zondag  26 juni

In Iran lijdt de bevolking enorm onder droogte. Niet dat er niet voldoende water is maar het wordt vreselijk verspild door huishoudens en landbouw. De wonderlijke voormalige president Ahmadinejad zag er echter een vijandelijk complot achter, las ik in Trouw. “De vijand vernietigt de wolken die naar ons land toedrijven “ beweerde hij. Ik wist niet wat ik las maar kreeg geen kans van die verbazing bij te komen, ik viel meteen in de volgende : afgelopen week wees een geestelijke  naar immoreel geklede vrouwen als een van de oorzaken voor het droogvallen van een belangrijke rivier. “Die hielden zich maar op aan de rivieroever en daar werd die helemaal droog van”. Hoe dat werkt vermeldde de man niet maar hij had foto’s genoeg ontvangen van vrouwen naast de rivier die gekleed waren alsof ze in Europa zijn. “Dat soort gedragingen zorgt ervoor dat de rivier nog verder opdroogt. “Als je nu denkt dat je hiermee alles wel gehad hebt, houd je dan maar vast. Want ook aardbevingen zijn gelinkt aan het kleedgedrag van vrouwen. Hier volgt het citaat : “Veel vrouwen, die zich niet bescheiden kleden, brengen jonge mannen in verleiding, verpesten hun kuisheid en verspreiden overspel in de maatschappij, wat weer leidt tot meer aardbevingen “. Hierbij vergeleken zijn de acties van Kees v.d. Staay van de SGP tegen Billboards met wervingsteksten voor vreemdgaan nog heel braaf (en dat vínd ik hem ook). Je mag het geloof ik geen achterlijke cultuur in Iran noemen maar sommige uitingen daarvan zijn het toch wel. Het zou lachwekkend zijn als het niet zo serieus werd genomen in dat land. Onlangs zag ik hoe 5000 mannen(!) daar officiëel werden geïnstalleerd als moraalpolitie.. In een documentaire op tv zag ik hen in actie : ze kijken b.v. zelfs in auto’s of vrouwen wel volgens de heersende norm gekleed zijn en of een vrouwelijke passagier wel op de achterbank in de taxi zit. Hoe lang zullen de miljoenen jongeren in dat land dit nog verdragen ? Halen ze er onverschillig  hun schouders voor op en denken ze allang anders ? Ik hoor en zie ook wel eens andere verhalen uit Iran.

In andere landen en zeker in andere denkwerelden zal men zich ook wel vrolijk maken over sommige uitingen in ons landje. Op teletekst las ik het bericht dat er via Internet nu actie gevoerd wordt tegen de Dino-actie van mijn groot-grutter. Bij boodschappen krijg je een plaatje van dino’s. Kinderen zijn er gek op en staan als bedelaars bij de uitgang van de winkel. Hebt u nog dinoplaatjes ? Ik geef ze graag maar ik heb het vermoeden dat ik mij als predikant daarvoor zou moeten schamen. Van die actiegroep dan. Want die vindt dat het bestaan van dino’s erg eenzijdig wordt bezien in het licht van evolutie en periodes van miljoenen jaren geleden. Zij breken een lans voor het ándere verhaal : dat de aarde 6000 jaar geleden is geschapen en dat de dino’s gewoon aan boord waren van de ark van Noach. Nou gaat het mij er niet om dat de afmetingen van de ark ( in Genesis precies omschreven) voor dino’s niet toereikend zijn,

maar het selectieve geklungel met bijbelverhalen en – teksten vind ik van een vergelijkbaar niveau als wat er in Iran gebeurt. Een gelovige moslim zal droogte of aardbevingen niet aan de blote schouder van zijn vrouw  wijten en hij zal in het korte rokje van z’n buumeisje geen aanval zien op zijn kuisheid . Als dat wél zo is heeft hij hulp nodig. Zo zal een bijbelgelovige de prachtige mythen niet moeten ontkrachten door er onzin van dynosaurische afmetingen in te stoppen en al helemaal niet in de ark. Doe je dat wel, zoek hulp, desnoods terug naar school.

 

Maandag 27 juni

Theologie ( de leer over God) is een raar vak. Toen ik er als student van 20 aan begon had het iets heel mufs. Het rook naar oude slagvelden. Je kon er niet onbevangen in ronddolen want je werd op alle fronten geconfronteerd met overblijfselen van woeste gevechten. Overal stonden zerken met de meest vreemde teksten. Over de Drieëenheid van God, over de doop, over de uitverkiezing, over bijbelvertalingen  enz. enz. Ik las er zelfs één over supra- en infralapsarisme. Dat is geen homeopathisch middel of regulier medicijn maar het is gedoe over de zondeval (lapsus) en of je  vóór of ná die val uitverkoren bent. Of zo ! Ook het normen en waardenpatroon  droeg oude littekens. Seks b.v. kreeg  de minachtende benadering van kerkvader Augustinus, die, na de hoerenloperij in zijn studentenjaren, ook op dit gebied bekeerling werd. En met bekeerlingen is het altijd oppassen, ze zijn vaak roomser dan de paus. Na twee jaren theologie  had ik het wel gezien. Ik kon daarin niet ademen. Ik werd ambtenaar. Eén ding had ik wel geleerd in die twee jaren : lezen. En dat bleef ik doen en daarbij ontdekte ik dat de oude grafkamers langzaam openbraken. De maatschappij stond op z’n kop, jongeren lieten zich horen, oude structuren vielen weg en zelfs de theologische bolwerken vertoonden scheuren. Nu niet door inwendige strijd, zoals al eeuwen lang gebeurde, maar door de stormen van buitenaf. Er werd met zeer intense vragen aan de poorten geklopt. Over God na Auschwitz b.v. Er ontstond in de VS en Engeland  een beweging die  de “God is dood theologie “ werd genoemd. Daar wilde ik bij zijn. Achter mijn ambtenarenbureau zat ik steeds minder comfortabel, ondanks de arbeidsvoorwaarden die haast per maand verbeterden. Ik besloot toch weer de theologie op te pakken. Maakte daarbij één fout : ik ging terug naar dat kerkhof, dat oude slagveld, waar ik me de teksten op al die zerken eigen moest maken. Sterk verouderde geloofsbelijdenissen, vreemde dogma’s , kerkelijk gekleurde uitleg van de Schriften. Ik had ergens anders moeten gaan studeren. De bul die ik haalde was die van een lichtgewicht en theoloog heb ik me eigenlijk nooit gevoeld. ik was onder de indruk van modernere opvattingen en probeerde die te snappen.  Aan echte verdieping kwam ik te weinig toe, o.a. vanwege de slopende uren die ik als predikant doorbracht. Daarin ging het  vooral om mensen, dus eerlijk gezegd miste ik die thelogie ook niet zo erg. Dat gold daarna in het vormingswerk des te sterker. Ook de laatste 21 jaar in een gemeente leefde het amper, al probeerde ik met een klein groepje het waakvlammetje aan te houden. En nu lees ik erover in de krant en dat is het. Het blijft m’n interesse houden. Zo las ik met plezier over de Nacht van de Theologie. Dat is een heel andere duisternis dan waarin ik destijds rond-dwaalde. In deze nacht werd de Theoloog des Vaderlands verkozen. Dat werd Janneke, een vrouw van 35. Zij zegt : “mensen hebben zingeving nodig. Iedereen moet chocola maken van het verhaal van haar of zijn leven. En ik kan daar een bijdrage aan leveren “. Hartstikke goed. Ook omdat ze “speels wil zijn en wil laten zien hoe mooi theologie is en hoeveel ruimte er inzit “. Hoezeer ik haar ook herken in de frisheid, de ruimte, de openheid en de speelsheid, ik zou dat nú niet meer aandurven met behulp van theologie. Ik zou wel weer achter dat bureau op dat ministerie wegkomen maar een andere route kiezen. Om de mensen om me heen te pesten zei ik dan : toch maar warme bakker worden, want dat zit in mijn genen. Maar niemand wilde mijn brood.

 

Dinsdag 28 juni

Ik heb net een paar uur naar het politieke bedrijf gekeken. Eerst op de BBC. Een oud-politicus werd bevraagd. Je zag z’n gestileerde boosheid. Laat die Johnson maar met zijn plan komen in het Lagerhuis. Hij had toch een plan voor na de Brexit ? Dan zullen we er over stemmen. Wordt het afgewezen dan nieuwe verkiezingen en eventueel een nieuw referendum. Daarna schakelde ik naar een herhaling van onze 2e Kamer. Ik zie dat graag, onze democratie in bedrijf.

Maar het plezier daarin wordt wat vergald.  Dat komt door het  uitermate simplistisch inspelen door sommigen op onder-buikgevoelens bij “eigen volk eerst “ en bij Nederlandse Turken, bij ouderen en bij mensen zonder werk. Als de stemmingen in de 2e Kamer niet verschoven worden vanwege het Suikerfeest is dat ineens discriminatie. Als er geen referendum over een Nexit wordt gehouden is dat ondemocratisch. Alsof zo’n referendum democratisch is.

(B.v. : 55 % van 1/3 van de kiezers is een kleine minderheid !). Ja maar Europa, hoor je dan. Ik vrees dat de taal van de sociale media de komende tijd de stemming gaat bepalen. Dat kan  uitmonden in een wonderlijke verkiezings-uitslag volgend jaar maart. Daarna moeten al die opgeblazen ego’s met een plan komen voor het hele Nederlandse volk, net als Johnson in Londen. Dat wordt dan niks, nul komma nul, en dan heeft iedereen het gedaan behalve zij zelf.  Natuurlijk, Europa heeft een waterhoofd, veel te veel ambtenarij en gelobby,  maar het alternatief (elk land voor zich) heeft eeuwenlang bewezen nog veel minder te deugen ; de onderlinge oorlogen zijn niet te tellen en de aantallen  doden ronden we maar af tot miljoenen . Dus moeten we het in Europa samen beter doen. Ik zag Pechtold daar hartstochtelijk voor pleiten. Zou hij met zijn club wel eens spijt hebben van  zijn enthousiasme voor een referendum ? De politieke uitzending op de tv werd afgesloten met een spotje van DENK. Maar dát is eng. Ik begreep dat ze tegen discriminatie zijn maar ze discrimineren iedereen die anders denkt dan zij. Weer zo’n club met vingers die voortdurend naar anderen wijzen. We hebben Krol al die ánderen beschuldigt van inpikken van pensioenen en Wilders die niet alleen zichzelf maar heel Nederland beveiligd wil hebben. En nu Denk, die met naam en toenaam via Facebook anderen de zwarte piet toespeelt, terwijl hun nieuwe coryfee Silvana Simons zo tegen elke zwarte piet is. Toch ga ik tevreden slapen en ik zal eerlijk zeggen waarom : de fractieleider van “mijn “ partij  hield vandaag het beste verhaal. Ik ben al 40 jaar lid – het is de enige organisatie waar ik nog betalend lid van ben - , heb soms grote twijfels bij de keuzes die gemaakt worden maar nu werden alle vraagtekens even dikke uitroeptekens. Dit komt vast wel goed, ze/we komen hiermee wel weer uit het dal. En dan gaat er toch een oudbijbelse spreuk in vervulling dat bergen (dat gebulk van die schreeuwers) geslecht zullen worden en dalen verhoogd. Dat wordt dus vlak land, tenzij die dalen zó verhoogd worden dat zij op hun beurt bergen worden. Als het maar bergen zijn die vrede dragen en heilig recht, zoals Psalm 72 zong. Toch nuttig, al die versjes van school.

 

Woensdag 29 juni

Ik betrapte mezelf erop dat ik gisternacht geen woord schreef over die wrede aanslag in Istanbul. 42 doden inmiddels en meer dan 200 gewonden. Ik ga er net zo vreemd mee om als bijna iedereen. Als zoiets in Parijs of Brussel of zelfs in de VS gebeurt lijkt het ons meer te schokken. Maar de tranen bij je dode vrouw of man of kind in Turkije zijn even intens. Misschien zie ik dit soort beelden teveel en raak ik blasé.  Totdat het kwaad mijzelf treft. God bewaar

me , maar dat is slechts een kreet. De God die gedacht wordt en Allah heet, in wiens naam dit gebeurt, bewaart helemaal niet . Net zo min als de god van de wraak die overal in stelling wordt gebracht om deze 42 en vele andere doden te verrekenen. Op de BBC zag ik beelden uit de 1e Wereldoorlog. Hoe 100 jaar geleden dagelijks duizenden jongens hun leven werd genomen door steeds slimmer wapentuig in handen van andere jongens die ook gestuurd waren. Eén van de gangmakers van die waanzinnige strijd die 4 jaren en 3 maanden duurde was Kaiser Wilhelm. Dat is de man die uiteindelijk vluchtte naar Nederland en in Huize Doorn nog meer dan 25 jaar van het leven genoot ; hij, die verant-woordelijk was voor de dood van miljoenen ! Gisteren reed ik nog langs die plek in Doorn, het lijkt wel een soort bedevaartplaats. Ik denk nu met enige schaamte terug aan een middag dat ik een groep Duitse officieren begeleidde die op ons vormingscentrum te gast waren. Wie het bedacht heeft weet ik niet meer (was het hún wens of vonden wij als gastheren dit een vondst ?)  maar ik bezocht met hen dit Buiten van hun vroegere keizer. Hier had hij aan zijn bureau gezeten, daar had hij geslapen en daarachter was hij vaak aan het houthakken !  Ik hoorde dat hij zelfs af en toe een kaartje legde op het paleis van onze koningin. Wat houden we daar in ere eigenlijk, bewaakt door videocamera’s ? Platgooien is geen optie want het bouwwerk zelf kan er niks aan doen. Maar zou het allemaal niet wat kritischer mogen want keizer of geen keizer, het wás een boef, die al jaren vóór de oorlog via zijn vorstelijke familie in Engeland de know how opdeed voor zijn eigen oorlogsmachine. En toen hij die eenmaal had moest die ook gebruikt worden natuurlijk. Dat noemen we tegenwoordig een oorlogsmisdadiger en daar hebben we een Huis van Bewaring voor in Scheveningen, niet Huize Doorn.

Eigenlijk wilde ik na gisteren over iets vrolijks schrijven. Dat lukte niet maar ik wil er wel mee besluiten. Er stond een berichtje in de krant  dat té leuk is om over het hoofd te zien. Het gaat over Ijsland. Jaren geleden slecht in het nieuws doordat mensen met geld (en zelfs overheden) daar nóg meer geld wilden maken en het lid op de neus kregen omdat er banken omvielen. Nu een topic in alle media vanwege hun voetbal. Een David die de ene na de andere Goliath verslaat. Vinden we prachtig. We weten ineens allemaal hoeveel inwoners dat land heeft en vertederd noemen we ze Vikingen, al waren dat in oude tijden helemaal geen lieverds en zeker geen knuffelberen. Ja, misschien voor hun vrouwen en daar gaat dan ook het krantenberichtje over. IJsland is zo dun bevolkt dat de kans groot is dat de persoon met wie een IJslandman of -vrouw in bed duikt familie van je is. Om tijdig dit probleem te voorkomen, is de Islendinga-app ontwikkeld, schrijft het AD. Wie met een landgenoot naar bed wil, dient eerst zijn mobieltje tegen de telefoon van de ander te houden. De app is gekoppeld aan een database die in no-time checkt of je familie van elkaar bent.  “Bump the app before you bump in bed “ is de slogan. Als je behoefte hebt aan een glimlach of zeg maar rustig een grijns, dan hoef je hier maar even op door te fantaseren !

 

 

Donderdag 30 juni

Eigenlijk wilde ik nu niet schrijven aan mijn nachtboek. Dacht te moe te zijn. Maar dan reken ik toch buiten de waard, zeg maar gerust de geest. Die kan over je vaardig worden, een heerlijk ouderwetse uitdrukking. Ik heb het op een preekstoel nooit aangedurfd om daarop te hopen, laat staan te rekenen. Integendeel. Elk woord wat ik daar sprak stond op papier, daar had ik over nagedacht. Ik ken collega’s die wat aantekeningen maakten op een memo-blaadje en daarmee een preekstoel beklommen. Ik vind dat tien keer niks. Je hoorde eindeloze herhalingen en een heel beperkte woordkeus ; je pakt immers de woorden die het lichtst komen bovendrijven. Bovendien  mis je elke discipline die je jezelf bij een geschreven en dus te controleren tekst kunt opleggen.Gevolg : veel te lange preken. Op een college in Kampen leerde een mediadeskundige ons in 1959 (!) al dat een geoefend spreker de aandacht van de toehoorders hooguit 11 minuten kon vasthouden. Mijn kwartier was dus al veel te hoog gegrepen. Tóch heb ik het wel eens geprobeerd, dat voor de vuist weg preken, mét geest uiteraard. In het bos, alleen mijn hond was getuige. Die keek aanvankelijk z’n ogen uit want dacht dat ik het constant tegen hem had. Dat vond hij oergezellig. Na enkele minuten bleek het hem toch te vervelen  want hij dook opzij en deed op zijn dooie akkertje een hoop en liet mij het geloof en de liefde, waarna hij een meter of twintig vóór me ging lopen. Net alsof hij de weg wilde banen voor zijn seniele, in zichzelf sprekend baasje. Af en toe keek hij achterom met die grote trouwe hondenogen waarmee hij vroeg of het alweer wat beter ging met me. Toen heb ik maar amen gedacht en besloten het er nooit op te wagen. In kleinere kring, op een gespreksgroep b.v. of in een leerhuis, gebeurde het improviseren wel. Dat gaf me vaak een enorme stoot adrenaline omdat je voluit kon zeggen wat je dacht en voelde. Nou ja, voluit, bijna dan. Een vriend merkte terecht een keer op : je hield op toen ik dacht : nou komt het ! Daar had hij gelijk in. Kennelijk bleef ik toch gevangen in wat je wél  en wat je niet kon zeggen. Wilde ik mensen sparen ? Niet te onrustig maken ? Niet aan het twijfelen brengen ? Van alles een beetje denk ik. Tegelijk werd ik gedreven door een zeer serieus bedoelde opmerking die iemand eens tegen mij maakte : ik voel me zwaar belazerd door de theologen ! Zij weten veel meer dan ze kwijt willen, is dat om de lieve gemeente maar in slaap te houden ? Bij collega Klaas Hendriks in Middelburg leerde ik dat je vanaf een preekstoel veel meer kunt zeggen dan ik dacht en dat je juist dáármee de mensen serieus neemt. Misschien kwam dat voor mij iets te laat want ik was inmiddels zelf zo ongeveer de preekstoel af en ben nu lekker aan het schrijven en dat is , zoals pas iemand zei, het tegendeel van gevangen zijn. Ik schrijf me vrij.

 

Vrijdag 1 juli

Ik las vanavond het volgende zinnetje : als je iemand troost biedt, geef dan handgemaakte troost, geen cliché’s. Een collega vertelt in zijn dagboek dat hij als beginnend predikant bij een vreselijk triest sterfbed werd geroepen. Hij kwam daar als dominee en nam aan dat er iets van hem werd verwacht.  Maar hij kon niks, is in een hoekje van de kamer gaan zitten en keek verbijsterd toe. Ik ken dat. Niets zeggen is om te beginnen sowieso beter dan woorden. En zeer veel beter dan alle stomme cliché’s. De ergste die ik ooit gehoord heb was : “wij zijn ook verdrietig “. Alsof de mens in diep verdriet maar niet moet denken dat die de enige is. Stil zijn en luisteren dus. De vragen of opmerkingen komen vanzelf. Laat in godsnaam tijd en geef de ruimte. Ook als het om het officiële afscheid gaat in kerk of crematorium. Dat hoorde bij mijn werk. Ik had daar  geen handboek voor  en als het er is wil ik het niet hebben. De liturgische teksten in allerlei kerkelijke boekjes klinken mij te vet in de oren. Het liefste neem ik bij een volgend bezoek een blanco velletje papier mee. Om de tafel gaan zitten met hen die achterbleven , elkaar in de ogen kijken en geleidelijk aan het beeld oproepen van wie gestorven is. Vanzelf melden zich dan familieleden of vrienden die zelf iets willen zeggen of doen. Ik maak mijn aantekeningen en tracht in een overdenking  een tekening te maken van wie gestorven is, als dat op prijs gesteld wordt. En samen zoeken we naar passende muziek of liederen . Dan kom je wel eens voor verrassingen te staan.Zo werd er bij het afscheid van een jonge knul die verongelukt was een stevig popnummer gedraaid wat sommige jongelui in de kerk uitnodigde tot een dans. Mooier kon ik het niet bedenken. Dansen op de graven, was dat al niet een heel oud gegeven ? Een heel lieve oude dame liet voor mij een briefje na waarop allerlei versjes uit de zeer oude doos stonden. Of ik die wilde laten zingen bij haar uitvaart. Als ik dat al had gewild had het niet gekund want van haar directe familie kende al niemand deze liedjes meer. Toch heb ik er één uitgekozen en voorzover ik mij herinner was ik zelf de enige die zong. Ik vind trouwens muziek en liederen vooral een zaak van hen die afscheid nemen. Zij willen er iets mee zeggen. Het moet hen troost bieden. En laat er vooral ook humor zijn. Het leven is een lach én een traan. Dat was ook het leven van de gestorvene. Bovendien  : de anderen moeten dóór, ze hebben lucht nodig en moed en wat te denken van aandacht, ook achteraf. Allemaal handgemaakte troost. In bijbeltaal heeft troosten te maken met : erbij roepen. Je wordt erbij geroepen om het zware werk van verdriet en afscheid te delen. En heel voorzichtig kun je nabestaanden ook weer bij het lieve leven roepen want zij mogen nog verder.

 

 

 

 

 

Nachtboek 16

Zaterdag 18 juni – maandag 20 juni

Twee nachtjes mijn nachtboek met rust gelaten. Dat was even nodig. Ik schrijf inderdaad ‘s nachts, na de late journaals en na het beantwoorden van email. Het is dan al gauw na 1 uur. Daarna moet ik afkicken en dat doe ik nog steeds met plat vermaak door youtubefilmpjes en dan nog een poosje lezen. Als ik de ogen dicht doe zetten de vogeltjes hun bekjes open en is het “blauwe uur “ (tussen duister en licht)  net voorbij. Dt weekend veel gehoord over sterven en ziekte. Vanavond belde ziekenhuisvriend Jan op. Wij lagen ruim 4 jaar geleden allebei in het UMC en hielden nadien contact. Hij wordt morgen voor de zoveelste keer geopereerd, 8 uren lang. Opnieuw kanker in het mond-halsgebied. Ik zoek hem deze week op en realiseer me tegelijk hoeveel geluk ik heb gehad dat het bij mij niet terugkwam. Het leven kent gelukkig ook vrolijke kanten.  Zo heb ik vaderdag gevierd met de kinderen. Ze waren er allemaal. Ik vond dat wat verdacht. Zo van : nu is hij er nog.  We hebben enorm gelachen om de column van Nelleke Noordervliet. Hoe ouderen benaderd worden. En ze heeft gelijk. Kranten vol publicaties. Is het niet over Alzheimer dan wel over een weigerende prostaat of aangetaste darmen. Gewoon oud worden lijkt er niet in te zitten. Kleinzoon Guus kwam niet meer bij van het lachen toen ik hem de ziekte PHPD uitlegde, die door Nelleke Noordervliet werd genoemd. Ik deed de suggestie om in een gezelschap waarin iemand zit die het graag over alle ziektes heeft en altijd familieleden heeft (of buren daarvan, en die hun schoonouders enz.) eens te laten vallen dat zijn opa PHPD heeft. Wedden dat zij of hij wel iemand kent die eraan is overleden. Wat het is voor ziekte ? Pijntje Hier Pijntje Daar , maar als afkorting klinkt het levensbedreigend. (N.B. Terwijl ik dit schrijf komt Agnes binnen met de afstandsbediening van de tv ; die wil ze op de telefoonoplader zetten. Ik streep dat maar weg tegen mijn eigen vergeefse zoektocht vanmorgen naar de koffiebus in de koelkast !)

Mijn bureau ligt inmiddels vol met knipsels over God. Dat komt door Fritz de Lange. Hij is professor theologie, hoofdvak Ethiek, in Groningen en schreef in Trouw een artikel met als titel : “En God sprak : Ik besta niet.” Hij neemt daarin afstand van een Hoogste Wezen dat het universum bestuurt. De God van het christendom nam juist de gestalte aan van een slaaf , “een messiaanse lompenkoning  zonder macht” die stierf aan een kruis. Wat geloof dan nog is ? “Overgave aan het leven, zonder religieus vangnet. Het leven heeft geen hoger doel of zin dan dit leven zelf. En God ? Die is er niet maar Hij komt. “ Tot zover enkele zinnetjes van de Lange. Maar niet voor lang want in ons theologenlandje worden de pennen meteen opgepakt. Een collega professor gebruikt woorden als simplistisch en vals en een PKN-dominee beschuldigt de Lange ervan  dat “hij de platste argumenten uit het atheïstische kamp van stal haalt om het geloof in God onderuit te halen “. In dit Wilders-tijdperk moet het allemaal pittig gezegd worden, hoewel juist theologen, mensen van het Woord, op hun woorden zouden mogen letten. Gezien de heftigheid van deze reacties heeft de Lange kennelijk een gevoelige snaar geraakt en dat is : dat er geen God bestaat die almachtig is en over het leven van mensen beslist, hun zelfs “gezondheid en krankheid, rijkdom en armoe van zijn vaderlijke hand ons doet toekomen “, zoals de Catechismus zegt. “Alle schepselen zijn alzo in zijn hand, dat zij tegen zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen “ staat er in het vervolg. Goddank geloof ik ook niet in zo’n god. Die zou het veel boeven en machthebbers en ook mijzelf veel te gemakkelijk maken. Dan was er altijd het excuus dat Hij me dan maar niet zo had moeten maken of me anders had moeten sturen !  Ik zit meer in het spoor van hen die zeggen dat God aan het licht komt waar recht geschiedt en vrede en liefde heersen, kortom waar de slaven opstaan uit een doods bestaan. Iets Paasachtigs dus. Als toetje nog dit : de grootgrutter stuurt mij net een mail met de slogan : met een ontbijt van AH zet ik mezelf aan. Hadden ze gedacht. Ik word wakker en herinner me na enkele seconden wie ik ben en waar ik ben, wat voor dag het is en hoe ik mijn krakende lijf overeind krijg. Zet een pittig kop koffie, haal Trouw uit de bus (plus tijdelijk een extra AD) , steek een sigaret op en dan begint mijn ochtend en ben ik helemaal aan. Rond een uur of 12 gaat er dan wat eetbaars naar binnen waarop ik makkelijk naar AH kan fietsen. We moeten de zaken niet omdraaien. Als ik durfde zou ik ze dat moeten zeggen.

 

Dinsdag 21 juni.

De dag begon met een mail : Inspiratie nodig ? Zoek niet verder. Ik heb met openen gewacht tot nu. Me de hele dag verheugd op iets nieuws. Valt tegen. Blijkt reclame voor vakantiehuisjes te wezen. Natuurlijk kun je in die veel te dure woninkjes inspiratie opdoen maar ook mateloze verveling. Mijn inspiratie kwam vandaag uit heel andere bron. Allereerst was het de langste dag. Morgen is ie net zo lang maar een kniesoor die daarop let. Zon op 5.18 uur, zon onder 22.04 uur. Een verrukkelijke dag met o.a. milde regen maar ook droge plekken.

Het was ook de dag van de lange mensen, zoals je tegenwoordig overal dagen voor hebt. Lange mensen hebben specifieke problemen, dat laat zich raden. Te korte bedden in hotels, te weinig keus uit schoenen en kleding en noem maar op. Op het hoogtepunt van mijn bloeitijd was ik 1.91 meter. Ben nu gekrompen tot 1.86 maar nog is b.v. een markt een bezoeking : al die lage luifeltjes die het op mijn hoofd gemunt hebben. Maar in de supermarkt  is er vaak genoeg een vrouw met klein postuur die gretig uitziet naar mijn komst omdat ze niet bij het bovenste artikel kan. In de kerk handelde ik ook in die “bovenste artikelen “ maar daar nam de gretigheid in de loop der jaren af, misschien wel omdat ik kromp.Ik weet van anderen dat lange mensen in hun jonge jaren vaak erg gepest zijn. Wat begon met een grapje ( is het koud daarboven ? ) liep vaak uit op stomweg pootje lichten. De gevolgen van gepest worden mag je niet onderschatten ; die kunnen een leven lang van invloed zijn en zelfs het leven onmogelijk maken.

De dag werd voor mij afgesloten met een herhaling van een oude Pauw en Witteman t.g.v het sterven van Henk Hofland van de NRC, ooit benoemd tot dé Nederlandse journalist van de 20e eeuw. In deze uitzending zat hij met nog twee 80-jarigen : Harry Mulisch en Jan Blokker. Alle drie inmiddels overleden terwijl ze aan het slot nog wel de afspraak maakten over 5 jaar terug te komen.

Hun gesprek ontroerde me net als hun geestelijke vitaliteit. Natuurlijk spraken ze ook over de oorlog. Hofland woonde toen in Rotterdam en herinnerde zich haarscherp zijn boosheid toen die stad op 14 mei 1940 werd platgegooid. Jan Blokker kende de typen vliegtuigen die over Amsterdam vlogen maar verbaasde zich er achteraf vooral over  hoe er veel alledaagse dingen gewoon doorgingen (twee elfstedentochten, de schoolfoto’s tegenover het Achterhuis en de treinen die op tijd reden). Mulisch vertelde dat zij thuis een Duitse huishoudster hadden die op 10 mei ernstig ziek lag; ze had nierstenen. Toen die hoorde dat de Duitsers waren binnengevallen was ze ineens hersteld : bij haar waren de stenen weggebombardeerd. Ook kwam bij deze drie “eminences grises “ de absolute leeftijd ter sprake. Mulisch : sommigen jongelui van 18 zijn al 70 en dat zullen ze blijven tot hun dood. Anderen, zoals hij, blijven 17. Blokker hield het op rond de 20 en Hofland was heel pertinent : 5. Volgens hem was dat af te meten aan de naieve perceptie, alles waarnemen als een klein kind. Misschien wordt dat wel bedoeld met de bijbelse uitdrukking : worden als een kind. Dat je de routine van kijken vervangt door verwonderd, naief, onschuldig zien. Ik teken daarvoor. Jammer dat deze lange dag alweer voorbij is.

 

Woensdag 22 juni

Bij de warme bakker ontmoette ik vanmorgen mijn logopediste. Een geweldige vrouw die mij 4 jaar geleden weer de preekstoel op heeft gehesen, vocaal dan. Door de operatie aan hals en mond was ik niet meer zeker van mijn stem. Zij gaf mij niet alleen goede spraakoefeningen maar vooral zelfvertrouwen. Een tijdje later verschafte ze mij  de eer om een nieuwe praktijkruimte logopedie officiëel te openen. Bij die gelegenheid en voor het front van een aantal van haar collega’s heb ik toen iets verteld over mijn ervaringen met spraakles, 50 jaar geleden. Tijdens de studie in Kampen kregen we wel eens een uurtje les van een stemkunstenaar. Ik kan me daar alleen mijn slappe lach van herinneren. Ik sliste nog even hard en vond mijn klinkers niet vol genoeg. Toen de aanloop naar de preekstoel in de 60er jaren serieus werd wilde ik daar toch iets aan doen. Ik had nog geen idee wat ik allemaal in een kerk wilde zeggen maar laat het in hemelsnaam verstaanbaar wezen. Als mensen dan reageren met : wat zegt u me dáár nou ?, dan weet ik tenminste dat het over de inhoud gaat. Zo is het ook geschied. Ik kom daar vast nog eens op terug. Nu over de stem. Ik kwam terecht bij een sympathieke mevrouw van middelbare leeftijd, die mijn moeder had kunnen zijn, ook qua postuur , namelijk stevig gebouwd. Na een korte kennismaking waarin ik kon aangeven waarvoor ik kwam – maar dat had ze natuurlijk allang gehoord – wilde ze meteen met de eerste sessie beginnen. Ik vond het prima en kreeg als eerste te horen : doe je schoenen maar uit. Ik was stomverbaasd. Ze zal toch wel begrepen hebben waarvoor ik kom ? Bovendien had ik daar niet op gerekend. Ik droeg goedkope Bata-schoenen, meer plastic dan leer , dus zweetvoeten kreeg je er gratis bij. De verbazing werd verbijstering toen haar volgende verzoek klonk : wil je nu op die tafel gaan liggen ? In het midden van de kamer stond een grote, lange tafel, met één dun kussentje voor het hoofd. De tafel was niet breed genoeg voor twee personen wat me enigszins geruststelde. Er viel een pak van m’n hart toen ze vervolgde met de mededeling dat zij me eerst ontspanningsoefeningen wilde laten doen. Ogen dicht, armen langs het lichaam leggen en inademen door de neus, zachtjes tussen de lippen door uitblazen. Daarna ging ze een wandeling langs mijn lichaam maken. Ze begon bij mijn rechterhand : vuist maken  en ontspannen, toen via arm en  schouders naar het hoofd, ogen samenknijpen en los, smoel trekken, fronsen en noem maar op, via de andere arm er weer uit, toen naar de romp, een borst opzetten en laten zakken, buik net zo en ineens zat ze bij mijn knieën. Alle verwarring bij mij verdween, het was een keurige mevrouw die mijn bekken met rust zou laten. Alle volgende keren dat ik bij haar kwam begonnen we met deze oefeningen. Ik raakte er dermate mee vertrouwd dat ik meestal binnen vijf minuten, als zij bij mijn hoofd een wandeling maakte, in diepe slaap was. Het tweede deel bestond uit ademhalingsoefeningen. We stonden dan tegenover elkaar. Als je naar achteren helde ademde je in en bij het naar voren hellen stootte je dan klanken uit (o en a vooral), soms keihard, soms fluweelzacht. Je moest dan zorgen de lucht zo diep mogelijk in je buik te krijgen. Om dat te illustreren deed zij het voor en daarbij mocht ik mijn beide handen opzij tegen haar buik aan leggen. Dat voelde keihard, als een maximaal opgepompte fietsband. Op die verzamelde lucht kon zij bijna drie minuten aan één stuk praten en via mijn handen voelde ik die band langzaam leeglopen. Toen heb ik weleens gedacht aan vrienden en bekenden, als die me zo zouden zien. Alsof we een nieuwe dans aan het instuderen waren met oergeluiden en wat onbeholpen handtastelijkheden. Toen ik een gevorderd leerling was maakte zij bandopnames. Je hoorde je eigen stem, dat was toen nieuw. Ik schrok me wezenloos. Ben ik dat ? Ja, dat ben jij ! “De zon en de zee springen bliksemend open / ik voer een blonde vrouw aan mijn zij.” Woorden van Marsman uit Paradise regained. Ik heb het eindeloos voorgedragen met al die prachtige klinkers. En het grappige is dat ik bij dat gedicht  altijd aan die logopediste van toen denk en nooit aan blonde vrouwen op verre kusten. Taal is schitterend en verdient het zo goed mogelijk te worden uitgesproken. Daarom ben ik de logopedisten van toen en nu dankbaar.

 

Donderdag 23 juni

Ineens viel het me vandaag op hoeveel informatie er per dag op ons afgestuurd wordt. Nóg interessanter is het wat je ermee doet. Laat ik voor mezelf spreken.

De dag (of nacht eigenlijk) begon met spetterende luchten. Tegen het ochtend-gloren zag ik zware luchten aan komen rollen die bakken water over ons dorp uitgoten begeleid door knetterend vuurwerk. Donder op zich kan geen kwaad maar als je net in slaap zakt doet het wel zeer aan je oren. Het nieuws meldde hagelstenen als tennisballen en veel malheur. In de auto luisterde ik naar de radio.  Man doodgeschoten in Utrecht – zeker een liquidatie, denk ik dan, alsof dat minder erg is - , 76 Chinezen verdronken tengevolge van een typhoon, 5000  vluchtelingen op één dag gered uit de Middellandse Zee, schutter in bioscoop in Duitsland gedood, het voetbalstadion in Lille krijgt in één dag een nieuwe (Nederlandse) grasmat en de Britten stemmen over een Brexit. Wat doe ik met al dat nieuws ? Kennelijk sla ik het ergens op want ik weet het nog,  maar eigenlijk heb ik het weggezet. Als een boek waarvan ik via de tekst op de achterflap kennis heb genomen en dat ik vervolgens in de kast plaats. Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen is dan een gebruikelijk excuus. Ik ken dat nog uit mijn tijd op het Ministerie in de jaren ’60.  Er was toen een vreselijke hongersnood in India. Samen met een collega organiseerde ik toen , op de dag van de salarisuitbetaling (dat ging toen nog contant, in envelopjes ; straks moeten we  aan de bank vergoeding betalen voor het feit dat zij ons inkomen op onze rekening willen ontvangen !) een inzameling. Dat leverde duizenden guldens op. Maar ook tweets van die tijd, anonieme briefjes waarin de meest bizarre uitspraken over hongerlijders maar ook over mij werden gedaan. Eigen volk eerst en zo en ik een sentimentele kwast. Ik was daar toen behoorlijk door van streek. Nu betrap ik mezelf erop dat ik op de mededeling van 5000 boot-vluchtelingen reageer met : dát is veel , op één dag. Ik ben niet trots op deze verandering. Natuurlijk, mijn wereld wordt ook kleiner ondanks alles wat er dagelijks bij me binnenkomt.Maar wat moet ik ? Doen wat je kunt op de paar vierkante meter van je leven. Is dat genoeg ? Voor een calvinist zeker niet maar dat zij dan maar zo. In mijn kleine wereld sprak ik van de week door de telefoon mijn zus. Op mijn vraag hoe het ging antwoordde ze : goed, alleen die jicht en dat is zo pijnlijk. Ik weet niks van jicht en als iemand me ooit vertelde het te hebben, zette ik die informatie weg op mijn harde schijf,  dat ongelezen boek. Maar vanmiddag zag ik het voor me hoe iemand voor het eerst van haar leven een jichtaanval kreeg. Felle pijn, vuurrode voet en niet weten waar je het zoeken moet. O, is het dat ? En dan haal ik dat boek uit de kast en ga het eindelijk lezen. Het is mondjesmaat, ik geef het toe, maar beter wat dan niks. En als ik binnenkort mijn zus opzoek zal ik anders naar haar ervaringen luisteren.

 

Vrijdag 24 juni.

De Britten willen uit de EU. Krap an want het is maar 52 %. Bijzonder om te zien hoe iedereen nu kronkelt.  Een fanatieke voorstander als Johnson heeft het al over de hechte banden die Brittain met Europa heeft. Wilders ziet visioenen en wil ook Nederland eruit. Net als Le Pen en die nieuwe partij in Duitsland. Tijd voor toekomstvoorspellers.  Soms kan ik het niet laten om naar Astro TV te kijken. Een serieus bedoeld programma met mediums, zoals dat heet. Daar zit dan een heel erg ronde man die alleen maar de geboortedatum van de beller hoeft te weten en dan gaat ie los. U hebt heel wat achter de rug. Als de beller dan piepend of met een zucht “ja “ zegt wordt het : en dat viel niet altijd mee ! Het is om jeuk van te krijgen. Helemaal als er een mevrouw in beeld verschijnt die glashard beweert dat ze contact heeft met overledenen, die zich vervolgens nog met jouw toekomst gaan bemoeien ook. Altijd komt er dan iemand op jouw pad. Ja, dank je de koekoek. Of is het de postbode met   heimelijke plannen ?  In 1959 ontmoette ik Gerard Croiset op een lezing in Kampen. Hij was een officiëel erkende man met paranormale gaven. Professor ten Haaff in Utrecht hield hem in de gaten. Ik heb inderdaad frappante staaltjes van hem gehoord en gezien. Zo vertelde hij dat hij op het station Amersfoort niet  in de stoptrein naar Zwolle stapte omdat hij , toen hij de trein aanraakte, zág dat deze een botsing zou krijgen. En inderdaad, een poosje later vloog deze trein op een traktor. Hamvraag : waarom niet ingegrepen en de machinist gewaarschuwd ? Het is toch niet voor niks dat u over de rand van de toekomst mag kijken ? Maar nee, dat ging te ver, dit zijn dingen die moeten gebeuren, daar mag je niet vóór gaan liggen (pikante beeldspraak trouwens). Hiermee zie je dat het echt een geloof is. En Kuitert mag dan wel zeggen : zonder geloof vaart niemand wél, maar met dít geloof vaart alleen de toekomstvoorspeller wél. Die bellers betalen 4 ½ euro per gesprek en mogen niet veel meer zeggen dan hun geboortedatum en “ ja ja” als reactie op allerlei beweringen. Zodra het gesprek minder loopt is bovendien “helaas de tijd om “. Waarom ik hier naar kijk ?

Leedvermaak denk ik en soms mededogen. Net als nu naar die eindeloze nabeschouwingen over de Brexit. Daarbij vergeleken zijn al die voetbalprogramma’s ineens van hoge kwaliteit. En minder onschuldig. Want Europa als speeltje in handen van allerlei eigenbelangers blijf ik levensgevaarlijk vinden. Daar hoef je geen astroloog voor te wezen. Beller is al genoeg.

 

 

 

Nachtboek 15

Zaterdag 11 juni

Vandaag gedaan alsof we een vakantiedag hadden. We reden door de Flevo-polders richting het Noorden. Ineens overviel me de gedachte dat daar zo’n 15 tot 20 meter boven je hoofd eeuwen lang vissers strijd leverden voor hun bestaan. Op Urk kun je de namen lezen van hen die in dat gevecht het leven lieten. Ze verdronken daar waar nu het groen zich uitstrekt. Langs mijn oude woonplaats Swifterbant reden we de Noordoostpolder in. Toen door Nagele. Ik vermeld die plaats apart omdat die pas in het nieuws was. Ik dacht me te herinneren dat het  de schoonste plek van Nederland is. Geen wonder want op twee (!) kerken na , wat gedateerde huizen en een superkleine winkel is er niks. Daar kan je niet leven. Waarvan zou het dan vuil moeten worden ?  Toch zijn daar ooit medestudenten als dominee begonnen. Daar en in Friesland zou je het vak goed kunnen leren.  Altijd wel een wijze boer die de jonge dominee op weg zou helpen, eventueel met zijn eigen schapen als voorbeeld. ‘t Is dat ik wat stram begin te worden en geen ouderwets geloof meer heb, anders zou ik alsnog op de blote knietjes gaan om te danken dat zoiets mij bespaard is gebleven. Hoewel…maar dat is een ander verhaal. We kwamen uiteindelijk terecht in Vollenhove, voor ‘t eerst van mijn leven. Het grenst aan het nieuwe land maar ademt eeuwen. Weer twee kerken, Hervormd en Gereformeerd en groot ! De eerste is een emorm bakbeest, nergens sierlijk maar wel voorzien van een prachtig orgel. Dat heb ik  horen spelen en dan neem je het gebouw voor lief, net als de zwaluwen, die er omheen vlogen, dat doen. Zij gebruiken het zelfs om hun jongskens neer te leggen in ‘t kunstig nest bij Uw altaren (Ps.84, jawel, : oude berijming, want die zit op mijn harde schijf). Die altaren zijn er trouwens wel uitgemikt toen de protestanten dat kerkgebouw veroverden in de 16e eeuw. De zwaluwen zijn gebleven. Wel prettig voor de kinderen in de kerk die tenminste iets te zien krijgen door de enorme ramen : glas in lood maar zonder enige afbeelding erop. De preekstoel was zo hoog als die in Elst waar ik ooit begon. Ik zie nog mijn vader daarop staan toen hij mij bevestigde.Ik zat in de ouderlingenbank. Van bovenaf werd toen gevraagd of de gemeente geduld met deze “jongeling” ( ik was 32, vader van drie kinderen) wilde hebben. Een paar uur later stond ik daar zelf, mét hoogtevrees. Vergelijk het maar met het gevoel dat je op de hoogste duikplank staat en niet kunt zwemmen. Ik haat dus hoge preekstoelen en heb ze vermeden waar ik ook maar kon. De Gereformeerde kerk in Vollenhove  heeft helemaal het uiterlijk van een Roomse kerk, want zo noemden wij dat. In Den Haag woonde ik vlakbij zo’n kerk maar daar kwamen wij niet, bij die Roomsen met hun “vervloekte paapse mis “ zoals in onze catechismus stond. Ik ben voor ‘t eerst in dat gebouw  geweest toen het afgebrand was midden jaren ’50. Tussen de puinhopen stond toen een offerblok voor wederopbouw, als aanvulling op de uitkering van de verzekering.Slimme pastoor !  Ik heb net even gegoogled naar Vollenhove en ja hoor de kerk heet Mariakerk. En of de duvel (of de geest) ermee speelt : ze zingen morgenochtend Ps 84, van die zwaluwen. Misschien vliegen ze daar ook want Vollenhove is niet zo groot.

 

Zondag 12 juni

De dag begonnen met de de dienst rond de NRC. D.w.z koffie, sigaretje en dan twee uur die krant van zaterdag. En nog moet ik kiezen want alles lezen zou meer uren vragen. Ik lees met de schaar in de hand en kies artikelen uit voor mijn dochter Karin. Een enkele bewaar ik zelf. Dat was vandaag een interview door de uiterst kundige Coen Verbraak met Nelleke Nicolai, een psycho-therapeut. Gaat over het gevoelsleven van de mens.Wat een prachtig gesprek.

Aan het slot gaat het over verwerken van emoties. Ze zegt dan : “verwerken is werken. Niet met je bewuste geest, maar via je onderbewuste. Je bewuste geest is maar zo’n klein stukje van het brein. Veruit het meeste komt voort uit het impliciete geheugen. De dingen die je droomt, fantaseert, de herinneringen die ineens opkomen. “  Ergens anders las ik vandaag het beeld van afdalen in de mijnschacht van je herinnering.  Wat een mooie metafoor, die mijnschacht. In werkelijkheid zal ik daar nooit in durven maar in mijn verbeelding ben ik zelden helemaal bovengronds. Voortdurend borrelt er iets naar boven uit het verleden. En in mijn dromen zak ik met de lift naar beneden en passeer ik de  verschillende lagen van mijn geschiedenis. Vanavond nog, tijdens een hazenslaapje, zat ik te bridgen met mijn oudste zus en schoonzoon in de keuken in Den Haag. Ik kon, toen ik wakker werd, het spel waarmee we bezig waren, uittekenen. Maar  de werkelijkheid is dat beiden niet bridgen en dat de keuken in Den Haag die van 60 jaar geleden is. Bij het schrijven in mijn nachtboek komen de herinneringen helemaal vanzelf naar boven. Een enkel woord of gezegde, een foto of een beeld in mijn geheugen brengt de lift in beweging. Als ik ze dan opschrijf probeer ik zo dicht mogelijk de werkelijkheid van toen te benaderen maar het is net als met foto’s en krantenknipsels : door de tijd raken ze verkleurd. Bovendien zullen mijn eigen emoties ook gebeur-tenissen, die ik mij herinner, hebben ingekleurd. Maar voor het gaan van mijn eigen weg is het veel belangrijker erachter te komen hoe ik het verleden heb ervaren dan me erom te bekommeren of het allemaal wel precies zo gebeurd is. Toen ik  tentamen Nederlandse Kerkgeschiedenis moest doen vroeg de professor mij als eerste een jaartal. Ik had geen idee en vertelde hem toen dat ik mij verdiept had in de Dordtse synode , de Afscheiding en Doleantie en de rest had gelaten. Als hij mij toen gevraagd had naar het waarom van die keuze, zou  hij op mijn grote twijfel bij die drie “hoogtepunten “ gestuit zijn. Nu antwoordde hij kribbig dat ik dan maar alles moest vertellen over die synode van Dordt wat ik wist. Ik heb ruim twintig minuten gepraat ( ik zat tegenover zijn Friese staartklok en kon de tijd dus goed bijhouden))  en zag de gelaatskleur van de prof steeds dieper rood worden. Ik citeerde kennelijk met teveel enthousiasme enkele “wereldse “ historici die weinig  goeds over die synode te melden hadden. Toen ik klaar was  zei hij :  u hebt er veel over gelezen, ik geef u een 8 maar er klopt een heleboel niet van wat u zegt. Vervolgens gaf hij een privé-college van ruim anderhalf uur en leek daarbij op een kok die heel veel dikke maizenasaus over de bloemkool giet om het luchtje weg te werken.  Ik had niks verzonnen, hij evenmin maar wat er werkelijk in die voorbij eeuwen gebeurd was, geen idee. Het was onze bril van nu, de “Sitz im Leben “ zeggen ze dan deftig, die onze mening over de geschiedenis kleurde.

Wel leuk trouwens om me dat tentamen ineens te herinneren.

 

Maandag 13 juni

Vorige week heb ik Mohammed Ali naar de ogen gekeken. Eerst was er de indrukwekkende opname uit het Witte Huis. President Bush hing hem een medaille om. En toen die ogen : vol licht, een en al twinkeling, meer dan duizend woorden. Ali weigerde destijds om als soldaat in Vietnam te vechten en stond nu oog in oog met de man die overal wel oorlog wilde voeren. Het leek alsof die ogen zeiden : de zachte krachten zullen overwinnen ondanks die sterke vuisten van hem. Later zag ik de film die gemaakt is van zijn bezoek aan Nederland. Hij werd rondgereden in een goudkleurige Mercedes, langs de Wallen en naar Volendam, dat was Holland op z’n best kennelijk. En weer die ogen. Ze spoten vuur toen iemand hem vroeg naar zijn alom geprezen  liefdadigheid. Als ik daarover praat is het geen liefdadigheid meer.  Toch werd  bekend wat gebeurde tijdens zijn vertrek van Schiphol : een Amerikaans echtpaar, net in Amsterdam beroofd van geld, cheques en papieren vroeg hem om hulp. Ze wilden nog zo graag naar Scandinavië. Zonder aarzelen opende Ali een koffer die vol met dollars bleek te zitten (kennelijk de aanbetaling voor zijn biografie) en gaf de mensen twee stapeltjes geld met de beste wensen voor een goeie reis.  Het kwam uit dezelfde handen waarmee hij heel wat gerenommeerde boksers uit het veld had geslagen. Dan loerden z’n ogen naar de zwakke plek bij de tegenstander De laatste keer dat ik beelden van hem zag was toen hij in Londen bij de opening van de Olympische spelen te gast was.

“De wachters van het huis “ (z’n handen dus volgens Prediker) beefden maar z’n ogen hadden het Olympisch vuur. Uiteindelijk zijn het – om nóg maar eens de Schrift te citeren – “milde handen en vriend’lijke ogen geworden (Psalm 25, berijmd).  In NRC-weekend stond een ontroerende foto van bokspromotor Don King : de zwarte man met die enorme bos wit haar, die bij elke wedstrijd van Ali prominent aanwezig was. Nu zag je bij de uitvaart van Ali zijn oude hoofd met zwart/grijs haar en twee zó intens droeve ogen. De foto ligt bij mijn computer en mag voorlopig niet weg. Ik heb iets met ogen. Eén mens kan twee heel verschillende hebben. Een vriendelijke en een boosaardige of zeer alerte. Daar is eens een studie van gemaakt. Met foto’s van de ogen van Helmut Kohl en Margaret Thatcher werd b.v. geëxperimenteerd. Als hun beide ogen  de uitstraling van één van hun eigen ogen hadden waren ze of vriendelijke grootouders of vreselijk dreigende types. Let op foto’s maar eens op de ogen van Hillary Clinton, daar word je niet vrolijk van . Daar heb je geen woorden meer bij nodig. Nog één dierbare herinnering tot slot : mijn schoonzus Fie  raakte korte tijd voor haar sterven in coma. Ik bezocht haar op de Intensive Care.  Nadat ik een poosje stil aan haar bed had gezeten  riep ik ineens haar naam. Tot verbazing van iedereen deed ze haar ogen open en die zal ik nooit vergeten. Helder lichtblauw, het leek alsof er meer licht uitkwam dan dat er inging, transparant haast, terwijl ze juist de laatste weken zo dof en doods de wereld in had gekeken. Ik vroeg haar wat ze had meegemaakt. Ze vertelde dat ze in zo’n schitterende wereld was geweest, licht en mooi,waar ze in een prachtige witte trouwjurk ( ze was ooit in het grijs getrouwd omdat haar moeder de a.s. echtgenoot beneden hun stand vond !) rondliep. Ze vond het vreselijk om weer in haar zieke lichaam terug te moeten. Bij haar uitvaart heb ik dit verhaal verteld om iedereen te laten delen in deze ontroerende droom.

Ik heb op de Duitse tv eens een documentaire gezien over het graf van een poolreiziger die ter plekke, in sneeuw en ijs was begraven. Na eeuwen werd zijn graf geopend, laagje voor laagje werd het ijs eraf gekrabd en uiteindelijk kwam de man met helder blauwe kijkers aan het licht. De ogen van mijn schoonzus leken op de zijne. Mooi om te fantaseren dat al die ogen elkaar nu zien, twinkelend als sterren. Dat boze zal er toch wel af zijn want daar kun je na je dood niks mee.

 

Dinsdag 14 juni.

In Trouw van deze dag las ik dat Arend Holvast is overleden en meteen startte er bij mij een film uit de jaren ’50. Wij woonden op de Pauwenlaan in Den Haag in een enorm groot huis, volgens mij als enige vrijstaand in de hele Vogelwijk. Mijn vader was toen predikant voor de Jodenzending. Namens de Geref.Kerk probeerde hij samen met collega Bakker (in Rotterdam) en Kapteijn (in Amsterdam) Joden tot het christelijk geloof te brengen. Ds. Tabaksblatt deed dat voor de Herv.Kerk maar ze werkten niet samen. Het zal allemaal goed bedoeld zijn maar ik denk niet dat er één Jood na de Holocaust op het Christendom zat te wachten. Even-zo-goed was er een hele organisatie voor opgetuigd. Op de Pauwenlaan werd de eetkamer ontruimd en ingericht als bureau voor de administrateur en dat was Arend Holvast. Ik schatte hem toen (in mijn herinnering) rond de 40. Enkele jaren geleden ontmoette ik hem en hij was nog steeds rond de 40. Kennelijk is dat zijn absolute leeftijd maar in werkelijkheid was hij 87. In 1955 ging het ouderlijk gezin op vakantie naar Vlieland. Broer Evert en ik bleven een week lang achter vanwege schoolexamen en proefwerken. Arend Holvast zou op ons passen. Evert en ik konden nu eens onbespied rondsnuffelen in kamers waar we normaal nooit  kwamen. Vooral de studeerkamer van vader was in trek. Daar vonden we achter de dikke theologische banden een windbuks, met kogeltjes en enkele pluimpjes. (Ik ken studenten en later ook collega’s die heel andere zaken achter die zware theologie verborgen hielden ; dat maakte het wat lichter zal ik maar zeggen.)  Met duivelse pret togen we naar mijn zolderkamertje, a room with a view, namelijk uitzicht op de achterbuurvrouw die daar graag in een soort bikini lag te zonnen. Ze hing dan een laken aan de waslijn waardoor ze vanuit de 1e etage van ons huis niet gezien kon worden. Maar wij zaten twee hoog en konden ons van harte verlustigen in de aanblik van Batheseba. Want zó werd ze genoemd. Naar de vrouw die door koning David vanuit zijn zolderkamer (namelijk het dak van zijn paleis) gezien werd terwijl zij aan het baden was. Hij had de macht om haar spoorslags naar het paleis te ontbieden en de rest kun je raden. Wij hadden alleen maar een windbuks, weliswaar oud en wat gebogen maar hij deed het. We legden aan en na enkele pogingen lukte het ons (bij toeval ) haar te raken. We deden gauw het raampje op een kier en zagen door de vitrage dat zij opsprong en over de schutting haar buurman riep, die was advocaat. Ze schreeuwde ( hoorbaar door het kiertje in mijn raam) dat zij hier werk van ging maken en de politie zou inschakelen. Evert kon het niet schelen maar ik deed het bijkans in mijn broek van angst en kwam met een plan. Ik ga naar haar toe en leg het uit. Evert wenste me sterkte en ik ging als een haas naar de Laan van Poot, haar huis achter ons. Het aanbellen ging nog net want ik beefde als een riet. De deur ging open en daar stond ze : Bathseba, in badjas. De vrouw ,op wie ik vele puberale dromen had losgelaten, bleek ouder dan mijn moeder. De make-up van eeuwen had haar tol geeist. Ze was alleen maar bruin, voor mij lelijk bruin. Stamelend deed ik mijn verhaal. Dat ik stiekem de buks van mijn vader had gepakt en dat ik op musjes schoot die bij haar op het schuurtje zaten maar dat er een lichte bocht in de loop van die buks zat en dat ik haar nu per ongeluk geraakt had en dat ik daarvoor mijn excuses aanbood. Stel je voor : een gymnasiast van bijna 17, met een vakkenpakket dat twee leerlingen van nu sámen zouden weigeren te dragen, keurig gereformeerd opgevoed, van plan zelfs dominee te worden, die staat daar oog in oog met een teleurstellende verleiding en kan niet anders dan liegen dat ie barst. Maar ja, ik kon toch moeilijk zeggen dat ze me van dichtbij tegenviel of dat ik het juist op haar gemunt had, met mijn windbuks. Ik moet het ondanks al mijn gestoethaspel toch aardig gedaan hebben, misschien hield ik m’n hoofd wel scheef zoals kleine kinderen zo prachtige kunnen doen, want ze vond het flink van me dat ik naar haar was toegekomen, ze zou er geen werk van maken, maar nooit meer doen, de gebruikelijke riedels. Evert had mijn boetegang gevolgd vanachter de vitrage op mijn zolderkamer. Hij moest toegeven toch wel opgelucht te zijn. Met Arend konden we deze heftige ervaring niet delen. Hij kreeg later alle lof dat het zo goed was gegaan met hem als oppas en dat vonden wij eigenlijk ook. Hij heeft nadien nog 61 jaar mogen leven en is nu op bijna 92 jarige leeftijd overleden. Ik zal me  hem blijven herinneren , al was het alleen  maar vanwege mijn eigen “Batheseba”.

 

Woensdag 15 juni.

Zo’n datum die in mijn geheugen is gegrift. Mijn moeder was op deze dag jarig en later kwam daar ook mijn schoonzus Wietske bij. Vandaag was het ook de dag van de nieuwe haring. Onze bridgevriend Thieu bracht een schaal vol met dat lekkers mee. Zoals gebruikelijk bij nieuwe haring zeg je dan : wat zijn ze zacht en mals en andere jaren zeg ik dat weer, maar dit keer : boterzacht.  Het bracht mij terug naar de groentenveiling in Katwijk/Binnen. Toen ik bij een gereformeerde en dus slecht betalende bollenboer werkte in de vakantie  heb ik die veiling leren kennen. ‘s Morgens heel vroeg trokken wij peen (worteltjes die ingezaaid waren na de tulpenoogst) en brachten die naar de veiling. Daar werden ze gewassen en vervolgens meestal  doorgedraaid vanwege de enorme aanvoer. Rond een uur of negen kwam er een Katwijks viskarretje de hal binnengereden. Voor een kwartje per stuk kon je die Hollandse nieuwe naar binnen laten glijden. Ik heb het één keer tot acht gebracht, dat was 2 uur loon want we verdienden 40 gulden per week voor zeker 40 uur werken. Maar lekker dat het was ! Het lijkt veel maar de helft was voor de inwonende lintworm, besef ik achteraf. Ik vind het wel jammer dat de visboer uit het straatbeeld is verdwenen. Met name uit den Haag herinner ik me die rijk met vlaggetjes versierde  karretjes met hollandse nieuwe. Zoals je ook de lorrenboeren had, soms drie achter elkaar, de melkboer en de bakker, de scharensliep en de groentenboer.(In die tijd veranderde trouwens de melkboer in melkman, en o wee als je er boer uitflapte.)  Als het mistig was hoorde je boven al het geluid van die karretjes en later bestelauto’s de misthoorn van Scheveningen Haven. Ik kon daar als jongen heel mistroostig van worden. Wij woonden tegen de duinrand en ‘s nachts flitste het licht van de vuurtoren langs je raam ,om de zoveel seconden begeleid door die monotone klank die schip-pers van de kust af moest houden. Nu “hoor” ik vliegtuigen maar het zijn er zoveel dat ik ze niet meer hoor. En áls hun motorgeluid echt tot me door-dringt, vooral ‘s nachts of heel vroeg in de morgen, dan is het een genoegen om  te fantaseren wie daarin zit, waar ze heen gaan, wat ze denken. Gaan ze naar huis of vertrekken ze juist ? Vol verlangen of met angst, met heimwee of opgelucht ? Of is het routine zoals een ander de bus of trein neemt ? Soms pak ik mijn tablet erbij en kijk op de Flightradar waar ze heengaan of vandaan komen. Hoe verder de reis hoe meer er te fantaseren valt. Waar een nieuwe haring je allemaal brengen kan !

 

Donderdag 16 juni.

Open ik mijn pc, krijg ik ongevraagd een aanbieding van Viagra. Kan ik het zeven uur mee volhouden, beloven ze. Volgende maand hoop ik 78 te worden.

Moet ik ze dat maar eens antwoorden ? Of zal ik vragen wie dan mijn stukjes schrijft, de boodschappen doet en kookt en wanneer ik dan voetbal moet kijken ? Alles heeft zijn dag en zijn uur, schreef Prediker. Sommige tijd is spaarzame tijd geworden en bepaalde vuren spaarbranders. Dus : deleten en aangeven als ongewenste mails. En dat moet ik vaker doen, al is dat best moeilijk. Neem het volgende voorbeeld :  de telefoon gaat, ik neem op en zeg : Nawijn. Een sympathieke stem zegt : spreek ik met de heer Nawijn. Ik antwoord dan “ja “ maar kan toch ook zeggen : dat zei ik toch ? Spreek ik met een dove ? Maar dat zeg ik niet en dus zit ik vast aan de volgende riedel : wij weten dat u ons doel een goed hart toedraagt, daar zijn we ook heel blij mee, u weet wat we er allemaal mee doen…enz.enz. En kom daar maar eens tussen. Je kunt je afmelden voor dit soort gedoe maar dat werkt klaarblijkelijk maar even en dan komen ze weer, als sprinkhanen over Egypte. Nog moeilijker vind ik het als je op straat of aan de voordeur aangesproken wordt. Vanmiddag nog bij de grootgrutter voor de deur : een man achter een soort katheder met blaadjes erop, hij zelf in een belachelijk rood t-shirt, wat hij thuis niet zal mogen dragen, loerend naar iedereen die argeloos een kropje sla of een pot pindakaas kwam kopen. Mag ik u iets vragen ?  U kent vast wel De Telegraaf…enz.enz. Ik biecht eerlijk op dat ik een omweggetje heb genomen om buiten het bereik van de man de winkel in en uit te komen. Even heb ik staan kijken. Dan zie je mensen gewoon nee schudden of hartelijk maar beslist dank u wel zeggen. Ik kan dat niet. Vind dat dan weer zielig voor die man. En als die man een vrouw is ben ik helemaal de pineut. Komt er pas een donkere schoonheid aan de deur met de vraag of ik al van Toon gehoord heb, die van de Eneco ? Of ze dat mocht komen toelichten ?  Voor ik het wist, maar tegelijk op mijn uitnodiging zat ik al  met haar aan tafel. Donkere ogen, mooie lach, fantastische nagels, leuke stem en nu hangt Toon bij mij aan de muur. Kost wel € 3,50 per maand maar dat haal je er , door bewuster met energie om te gaan, direct weer uit. Daar heb je geen Viagra bij nodig. Het allermoeilijkste om te weigeren overkomt mij in een winkel.Verkopers kunnen mij alles aansmeren wat ze kwijt willen. Zo heb ik jarenlang in veel te grote schoenen gelopen. Waarom ? Ik kwam altijd bij een heel aardige schoenverkoper in Amersfoort.We babbelden wat over het weer en het leven en onderhand pakte hij wat schoenen , maat 46. Als de rechterschoen goed zat en me beviel wilde ik de linker nooit aan want dat was altijd goed ! Ik liep er redelijk op en struikelde af en toe, verder geen probleem. De zaak ging failliet en op advies van Agnes ging ik eens naar een betere zaak. Ik zie nog het gezicht van die eigenaresse toen ik mijn schoenen uittrok. Waarom loopt u met zulke grote schoenen ? Omdat mijn voeten niet in kleinere maten passen. Wat bleek ? Ik heb een hoge wreef en daar moet je op letten als je schoenen koopt  (gratis advies !). Ineens had ik maat 44. Nu ik verder krimp – ook daar helpt geen lieve moeder of Viagra aan – zal dat wel 43 worden. Over kledingzaken zal ik niet te lang uitweiden. Ik moet naar een zaak waar niemand is, zelf kiezen en passen en zo anoniem mogelijk afrekenen bij de kassa. Waarom ? Omdat verkopers mij in jasjes en broeken hijsen, met vreselijk bijpassende dingetjes, die ik het liefst op de weg naar huis al bij de Kringloop zou willen afgeven. Ik zou graag willen dat mij niets meer wordt aangesmeerd tenzij iets als Eneco Toon, ik weet het en dus blijf ik doelwit.

 

Vrijdag 17 juni

Na al dat voetbal, waarbij ik eerlijk gezegd wel eens in slaap viel maar dat lag aan mij en niet aan het spelletje, gleed ik in een historische film over de begintijd van Koningin Victoria. Zij trouwde met haar neef prins Albert en baarde 9 kinderen. Als wij spreken over het “Victoriaanse tijdperk “ denk je toch gauw aan een potdichte vrouw met rigide opvattingen. Maar in deze film kwam ze over als sociaal voelend en redelijk verliefd. Ze bleef op jonge leeftijd alleen achter en is toen nog vele tientallen jaren op de troon blijven zitten. Mis-schien is ze daardoor verhard en gestijfd in conservatieve opvattingen. Bovendien : dat hofleven maakt je ook niet vrolijk. Alleen al dat gebemoei van iedereen met alles, daar kun je heel chagrijnig van worden. De Hongaarse schrijver Konrad  zei in een interview in Trouw : het is boeiend ontdekkingen te doen, ook in je eigen geschiedenis. Boeken en films kunnen mij enorm aan-zetten  tot dergelijke ontdekkingsreizen. Ik wil daar zeker nog een keer op terugkomen. Nu kwam bij mij het beeld boven van de “victoriaanse “ burgermoraal  in de tijd direct na de oorlog. Die heerste heus niet alleen in kerkelijke kringen. Ook binnen de socialistische en liberale bevolkingsgroepen deed die opgeld. “Dat doet men niet “ was een veelgehoorde opmerking. De engelse lerares op mijn school was erop geabonneerd. Als je oude Polygoon-journaals ziet uit die tijd is het gewoon genant om te zien (en te horen) hoe neerbuigend de autoriteiten spraken en hoe braaf journalisten hun vragen stelden. Iedereen hield zich aan strenge regels, humor en ironie leken uit den boze en áls er gelachen werd was het óf de homerische lach van de machthebber in het verhaal óf die van de boer met kiespijn. Ook de omgang van de politie met de burgers kun je je nu niet meer voorstellen. En over levensbelangrijke zaken als seksualiteit en dood hingen zware zwarte gordijnen. De bevrijding uit dit corset begon in de 2e helft van de vijftiger jaren. Schrijvers en muzikanten liepen voorop, daarna de studenten. Politici, wetenschap  en kerken volgden tien jaar later en sindsdien is er geen houden meer aan. Je zou mensen uit die victoriaanse tijd eens een film moeten kunnen laten zien over ónze tijd. Zouden ze jaloers op ons zijn of zouden ze een retourtje postkoets nemen naar die 19e eeuw ? Eén ding : ik ga niet met ze mee.

 

Nachtboek 14

Zaterdag 4 juni

Vandaag is de bokser Mohammed Ali overleden. Vanavond werd de beroemde wedstrijd  tegen Joe Frasier heruitgezonden.Veertig jaar oude beelden en ik herkende ze alsof ik ze gisteren nog gezien had. Kijken naar bokswedstrijden roept bij mij heel dubbele gevoelens op, net als stierengevechten. Ik moet het zien maar zou het eigenlijk liever niet doen. Ik bewonder de kunst en gruw van de effecten. Dan liever voetbal, hoewel….Als jongens speelden we het op het strand. We hadden een eigen leren voetbal met binnenbal.Als hij lek schoot plakte ik hem zelf. Daarna de leren veter goed dicht en meteen in ledervet gezet. O wee als die bal in zee terecht kwam ; zout water kon ie niet tegen. Eigenlijk vond ik het helemaal geen fijne sport om te doen. Het ging zo hard, en dan die schoppen die niet tegen de bal maar tegen mij  aan kwamen.

Mijn grotere broers waren nogal fanatiek. Ik ben zelf gaan volleyballen en beperkte me tot voetbal kijken. De enige keer dat ik op het gymnasium gespijbeld heb was op woensdag 25 september 1957 : Nederland moest zich kwalificeren tegen Oostenrijk, in het Olympisch stadion in Amsterdam. Ik kon meerijden met een oom.De wedstrijd werd ‘s middags gespeeld. We stonden hoog op de tribune achter één van de goals. Abe speelde mee en Faas, Rijvers en de Munk (de zwarte panter) en bij de tegenpartij Ernst Happel. Ze speelden gelijk en Abe miste voor open doel, dat weet ik er nog van. En ‘s avonds, bij die oom thuis, zagen we de beelden. Hij had zelf een tv gebouwd, met een schermpje van 20 bij 20 cm. Het beeld was grijs/blauw en zwak dus moesten de gordijnen dicht maar dan had je er ook wat voor, vonden we toen. In de zestiger jaren ben ik nog één keer naar een wedstrijd geweest tussen ADO en Ajax in het Zuiderpark. Ik genoot vooral van het publiek (dat kon toen nog). Eén opmerking is me bijgebleven : een kalende back (v.d.Burg) kopte verkeerd en kreeg te horen : je mot je kop krijte, Theo ! De scheidsrechter was Leo Horn       ( de Kuipers van toen), een hele baas die de jonge Sjaakie Swart bij een overtreding berispte alsof het een schooljongen was. Toen kwam de kleurentelevisie en werd voetbalkijken een feest al maakte ik er niet alles van mee. Op de zondag dat Nederland de inmiddels beruchte finale speelde tegen Duitsland in 1974 moest ik twee keer preken. Tussen beide diensten was die wedstrijd. Ik was er klaar voor en kon tijd vrijmaken voor de tv-uitzending. Ik haalde net de penalty in 2e minuut en werd vervolgens wakker toen de Duitsers feest vierden Mijn trauma is dus stukken minder dan wat de meeste landgenoten toen hebben opgelopen. Op onze vakanties in Frankrijk en één keer in Spanje was het vaste prik dat mijn broers, eventuele vrienden die te gast waren,onze partners en ik,  ons tijdens de Europese en wereldtoernooien vervoegden in de plaatselijke kroeg. Toen ik vanavond even keek naar Oostenrijk – Nederland voelde ik iets van heimwee naar die oergezellige uren van destijds. Broer Jan die riep dat Kieft erin moest, broer Bert die bij elke misser een geweldige klap op de tafel gaf en de ober die haastig elke dorst kwam lessen. Tegen deze herinnering valt niet op te boksen.

 

Zondag 5 juni

Een verrukkelijke dag was het. Stralend weer, lekker warm en genoeg wind om wat lucht in de longen te houden. Ik werd wakker van de kerkklokken. Die hoort mijn overbuurman ook. Hij is moslim. Zal hij nooit denken : waarom doen die kaaskoppen toch zo moeilijk over onze oproep tot gebed  vanaf een minaret ? Dat is, overbuurman, omdat ons land helemaal niet zo verdraagzaam is als het beweert. Wij verdragen alleen mensen die denken en doen als wij. Het liefst hebben wij mensen die helemaal niet denken want dat doen de meesten van ons ook niet. En nu naar buiten : heerlijk in de schaduw de NRC van zaterdag doorgewerkt. Dat is mijn zondagse ritueel nu ik niet meer naar de kerk ga. Maar ook de NRC houdt me bij de les. Twee volle pagina’s  in de bijlage Wetenschap over : De Bijbel als landbouwboek. Een antropoloog , die  bekend is geworden door de bestudering van orang-oetans, is de bijbel gaan analyseren. Opeens werden voor hem de verhalen begrijpelijk : “Bijbelverhalen beschrijven de pijnlijke overgang van de mens naar een landbouw-samenleving.” En dan volgt een boeiend verhaal maar voor mij absoluut niet nieuw.En wie in de jaren ’70 van de vorige eeuw de IKON-cursus over ‘Dichter bij Genesis “ heeft gevolgd is het ook bekend. Het Kaïn en Abel-verhaal markeert de overgang van jacht naar veeteelt en landbouw. Het was geloof ik Abraham Kuijper die theologie de “koningin der wetenschappen” noemde. - Hoe ze koningin is geworden zegt hij er niet bij want dat kan iedereen worden als je maar een (a.s.) koning aan de haak slaat. -  Hij zal ermee bedoeld hebben dat theologie leidinggevend is voor alle andere wetenschappen. Van die troon

 is de theologie  inmiddels wel af, áls ze er al op gezeten heeft.  Maar het zou toch niet zo gek zijn als een moderne wetenschapper even zijn oor te luisteren legde bij een zusterwetenschap die zich specifiek heeft verdiept in de bijbel. Dat voorkomt dat je denkt een primeur te hebben, terwijl jouw bewering al ouder is dan jijzelf. Want ook in “De theologie van het Oude testament “ van prof.Vriezen had hij iets dergelijks kunnen vinden. Jammer dat ook de journalist, die het interview met de wetenschapper heeft, zich niet in de materie verdiept lijkt te hebben. Die lijdt er veeleer onder dat hij zijn vooringenomenheid tegen de bijbel niet kan beteugelen. Tot de laatste vraag probeert hij het belang van de bijbel op dit punt (van evolutie van jacht naar landbouw) te minimaliseren. Juist al dat oorlogsgeweld in de oude bijbelverhalen, waar ik zelf zo’n moeite mee heb, vooral als hun god daarachter zit, staat in verband met het bezit van landbouwgronden en bijbehorende woongemeenschappen. Toen de krant uit was trok de tennisfinale op tv me naar binnen. Net op tijd want de warmte in de tuin lokte niet alleen de vissen eindelijk weer eens naar het wateroppervlak maar ook de mussen van het dak.

In de verrukkelijke koelte van de woonkamer zagen we drie uur lang beide mannen zwoegen. En passant hoorde ik dat beiden inmiddels een kapitaal van bijna honderd miljoen bij elkaar hebben geslagen. Wat kun je met die ballen veel  bereiken. En wie zijn of worden daar allemaal voor kaal geplukt , want het geld moet wel ergens vandaan komen ? Onze boxers dachten daar trouwens heel anders over : die plukten die ballen gewoon kaal.

 

Maandag 6 juni

Ik reed vanmorgen langs Zon en Schild, het Psychiatrisch ziekenhuis bij Amersfoort. Een en dertig jaar geleden heb ik daar gedurende drie maanden  de Klinisch Pastorale Training gevolgd.Samen met 8 collega’s waren we daar intern. Telkens als ik langs die gebouwen kom denk ik terug aan die voor mij ingrijpende  periode en vooral aan Wybe Zijlstra die al die tijd met ons optrok. Hij was theoloog/psycholoog en één van de founding fathers van deze training voor pastores.  De beste herinneringen bewaar ik aan de ochtendsessies waarin  we met elkaar in gesprek waren ; gesprekken die gingen tot op het bot of – als je wilt -  tot diep in je ziel. Over je relatie(s), je geloof en je twijfel, je functioneren als pastor, je (on-)hebbelijkheden, je dromen, je pijn  en noem maar op. Wybe kon tijdens die gesprekken rake opmerkingen maken. Ik schreef er elke dag enkele op en bewaarde ze zorgvuldig. Na zijn dood hebben vrienden een klein boekje gemaakt over hem. Uit de 129 uitspraken die ik van Wybe had is een aantal hierin opgenomen.Hieronder vind je er enkele tussen aanhalingstekens. Eén van de mooiste vind ik deze : “wie met een eend gaat wandelen moet het waggelen niet erg vinden “.  Het exacte verband waarin deze opmerking geplaatst werd weet ik niet meer maar het laat zich  raden. Je kunt vreselijk zeuren over eigenschappen van b.v. je partner, die jou niet zinnen, maar als hij of zij die al had , wat wil je dan ? Die ander veranderen ? Dat is de grootste fout die mensen in relaties kunnen maken : denken de ander naar hun hand te kunnen zetten. “Als je iemand helemaal begrijpt, is er niets meer aan “. Kijk maar naar jezelf. “ Een mens is slechts betrouwbaar in zoverre hij zichzelf kent ; voor de rest is hij per definitie onbetrouwbaar “. En omdat ik tóch onderweg was ook nog één over ons als weggebruikers : “bij autorijden komt precies naar voren wie je bent “. Ik reed hard vandaag, en alle dagen daarvoor. 130 moet eigenlijk niet mogen, vanwege milieu en gevaarzetting, zoals dat heet, maar ik kan het niet laten. Voor m’n gevoel schiet ik dan lekker op, al is het per saldo misschien maar een paar minuten en heb ik eigenlijk helemaal geen haast. De enkele keer dat ik geflitst ben reed ik inderdaad té hard, ik zal daar nooit over piepen. In het AD zag ik een ingezonden stukje van een zeurkous die zegt een boete te hebben gehad omdat hij 1 km te hard reed.

Hij moet de  beschikking nog eens goed lezen. Dat soort mensen op een verjaardag of zo ontmoeten vind ik werkelijk een ramp. Net als zo’n radioprogramma dat ik in de auto wel eens hoor , waarin drie volwassen mannen als kwijlende pubers over auto’s  praten. En dan het liefst met allemaal verkleinwoorden : een Rollsje of een Golfje op van die brede bandjes, die wel een slokje lusten als je het pedaaltje goed intrapt. Goddank vind ik heel snel het knopje om dat soort gebazel af te zetten. Radio 4 dan, de klassieke zender. Helaas hoor je daar ook steeds meer ijdel gepraat. Maar soms….dat verhaal bewaar ik voor later. Blijft voor nu de vraag wie ben ik gelet op mijn stijl van rijden ?  Daar ga ik eens diep over nadenken.

 

Dinsdag 7 juni.

Zon op 5.21 uur. Zon onder 21.54 uur. Het staat weer in mijn krant. Ruim        16  ½ uur zon. Daar komt nog een kwartiertje bij en dan loopt het weer terug.Eigenlijk leef ik per dag met de seizoenen. Vandaag drie nieuwgeborenen in de tuin : de eerste stokroos van dit jaar, de eerste hortensia in het lila en de eerste witte waterlelie. En in de vijver veel meer vissen dan we hadden verwacht. De hele winter door waren er bezoeken van de reiger. Ik dacht dat hij alles had opgepeuzeld. Soms zag je hem wegvliegen met zo’n dikke goudvis in zijn snavel. Dan ging hij uitdagend op de dakrand bij de overburen zitten en slokte hem met het nodige theater naar binnen. Dag goudvis. Maar hij heeft er voor ons overgelaten. En gelet op het drukke paaien worden dat er weer meer.

Ik wil nog even terugkomen op die klassieke muziekzender.  Vroeger was dat voor mij Classis FM maar die is in de auto niet meer te vangen Het is nu Radio 4 en die trekt allerlei mensen aan die er bij mogen vertellen. Af en toe bar interessant maar heel vaak storend vervelend. Het is lang geleden dat ik al rijdend naar klassiek luisterde en ineens een nummer hoorde waarbij de spinnen over m’n rug liepen. Kol Nidrei van Bruch. Ik zette de auto stil (vlak voor Den Dolder) en luisterde intens. Alle geloften betekent het en het verwijst naar Grote Verzoendag. De man die het met de nodige humor toelichtte vertelde dat het in feite een knipoog naar de hemel was : al die geloften die ik vorig jaar heb gedaan en die ik niet ben nagekomen, sorry, maar  bij dezen : ik doe ze weer. Ik reed spoorslags naar de platenwinkel, kocht de lp, draaide hem grijs en verving hem door een CD. Iets soortgelijks overkwam me met het Stabat Mater van Palestrina. Ik keek naar de uitvaartdienst van Mitterand, de oud-president van Frankrijk. In de Nôtre Dame waren politici vanuit de hele wereld verzameld. Na de toespraak van de kardinaal begon er muziek, hoorde ik stemmen. het leek alsof er een koor van engelen was, ergens boven in die gigantische kerk. Ik zie nóg de gezichten van Helmut Kohl , Arafath en Al Gore. Op de dikke wangen van Kohl lagen verse tranen, Yasser Arafath ‘s ogen schoten onrustig door de kerk en Al Gore leek onbewogen. Later begreep ik dat die vooral ontroerd raakt door zijn eigen woorden. Weer reed ik naar de platenzaak, ik neuriede de melodie voor maar kreeg geen begrip van de verkoper.Bij toeval vond ik het zelf. Als ik nu naar mijn cd’s kijk kan ik bij een behoorlijk aantal aangeven waarom ik ze destijds kocht. Meermalen was dat ingegeven door zo’n  bijzondere luisterervaring.  Twee orgelnummers wil ik tot slot noemen. Dat is de Triosonate van Bach. Ik kreeg hem ooit van mijn vriend Wim Heusinkveld die in 2005 plotseling overleed. Het jaar daarvoor hebben wij er samen naar geluisterd. Een zeldzaam mooi, subtiel orgelwerk van die grote Bach. Het andere is Sortie van Lefébure-Wély. Ik hoorde het 35 jaar geleden samen met Agnes, broer Jan en zijn vrouw in de zeer oude kerk van Agde in Z.Frankrijk. Uitermate vrolijke muziek, het leek op een ouderwets dansorgel.

‘t Is dat ik niet kan dansen anders was ik ervoor uit de bank gekomen. Aan het slot van het concert hebben we net zo lang geapplaudiseerd tot de organist ons dit nummer als toegift meegaf. Wat zou de wereld een stuk saaier zijn zonder muziek. Vooral muziek die je tot in je buik hoort.

 

Woensdag 8 juni

De dag begon met Trouw. Daarin een interessante briefwisseling tussen vader en dochter van Weezel. Vandaag over Israël en de tegenstrijdige gevoelens van de vader bij dat land. De dag eindigde met beelden uit Tel Aviv waar twee Palestijnen op uitgaanspubliek schoten en vier van hen doodden. Daarna beelden uit Aleppo waar Assad eigen burgers laat bombarderen, en berichten uit Fallujah waar ISIS  90.000 mensen gegijzeld houdt. Dat is onze wereld nu. Slechter dan vroeger ? ik geloof het niet. Als je geschiedenis leest is er over elke tijd wel een staalkaart van vreselijke gebeurtenissen en oorlogen aan te leggen.

Ik betrap mezelf erop dat ik bij het noemen van Israël extra oplet. Heeft het een speciaal plekje ? Vlak na de oorlog is het nooit serieus tot mij doorgedrongen  dat er 6 miljoen Joden waren uitgemoord. Ook op het gymnasium werd daar niet over gesproken. Onze geschiedenislessen en boeken eindigden zo rond de 1e Wereldoorlog. Heel vreemd. In mijn (korte) studententijd en In de 60er jaren werd ik mij veel meer bewust. Door mijn werk op het ministerie kwam ik met name rond de 6-daagse oorlog in contact met Israëli’s. Ik leefde enorm  mee met de overlevingsstrijd van dat kleine land tegen al die omringende en bedreigende volken. Ik was getroffen door de humor die ondanks alles bleef bestaan. ( Moos moet een schuttersputje graven in de Sinaï woestijn. Als de sergeant na twee uur komt inspecteren ziet hij Moos op de bodem van een wel erg diepe put. Maar zo kun je vijand niet zien aankomen , schreeuwt hij bars. Moos : ben ík nieuwsgierig ?  - Of : toen Moos terugkwam van het front met Egypte liep hij met een Egyptische vlag. Op de vraag van de sergeant hoe hij daaraan kwam zei Moos : geruild voor een tank .) Na die tijd kwamen mijn vragen en bedenkingen op bij de staat Israël  en ze werden alleen maar groter. Bezette gebieden, de enorme bewapening, inclusief de atoom-bom, de onwil om echt met Palestijnen te onderhandelen en als iemand dat wel wil, zoals Itschak Rabin, dan wordt hij vermoord door iemand uit zijn eigen volk. Alle VN-resoluties ten spijt verhardt het land zijn standpunt.En dat gaat nu al tientallen jaren zo. Nu is een echte havik op Defensie benoemd dus zit er voorlopig ook geen enkele doorbraak in. Waarom gaat me dit nog meer aan het hart dan b.v. wat er in Syrië gebeurt, terwijl er daar duizendmaal ergere dingen plaats vinden ?  Dat moet te maken hebben met de plaats van Israël in mijn brein. Ik ben gepokt en gemazeld met dat land als land van God. Met verhalen op de lagere school, met honderden preken en duizenden liederen.  Israël, dát was het. Daar heeft Jezus rondgewandeld. ( Ik had nogal wat collega’s die , vaak als reisleider, in zijn voetsporen gingen. Eén had er een diaverzameling van aangelegd. Toen zij op een avond thuis een diavoorstelling gaf voor vrienden moest haar puberende zoon ook meekijken. En hier heeft Jezus gelopen, daar is de hof van zijn doodsstrijd, daar heeft hij aan het kruis gehangen en in deze woestijn heeft hij 40 dagen geleefd.De collega had de pech dat op de dia duidelijk een weggegooid blikje frisdrank te zien was waarop de zoon riep : en hier heeft Jezus cola gedronken ! Die moest meteen naar bed.) Zelf heb ik nooit enige behoefte gevoeld om dat land te bezoeken, integendeel. Ik begrijp dat uit een massaal Europees schuldgevoel t.o.v. het Joodse volk dat land op veel sympathie kon rekenen maar nu de Arabieren daar net zo gediscrimeerd dreigen te worden als de Joden hier in de Nazitijd (en al eeuwen daarvoor)  verdwijnt mijn sympathie. En als toelichting op het mythische bijbelverhaal heb ik het echt niet nodig. Of zoals ds Buskes destijds al zei : hét Mokum ( dat is :dé plaats, Jeruzalem dus) is net zo goed Amsterdam. Of Hoogland, als er maar gerechtighjeid geschiedt. Toen ik ooit op Kreta was en daar het Ida-gebergte zag kreeg ik echt geen Zeus-kriebels, terwijl die Griekse oppergod daar toch  gewoond heeft. Ik probeer naar Israël te kijken zoals ik naar andere landen kijk en moet daarbij sommige  Psalmen even vergeten.

 

Donderdag 9 juni

In Trouw schreef collega Suurmond deze week  een interessante column over Jezus.”O, jij bleke Galileeër “stond er boven, ontleend aan een gedichtje uit de 19e eeuw. Toen zagen velen Jezus als een moralistische leraar die, zo schrijft Suurmond, met een zuinig mondje alle lol uit het leven zoog. En dan volgt de dichtregel : “Jij hebt gewonnen, o jij bleke Galileeër ; de wereld is door jouw adem grijs geworden “. Den Heijer, vroeger professor in Kampen maar daar weggeschoven omdat hij te vrijzinnig zou zijn, heeft in 1990 een boeiend boekje geschreven met als titel “Beelden van Jezus “. Ik heb daar heel wat gespreksavonden aan gewijd. In dat boekje zie je hoe het beeld van Jezus in de loop van de eeuwen verandert. Daar ga ik in mijn nachtboekje niet verder op door want ik wil het graag wat persoonlijk houden. En dat kan omdat voor mijzelf dat beeld ook drastisch is veranderd. Er is zo vreselijk veel theologie over Jezus heen gegoten. Van offerlam (“gestorven voor onze zonden “) tot bleke Galileeër ( die alles verboden heeft wat lekker is), van waarachtig God (met ingewikkelde constructies over wie wie is) tot voorloper van de revolutionairen (en voor je ‘t weet heb je kruistochten tegen rijken en bezit). In naam van Jezus is er van alles gebeurd dat God verboden heeft. Dat kan niet kloppen. Zoals het ook niet klopt wat er allemaal in godsnaam gebeurt.(Je merkt, ik knoei  met hoofd- en kleine letters, maar dat komt door dat misbruik van de Naam.) In mijn jonge jaren waren liederen als :” Jezus uw verzoenend sterven “ en “In het kruis zal ‘k eeuwig roemen “ heel populair. Ik kan me niet herinneren dat ik ze ooit heb laten zingen. Ik geloofde daar niet in. Vond en vind het zelfs heel griezelig. Ik heb trouwens heel wat gezangen wél laten zingen  die nú niet meer door mijn beugel zouden kunnen. Omdat ik ze te zoetsappig vind of Jezus op een troon zetten die hij naar mijn mening zelf zou hebben geweigerd. De rare gedachte , die ik pas nog voor kinderen op tv verwoord hoorde, dat Jezus naast God op de troon zat in de hemel en toen door zijn vader naar beneden werd gestuurd om de zonden van de mensheid op zich te nemen, daarvoor aan het kruis werd genageld en gedood en toen werd opgewekt om met Hemelvaart zijn plek naast de vader weer in te nemen, is mij een gruwel. Maar wie is hij dan wel ? Een mens in wie het goddelijk Licht is doorgebroken ?  Iemand die je voortdurend op het andere been zet zodat je in beweging blijft op zoek naar het geheim van je bestaan ? Ik weet het niet maar vermoed zoiets. Dat is wel even wat anders dan alle zekerheden die in mijn bagage gestopt zijn maar die ik inmiddels heb bijgezet tussen bepaalde boeken in mijn kast. Ik ben er niet meer mee onderweg.

 

Vrijdag 10 juni

Vanmorgen in de tuin genoten van de stokroos. Helemaal toen een mus tegen de stengel aan ging zitten en heerlijk meewiegde. Ik moest terugdenken aan Ile de Ré waar ik voor het eerst heel bewust naar deze planten heb gekeken. Ze groeiden uit het niets, kwamen tussen stoeptegels naar boven en sierden de straatjes  met rechtopstaande kleurenpracht. Als de bloem klaar is krimpt ze in tot een bolletje, verdroogt en als je haar openmaakt krijg je een handvol zaadjes.  We namen wat mee en pootten die tegen de garagemuur.. Op z’n Hollands ging ik dat zaaigoed water geven.  Dat heb ik geweten, ze groeiden boven de garage uit. Dat hoeft dus helemaal niet. Alleen een beetje als ze in het prille begin de kopjes laten hangen, dan fleuren ze in korte tijd helemaal op. Eenmaal uitgebloeid geven ze nog steeds hun zaad.

Toen we in 1985 afscheid namen op Zon en Schild van Wybe Zijlstra (zie j.l.maandag)   vroegen we hem waarmee we hem blij konden maken. Stokrozen was zijn antwoord. Ik wist toen nog niet wat dat waren. We hebben ze voor hem gekocht in vele kleuren. Pas nu leg ik verband tussen die plant en hemzelf. Wybe was in staat om ons te doen groeien . Hoe schraal ook het verleden waarin je was geworteld, hij gaf het ruimte en licht en deed je in die drie maanden training tot bloei komen. Elk met haar of zijn eigen kleur. En nu hoop ik maar dat ik met díé ervaring ook zelf in staat ben geweest anderen te laten groeien.Ik ben nogal van het water geven, in mensentaal heet dat overdonderen, teveel van het goede waardoor het slecht wordt en de ander doet verdrinken. Daar heb ik me zeker schuldig aan gemaakt. Maar de andere kant was er ook, althans mijn eerlijk gemeende  poging daartoe. Dat je samen met anderen kon bijdragen aan bloei op vreselijk droge grond. Dat er in het leven van die ander weer kleur kwam en dat er weer meegewiegd kon worden.

 

 

 

 

 

Nachtboek 13

Zaterdag 28 mei

Die irritante Pietendiscussie is weer van start gegaan. Dat hoort tegenwoordig bij de zomer.Komt omdat we geen echte schoorstenen meer hebben. Toen wij voor het eerst in een huis met centrale verwarming woonden zetten de kinderen de schoen bij de radiator van de centrale verwarming. Ja, leg dan maar eens uit waarom die Piet zwart is. Het is geen negerzwart maar kolenzwart. En zoiets gebruikten wij vroeger ook om iemand tot Piet te schminken. Het is dus eigenlijk de schuld van de centrale verwarming en de schmink dat er in de krankzinnige discussie hierover heel andere argumenten zijn gaan meespelen. Gewoon met houtskool kleuren, geen dikke rode lippen en  Spaans Nederlands praten, klaar is Kees. En Piet. Het geloof in Sinterklaas is uiteindelijk veel belangrijker. En vooral de wijze waarop je er vanaf komt.Met enig berouw herinner ik me hoe ik in 1969 zoon Harold op mijn Sinterklaasknie had op zijn school. Ik wist verrekte veel van ‘m.  B.v. dat hij  als vijfjarige zo graag zong : Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot, hij begint te stinken , als een dooie rot. Is dat zo Harold ? Heb je dat gezongen ? Met trillende onderlip bekende hij en ik heb hem beloond voor zijn eerlijkheid. Het jaar daarop was ik weer Sinterklaas op zijn school en kreeg ik hem ook weer op mijn knie. Ik zal vast wel wat ondeugendheidjes van hem genoemd hebben maar hij trilde minder. Toen ik ‘s avonds thuis kwam en hem naar zijn Sinterklaasfeestje vroeg vertelde hij dat Sint dezelfde ogen had als ik. Toen was het : nu of nooit en ik zei dat ik het was. Hij stoof de trap op en ik heb hem urenlang niet gezien.

Een soortgelijke ervaring had ik op een gespreksgroep bij iemand thuis. Daar kwam het beruchte Sinterklaasbeeld van God op tafel. De oude man met de baard die cadeautjes uitdeelt of straffen. Voor de geschenken wordt gedankt en de straffen worden lijdzaam ondergaan ; daar zal Hij een bedoeling mee hebben ! In mijn werk heb ik gezinnen leren kennen die zo vreselijk veel pijn en lijden voor hun kiezen kregen dat ik me wel eens afvroeg : hoeveel kan een mens hebben ?  Zou daar dan opzet achter zitten ? Niet te geloven toch. Rigoreus heb ik dat beeld van tafel geveegd. Voor sommigen was dat te hard en de groep is uit elkaar gevallen. Of ik me daarvoor schaam ? Nee. Ik wil een boel begrijpen maar onzin moet je toch onzin durven noemen. Sinterklaas moet je spelen en God kun je hooguit zoeken. En ze lijken nergens op elkaar.

 

Zondag 29 mei

In de weekendbijlage ook weer een verhaal over hoofddoekjes. Symbool van discriminatie maar door wie ?  De meest banale vorm is die van islam- bestrijders. Zij typeren moslimvrouwen als “die hoofddoekjes “ of nog erger :

kopvodden. Ik vind hoofddoekjes mooi. In mijn jeugd droegen veel vrouwen en meisjes ze. Soms prachtig opgeknoopt, soms losjes om het hoofd. Ik vond en vind het heel wat charmanter dan die enorme zeilschepen die in zwaar protestantse kring gedragen worden. Als ik op zondagmorgen voor een preekbeurt onderweg was kwam ik wel door dorpen waar het volk opging naar hun heiligdom. Vader in het zwart, moeder onder een hoed en meisjes met een tas van Albert Heijn waarin hun hoofddekseltje zat opgeborgen. Bij de kerk ging de hoed op en de tas in de jaszak. Schitterende onschuldige kinderen gingen als boetelingen de drempel over en hoorden onder hun overkapping hoe zondig ze waren. En zijn, want het is nog steeds niet voorbij. Zou dat nou een uiting van de Joods-Christelijke cultuur zijn waar Wilders het over heeft. De wortels van ons bestaan zogezegd ? Ik geloof er niks van. Ik ken ook 1 Korinthe 11 : 13 waarin Paulus vraagt of “ het voegzaam is dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt ? “ En hij vervolgt : “Leert de natuur zelf u niet dat, indien  een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, doch dat , indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is ? Immers, het haar is haar tot sluier gegeven. “ De Statenvertaling kent het woord sluier hier niet maar noemt het “tot ene bedekking.” Misschien is die hoed helemaal niet nodig en is lang haar genoeg.Maar wie maalt daarom ? Voor mij blijft de vraag waarom lang haar voor mannen tegennatuurlijk is. Paulus vindt wel gauw iets tegennatuur-lijk . Eerst waren de homoseksuelen de klos (in Romeinen 1) en nu de langharigen. Natuur is mooi maar je mag er best wat aan (en soms tegen) doen.  En die hoeden, prima toch, ze kunnen ongehinderd over straat. Net als de hoofddoekjes en de keppeltjes en de baretten en ik met mijn pet.

 

Maandag 30 mei

TomTom bracht me vanmiddag bij het veer over de Lek bij Beusiichem. Terwijl ik rustig op de boot stond te wachten riep de vrouwelijke stem : neem de veerboot. Alsof ik enig alternatief had. Glijdend over het water stroomden de namen van andere rivieren door mijn hoofd.  De IJssel, die in 1947 zo diep gevroren was dat je er overheen kon lopen. De Maas waarin ik (slechte zwemmer dat ik ben ) in 1969 biijna verdronk. Ik bleek niet opgewassen tegen de sterkte stroming in een Belgische bocht. Gelukkig kan ik heel goed drijven : na enkele spannende ogenblikken duwde de rivier mij op de wal. De l’Herault bij Agde, waar de pontbaas een tweede handeltje had : mosselen. De Waal die ik al jaren ken in alle seizoenen. Soms enorm breed zodat de vaargeul door het eigen water overspoeld lijkt. Soms  zo laag en smal dat de boten er maar half beladen doorheen mogen. De Donau bij Boedapest, de Rhône, de Rijn, de Moezel. Ik houd van rivieren. Nergens een rechte lijn, telkens een verrassing.

In de kerk zongen we : rivieren klappen in de handen. Dan moet je wel een heel grote verbeelding hebben. Maar ik gebruikte de beeldspraak dankbaar als ik wilde uitleggen dat bijbelverhalen verhalen van verbeelding zijn, poëzie vaak, met grote dichterlijke vrijheden. Net als sprookjes en mythen. Daarin kunnen olifanten fietsen, apen schilderen ,eenden een pistool trekken, slangen spreken en rivieren in de handen klappen. En niemand die dan vroeg : is dat echt gebeurd ? Als rivieren (zoals de Jordaan) of zeeën (zoals de Schelfzee) zich in het verhaal in tweeën splitsen, zodat de mensen er droogvoets doorheen konden, is dat dus ook beeldspraak. Als kind liep ik mee tussen die de muren van water, dankzij een meester die geweldig kon vertellen. Je zág de vissen. En als ik in een dierentuin de haaien achter glas zie langs komen voel ik altijd weer iets van mijn eigen doortocht op de Lagere School met den Bijbel. Fantastisch om de verhalen zó te horen. Als je groot bent mag je de diepere lagen ontdekken. Doe je dat niet dan leg je bijbelverhalen op de stapel bij de sprookjes en mythen, niet te geloven. Jammer, ook voor die sprookjes en die mythen want ze hebben allemaal méér te vertellen dan wat niet echt gebeurd kan zijn. Namelijk dat ze nog steeds gebeuren. Ga op een bankje aan de Waal zitten, neem zo’n uitbundige voorjaarsdag, ooievaar en ganzen  in de uiterwaarden, de koekoek en de zwartkop zorgen voor de muziek en luister dan goed. Op de achtergrond hoor je gejuich en , echt waar, de rivier die in de handen klapt.

 

Dinsdag 31 mei

In het AD las ik een ontroerend verhaal over een vrouw die op jonge leeftijd haar man verloor door een ongeluk. Ze bleef met drie kleine kinderen achter.

Ze kreeg van haar man altijd een bepaald flacon geurolie. Kort voor zijn dood gaf hij haar de laatste, in dubbel opzicht want de geur was uit de productie genomen. Met dat flesje heeft ze nu elf jaar gedaan en telkens bij gebruik wordt ze herinnerd aan de mooie jaren met hem. Ze vraagt nu of iemand misschien nog ergens zo’n flesje heeft staan, vanwege die herinnering. Ik kan me dit levendig indenken. Geur roept ook bij mij herinneringen op, al heb ik er niet z’n intrieste ervaring bij. De vroegste herinnering is aan de geur van de Zuiderkerk in Apeldoorn. Tijdens de oorlog werden daar vluchtelingen uit Arnhem opgevangen. Ik zie ze nóg aankomen over de Arnhemseweg, met fietsen, bakfietsen, kinderwagens. In de kerk was stro gelegd bij wijze van matras en de plaatselijke koekfabriek van Helleman leverde koek. De geur van die combinatie van stro en koek lag vast in mijn hersenen (ik ga er vanuit dat het zó werkt) en in 1955 ben ik die kerk nog eens binnengelopen : ik rook het nóg. Begin jaren ’70  nam ik met opzet een preekbeurt aan voor die kerk – uiteraard ook omdat het 13 jaren de kerk van mijn vader was geweest – en het eerste wat ik rook was  : verf ! De kerk was net gerenoveerd. Weg stro, weg koek. Vlak na de oorlog kwam er brood, volgens sommigen vielen het uit de lucht, gedropt door vliegtuigen, volgens anderen werd het gewoon rondgebracht. Het kwam in elk geval uit de hemel en nóg ruik ik het. Als Agnes op zaterdagmorgen voor mij een tijgerwitje meeneemt snuffel ik aan elk sneetje brood en ruik ik de bevrijding en het hemelse manna.  Mijn interesse in boeken is ook begonnen met geur. Als ik begin september de nieuwe boeken voor het volgende schooljaar ophaalde bij boekhandel Hoonhoudt in den Haag begon ik met ruiken. Met name een uitgeverij in Zwolle gaf de heerlijkste boeken uit, qua geur dan. Wat de inhoud betreft heb ik menig boek naar de hoek van de kamer gewenst. Nog steeds is een nieuw boek mij een reukgenot.

Daarom zal ik niet gauw overstappen op een e-reader. Ook om te voorkomen dat ik aan zo’n glasplaat ga snuffelen. Nog een geurtje : uit de Vogelwijk in den Haag, in 1950 al een buurt met  geasfalteerde lanen. Als het op zo’n mooie dag als vandaag tegen de avond begon te regenen en het wegdek ging dampen en dát samen met de geur van seringen. Dat geeft mij een heel wee gevoel en ik ga het niet duiden maar laat het graag een raadsel blijven. Ook voor mijzelf want ik vind de geur van seringen, als je goed dóórruikt, eigenlijk helemal niet zo geweldig.Geef mij maar lelietjes van dalen. Twee weken geleden nog plukte ik ze op de begraafplaats naast Oud Londen in Zeist. Totaal vervallen graven, scheve stenen, gebroken dekplaten, onleesbare teksten. Maar overal lelietjes

als een welriekende deken over de dodenakker. Voor mij zoete herinneringen. Ook aan menige huwelijksviering in de kerk wanneer het bruidsboeket met lelietjes bij mij op de liturgietafel werd gestald. Daar kon de lucht van pepermunt en eau de cologne niet tegenop.  De laatste geurherinnering heb ik aan het klooster in Chevetonge. In de kapel met de Oosters-Orthodoxe rite zijn ze niet zuinig met wierook. Hun God is stapel op reukoffers. Nou, die krijgt Hij. Vanuit het Heilige der Heiligen zie je enorme rookwolken opstijgen en af en toe komt een monnik elke aanwezige rijkelijk bewieroken. Dat woord betekent niet dat je iemand in de lucht steekt ( vanwege een prestatie of zo) maar iedereen          -  ook elke arme sloeber, of iemand die gefaald heeft – wordt dan in die hemelse geur gezet. Net zo goed als dat die hemelse broden er voor iedereen waren.

 

Woensdag 1 juni

Vlakbij ons huis loopt de Malewetering, zeg maar een brede sloot. Meerkoeten hebben op het water een nest gebouwd. Dat klinkt gek maar het zijn dan ook gekke watervogels, vooral als je ze op het land ziet. Ze zijn wat uit vorm, zien er wat sloverig uit met van die malle poten. Op dat nest brengen ze nu hun tweede leg groot, schattige donspakketjes met rooie snaveltjes. Een eind verderop zitten twee pubers uit het eerste nest. Het schattige is eraf en het mallotige groeit. Grijze donsjes op hun inmiddels donkere snaveltjes. Ze loeren naar het ouderlijk huis waar hun broertjes en/of zusjes worden gelaafd en gevoed. Zij krijgen niks meer. Hoe hun dat is duidelijk gemaakt weet ik niet. Ik heb dat wel een keer gezien bij zwanen. Dat was aan het einde van de winter, toen de zwanenhormonen begonnen op te spelen. Gezin zwaan had zéker acht maanden met elkaar opgetrokken maar nu moesten de kinderen de deur uit. Vader en moeder hadden grote plannen, ongeschikt voor jeugdige toekijkers maar vooral mee-eters. Ik was getuige van de breuk in het gezin : met woeste vleugelslagen en felle  snavelbewegingen werden de jongen verjaagd. Die begrepen daar natuurlijk niks van. Ze hadden het zo gezellig gehad, eerst een prachtig voorjaar met veel waterspijzen, toen een kostelijke zomer met nog meer voedsel, daarna een herfst waarin ze leerden met vette veren de regen van zich af te houden, toen de winter waarin ze  warm bij elkaar konden schuilen, de Kerstdagen overleefd  want mensen hebben hier geen zwaan op de spijskaart en nu ineens die boze ouders. Ze vlogen naar een volgend weiland en loerden verlangend over de sloot, misschien zou één van beide ouders spijt krijgen en hen met een knipoogje verwelkomen . Maar niets van dat alles, de dreigende houding bleef en als papa boos is, nou berg je dan maar. Ze bleven op zichzelf en sloten zich  aan bij jongelui die hetzelfde was overkomen. Vier jaar later begonnen ook hun hormonen op te spelen, vormden ze stelletjes  en gingen allengs het gedrag van hun ouders nabootsen  . Ook zij verjoegen hun broedsel voor een volgende leg. Bij ons thuis was het gebruik dat je zo rond je 18e het huis verliet. Niet vanwege een volgende leg, het begrip liefdesbabies kenden we nog niet, maar gewoon omdat het mooi geweest was. We leefden met erg veel mensen onder één dak en ieder vertrek gaf de overblijvers lucht. Exact op mijn 18e ging ik op kamers. Ik ben geen zwaan en kon met een gerust hart de weekenden naar huis, wel steeds minder en zéker aan het eind van de maand als de studiegelden nodig waren en de rekeningen hoog. Ik heb ook nooit over de sloot geloerd of ik een teken zag dat mij terugriep. Integendeel, je kwam in ijl tempo op de weg naar “volwassenheid”, al zet ik dat woord graag tussen aanhalingstekens. Iets van het kind is mij altijd bijgebleven. En als ik die jonge meerkoeten of zwanen zie gaat mijn gevoel toch vooral naar hen uit en niet zozeer naar die ouders met hun hun woeste drang tot wéér een leg.

Waarom de Lutheranen een zwaan op hun kerken hebben ? Omdat Johannes Hus, een hervormer vóór Maarten Luther, eens gezegd zou hebben : ik ben een gans maar na mij komt een zwaan. Dat was Maarten en misschien is het wel uit piëteit voor hem dat we geen broodje zwaan eten. Maar waarom dan wel gebraden  gans ?  Hus mag er toch ook wezen !

 

Donderdag 2 juni

Ik heb nooit opa’s gekend maar langs de weg van de genen kreeg ik wel wat van hen mee. De één was dominee, de ander bakker. Het eerste ben ik zelf geworden, het tweede vak heb ik altijd leuk gevonden. Als jochie bakte ik graag cake. Als puber verdiende ik mijn vakantiegeld  voornamelijk bij bakkers. Eerst in een echte bakkerij in Katwijk.Om 4 uur ‘s nachts begonnen we met brood, daarna gebak en taart en ‘s middags de koekjes. Mijn lintworm (zie elders in dit Nachtboek) kwam enorm aan zijn en haar trekken ( een worm is dubbelslachtig, dus in lintvorm waarschijnlijk ook). Tussendoor bezorgde ik taarten die besteld waren. Het Katwijk van de jaren ’50 telde nog vele straatjes met kinderkopjes, van die bolle keien die bij nat weer complete glijbanen vormden. Voeg daarbij de hopen van paarden die overal neergeflatst waren en je kon erop wachten. Ik gleed uit met een verrukkelijke slagroomtaart op mijn hand en kon niet anders doen dan de doos met volle kracht in zo’n bruine hoop neerkletsen. Druipend van water en stront werd de doos door mij geretourneerd naar de bakkerij. Geen enkel probleem, integendeel, een gulle lach van de warme bakker (hij had zelf een wat holle-bolle-gijsfiguur) en een bliksemsnelle actie : de taart werd uit de smerige doos gered, het slagroom eraf geschraapt en met de spuitzak werd er  een prachtige taart opgebouwd. Binnen vijf minuten zat ik weer op de fiets en nog een paar minuten later was ik twee gulden fooi rijker. Letterlijk hinnikend van het lachen rolde ik toen de bakkerij binnen. De jaren daarop werkte ik in die lange zomervakanties van toen als broodbezorger in Den Haag. Er waren , als ik me goed herinner,  vier grote bakkers : Hus (die naam van gisteren bracht mij tot deze nachtgedachte), Willems Simons, Paul Kaiser en Lensvelt Nicola. Hus was de volksbakker en daar ben ik begonnen. Een gigantische broodfabriek met een electrische oven van tientallen meters lengte.’s Morgens rond half tien vertrok ik met een handkar naar de dichtbij de fabriek gelegen volkswijk. Vòòr tien uur mocht je niks verkopen. Oom agent controleerde dat en dit is niet gelogen. Het barstte toen van blauw op straat en ze bemoeiden zich met alles : een achterlichtje dat het niet deed, of je spatbord was niet wit genoeg, de dynamo slipte vanwege de sneeuw en voor alles kreeg je een bon, van 5 tot 7,50 gulden. Alleen op broodverkoop vòòr tienen stond een veel hoger bedrag dus ik keek wel uit. Was ik te vroeg bij het eerste adres dan aten mijn lintworm en ik vast een tompouce. Eén adres betrof een heel groot gezin met veel opgroeiende meiden en jongens. Daar ging veel brood in. Het lastige alleen was dat hun schat van een moeder zo min mogelijk betaalde. Van de chef bakker had ik opdracht gekregen geen brood te leveren als er niet eerst het nodige was voldaan. Ik belde aan.  De bákker ! 7 broden graag (regeringswit, à 37 cent). Maar ik mag u niet leveren als u niet eerst wat hebt betaald. Ik heb geen geld in huis, geen cent. Daar stond ik met mijn mand vol broden en een mond vol tanden. Je gaat dat gezin dit hele weekend toch geen honger laten lijden ? Zong ik zondag niet : die d’armen voedt ? Dus speelde ik voor god en kreeg bij de eindafrekening in de bakkerij de chef plat met diezelde psalmregel. Het niet verkochte brood werd trouwens op de ovens gegooid om te drogen. Dat werd na het weekend vermalen en dan werd er beschuit van gemaakt. Tot die tijd deden musjes zich er tegoed aan. Hún hoopjes kwamen ín het bakproduct. Het jaar daarop ging ik naar Willems Simons. Ik kreeg een bakfiets en werd naar de sjieke Vogelwijk gestuurd. Dat was vreselijk. Niet alleen omdat daar enkele leraren van mijn gymnasium woonden die ook brood aten – ik stond toch met een rooie kop op de stoep, dit onklassieke werk dééd je toch niet als gymnasiast, dacht ik namens hen – maar ook omdat de klanten zoveel kapsones hadden. Bestelde zo’n  opgedirkte juf één tompouce, moest je ermee terug, soms in stromende regen ,  omdat er een hoekje af was.  En lange opritten dat ze hadden. Toch een heel verschil met een portiek met vier deuren zoals in die volkswijk. Dus : geef mij maar Hus. Een heel praktische bakker : toen ik er later met de kinderen een keer een half pond koekjes kocht zag ik dat de verkoopster veel kapotte koekjes in de zak deed. Toen ik daar iets van zei antwoordde ze : ach meneer, het gaat tóch kapot naar binnen ! Hus was een echte hervormer.

 

Vrijdag 3 juni

Gisteren telde ik in de weersverwachting 9 keer het woord buien en dan weet je genoeg. Indrukwekkende beelden gezien van rivieren die land, straten en zelfs mensenlevens opeisen. Afschuwelijk als je in zo’n pittoresk huisje in het brave Beieren overvallen wordt door die gigantische hoeveelheden water en het leven verliest. Ik zag ook ondergelopen campings en hoorde dat het sinds dertig jaar niet zó had geregend. En allemaal het gevolg van de klimaat-verandering, met hete zomers en enorme buien. Ergens klopt dat niet want 30 jaar geleden was er kennelijk ook zoiets. En 70 jaar geleden was het op deze dag 33 graden, het begin van een eindeloos durende hete zomer. Maar goed, de weermannen hebben ervoor gestudeerd en zullen het wel weten .  Die camping bracht bij mij een stroompje herinneringen op gang aan eigen kam-peerervaringen. De eerste was op Vlieland midden vijftiger jaren. Mijn ouders hadden daar een vakantiewoning  (Joly Day) gehuurd voor een maand. Broer Evert en ik kregen wegens plaatsgebrek in het huisje een tent toegewezen in de tuin. We hebben zegge en schrijven één middag op het strand gezeten, met truien aan. Alle dagen regende het en zo’n tent van toen werd van binnen net zo nat als aan de buitenkant. Het jaar erop trok ik met neef Gerben door de Ardennen. Ik herinner me vooral veel gedoe met zo’n spiritusbrandertje dat we uit de wind en de regen moesten houden. Met vrienden zijn Ina en ik naar Wallis geweest, de zonnigste streek van Zwitserland, alleen niet in die week. We speelden kaart in de auto, met draaiende motor en de verwarming aan. Tien jaar later een weekendje naar Renesse met het gezin : we zaten in regen-jassen buiten met de tentlijnen in de hand om een gierende storm te doorstaan. Het jaar daarop op een bergweitje in Oostenrijk, met de hakken in de grond om niet naar beneden gespoeld te worden. Toen hadden we het wel gehad met kamperen en zijn we voorgoed uit de tent gelokt. Met Agnes en enkele broers met hun gezinnen probeerden we nog tweemaal een caravan in Agde : niet aan ons besteed. Stond je niet met een kastdeurtje in je handen dan stootte je wel op een afgrijselijke manier je hoofd. Nadien zag ik campings alleen nog op tv. Ze zijn alleen in het nieuws als ze ondergelopen zijn of bedolven onder dikke hagelstenen. Het volk Israël kende volgens de oude verhalen een “tent der samenkomst “ en dat in de woestijn ! Ik moet er niet aan denken want die enkele keer dat er zon scheen op ons tentdoek was het daarbinnen niet uit te houden. Toch blijft die tent het beeld van “ hoe God woont bij de mensen”. Hij trekt met ze mee. In kerken hoor je het geregeld  zeggen.  Maar dan moet dat volk wel onderweg zijn. Vaak heb ik de indruk gekregen dat ze niet vooruit te branden zijn. De tenten zijn vervangen door dure kerkgebouwen . Echter : ook daar is sprake van klimaatverandering. Ontkerkelijking, secularisatie, leegloop zijn de namen van de orkanen die de kerk treffen. Het ene gebouw na het andere wordt gesloopt. Moeten we toch de haringen en tentstokken van zolder halen ?

 

 

 

 

 

 

Nachtboek 12

Zaterdag en zondag, 21 en 22 mei

Zaterdagmiddag fietste ik door de Dolomieten via de beelden op tv. Griezelig hoge, nog besneeuwde  bergen ; ze stonden er ook zo dreigend bij. Alpen lijken vriendelijker, behalve als je er af duvelt. De angst daarvoor zit diep bij mij. Als kind had ik geen hoogtevrees en tegenwoordig valt het ook wel mee. Maar tussen mijn 30e en 65e speelde het me danig parten. Op het Hermanns-denkmal in Duitsland namen de kinderen me op een gegeven moment bij de (natte) hand. En op het Vollenhove-flat in Zeist kroop ik haast over de galerij,

13 hoog,  op weg naar een jongen die daar iemand  naar beneden had zien springen. Op tv zijn die hoogten te behappen, gevangen in een beeld dat je uit kunt zetten. Eerlijk gezegd kijk ik naar al die grote wielerwedstrijden vooral vanwege de landschappen waar ze doorheen fietsen. Maar soms word ik toch ook diep getroffen door de enorme prestaties. En dan mis ik vriend Bob. Hij paste vroeger op de honden van Reina en ons als wij op vakantie waren of gewoon eens een weekendje weg. Gaandeweg raakten we bevriend . Hij kwam af en toe eten en een klaverjasje doen. En één keer per jaar keken we samen naar de koninginnenrit van de Tour. Elke col was voor ons een glas. Aan de finish waren ook wij best moe ! Nu volbreng ik het met één beker thee en zonder Bob. Hij keek toe vanuit de hoogste wolk boven die ene Dolomiet.  Na het wielrennen waren er twee cupfinales voetbal. Ik kijk zelden meer een hele wedstrijd – samenvattingen zijn minder tijdrovend en altijd spannend – maar deze keer moest ik, van mezelf. Toen alles voorbij was en de club van van Gaal en de Mannschaft van Robben hadden gewonnen was ik total loss. Het blanco vel voor mijn nachtboek bleef leeg, de nacht was onrustig (ook door een storend virusje) en deze zondag is mij nooit eigen geworden. Ondanks een paar sympathieke reacties op mijn geschrijf kreeg ik de motor moeilijk gestart. Het zachte weer en later de milde regen deden me weinig. Gelukkig waren de asperges gehoorzaam en deden ze, zowel in een eigen gemaakte soep als op het bord met ham en ei en krieltjes, wat ze moesten doen : lekker zijn. Eén van de meelezers haakte vandaag af. Die vond mijn gegraaf somber en wilde graag iets positiefs en vrolijks. Het is de lezer gegund alleen kan ik dat klaarblijkelijk niet leveren. Dat zal mij er niet van weerhouden om mijn reisjes te blijven maken. Want zó ervaar ik de meeste van mijn herinneringen, als reisjes naar het verleden, op zoek naar de emoties van toen en nu. En voor de grote reizen kan ik volstaan met de vele prachtige beelden die ik op het scherm zie.

 

Maandag 23 mei

Wij hadden een spelletjesdag. Luc uit Namen is bij ons en we herontdekten het Triominos. Een veredeld Rummikub. Ik ben gek op spelletjes, van jongsaf aan. Uiteraard begon het met sjoelen (mee gestopt wegens rugklachten) , Mens erger je niet (mee gestopt omdat ik me er wél aan ergerde), halma (saai) , monopoly (oude versie, op een gegeven moment gewoon mee gestopt), knikkeren (niet mijn favoriet), tollen (vooral het beuken vond ik heerlijk), hoepelen met een oud fietswiel, en nog zo wat uit de oude doos.. Toen ik groot was kwamen de speelkaarten. Tot dan toe duivels prentenboek maar in Mens erger je niet zaten er meer ! Maar wat doe je als de Here Jezus wederkomt en je zit te kaarten (of in de bioscoop) was de vraag uit orthodoxe hoek ? Plaats maken natuurlijk voor deze grote harten Heer. Canasta, klaverjas, patience  en uiteindelijk bridge.Ik beleef vooral veel plezier aan het gezellig samen rond een tafel zitten. Winnen, tja je doet het ervoor maar eigenlijk kan het me niet zoveel schelen. Ik kwam in Soesterberg vele jaren heel regelmatig op bezoek bij Joke van der Bij. Een zeldzaam opgeruimd mens ondanks de ziekte die haar sloopte. Zij zie een keer : Bas, ik heb mijn kinderen leren verliezen. Winnen gaat vanzelf. Telkens als ik op tv iets zie van die krankzinnige wedstrijden tussen wat dan talenten genoemd worden moet ik aan die uitspraak denken. Je ziet dan van die opgefokte kinderen stijf staan van de zenuwen, naar voren geduwd door ouders die kennelijk niets beters te doen hadden dan het leven van hun kind verpesten. Die bibbert er dan een of ander liedje uit, dat door honderden beroepszangers al duizend maal beter is gezongen en dan zit er zo’n jury, bestaande uit lachebekken die vooral zichzelf erg interessant vinden en die velt  een oordeel.  Je hebt een geweldig talent, enorm je best gedaan, cool en vet, je mag door naar de volgende ronde. En zo’n kind  springt een gat in de lucht en landt nergens. Doet me aan een voetballer denken die na een enkel succes bij een hollands clubje voor het grote geld gaat. Je ziet hem nog één keer in een sportwagen, vervolgens vaak op de reservebank en daarna is het oorverdovend stil. Er valt nu eenmaal niks te winnen als je niet gewoon leert, studeert en  traint en met vallen en opstaan in je vak groeit. Je verliest dan vaak genoeg. Daarmee kunnen omgaan maakt je groot. Het enige wat je zomaar kunt winnen is de loterij maar daar heeft haast niemand last van.

 

Dinsdag 24 mei

Afgelopen nacht maar twee uur geslapen. Om half 5 lag ik nog wakker, zonder gepieker overigens, en om half zeven stond  ik op bij het vroege geluid van het vogelken uit Prediker 12. Dat vroege ontwaken is dus kennelijk van alle tijden. Ik heb wel even nagedacht over de vogels. Ze hebben een apart plekje bij me. In werkelijkheid in de tuin, waar we dagelijks tientallen mussen, eksters,merels, duiven en tortels, kauwen en spreeuwen, kool – en pimpelmezen, roodborstjes en heggenmussen voeren . De reiger redt zichzelf en vist als een Urker visser onze “ zee”  leeg. De aandacht  voor vogels reikt bij mij verder dan de voederplank. Als tienjarig jochie in Kampen ging ik op de vrije woensdagmiddag

wel eens wandelen met blinde Herman. Ik was dan een soort geleidehond. Door de poort verlieten we de stad en liepen de weilanden in. Ineens kon hij in mijn hand knijpen en fluisteren : hoor je dat ? Rechts vóór je, een grutto en links een tureluur. Herman had z’n leven lang nooit iets gezien maar kende de geluiden. Mij liet hij dan precies vertellen wat ik zag. Dat soort leermeesters, die lesmateriaal maakten van wat ik zelf had waar genomen of  ervaren, vergeet ik nooit. Je komt ze  in dit nachtboek vaker tegen, soms met naam en toenaam,, gidsen in “leer en leven “ , zoals ze vroeger zeiden. Van Herman kreeg ik dus de vogels. En wat heb ik daar een plezier aan beleefd. Uit mijn raam in de Haagse Pauwenlaan hing ik in mei en juni ‘s avonds laat naar de nachtegalen in de duinen te luisteren. en later hoorde ik ze terug aan de Côte d’Azur. Die trillers gingen door me heen als stralen van een röntgenapparaat, niets ontziend. Ook goed voor m’n traanbuisjes. Toen ik nog niet veel gerookt had kon ik een koekoek imiteren. Dat was klaarblijkelijk zo echt dat die diertjes erop af kwamen, in de duinen maar ook op het Eemmeer op een zeilboot. Het is me zelfs een keer overkomen dat de vogel honderden meters met me mee vloog. Dat is nu in rook opgegaan. Een andere vogel die me verraste was een zwarte specht. Bij een wandeling met de hond door het bos hoorde ik een merkwaardig geluid. Het leek op een vogel met artrosevleugels, iets van krakende knieën, en daarna een wat klagelijke fluittoon. Ik speurde alle takken af maar zag niks. Thuis de CD met vogelgeluiden van bosvogels opgezet en ja hoor : de zwarte specht was de dader. De volgende dag terug naar die plek. Ik ontdekte toen waarom ik hem niet eerder zag : het beest zit niet op een tak maar tegen de boom . Overal zag ik gaten in de beuken waarin ze jaar op jaar hadden gehuisd. Oude woningen waren nu gekraakt door holenduiven en zwarte kauwtjes.   Een enkele beuk was het teveel geworden. Hij stond er nu als een bladerloze houten zuil of was er bij gaan liggen en werd opgevreten door miljoenen insecten. Tegen zo’n dode boom ontdekte ik een keer een mierenhoop : wat een lol ik daarvan heb gehad, een heel jaar lang. Het heeft me zelfs geïnspireerd tot een preek. In de zomer was het een leven van belang, gesjouw, oorlogen met buren, gesleep met eitjes. Maar in de herfst sloten de wachters de poorten en ramen, je kon het zien aan de ligging van de dennennaalden,  en in de winter was het stil. Een enkele mier waagde zich buiten of moest op patrouille of was even buitengezet wegens vervelend gedrag maar verder was het stil. Dan naderde het voorjaar : ineens zag je de hele hoop bedekt met zwarte klontjes, een soort kaviaar, en alles leek te bewegen. De dag erop was het weer als vorig jaar : één wriemelende hoop mieren. Wat had ik dit graag aan blinde Herman verteld. Maar dan had hij 120 moeten worden en dat haalt ons soort niet, vogels ook niet en mieren al helemaal niet.

Woensdag 25 mei

Als je op leeftijd bent zijn er maar weinig dingen die je voor ‘t eerst doet. Hooguit in het ziekenhuis of bij een keuring waar  ze je kunstjes laten doen om het gebrek aan souplesse vast tekunnen stellen. En als je dan ook nog te horen krijgt dat je dit of dat zou móéten, dan grijp ik toch graag terug op het oud vertrouwde. Maar vandaag was er iets nieuws voor me. Al enkele weken hangt er bij mij in de garage een elektrische snoeischaar, “geërfd “ van de kinderen. Goddank geen echte erfenis want ze leven nog maar hij was overbodig geworden na hun verhuizing. Ik heb nog nooit zo’n ding in mijn handen gehad maar fantasie genoeg om me er heel gruwelijke ongelukken bij voor te stellen. Echter : de tuin groeide dicht en er moest gehandeld worden.

Vastberaden – want met trillende vingers is dit een slecht kwarwei – ging ik ten aanval. Wat een verrukking ! Zo moet mijn Turke kapper zich voelen als hij mijn hoofd te lijf gaat. Alles wat uitstak verdween als sneeuw voor de zon en de tuin groeide in lengte en breedte.Ik had er dermate plezier in dat ook de tuin van de buurvrouw eraan moest geloven. Met spijt hing ik het apparaat terug en sindsdien loop ik te peinzen over de vraag hoe het met andere ervaringen was die je voor ‘t eerst had. Het gekke is dat ik dat moeilijk terug kan vinden in mijn herinnering. Is dat omdat het overspoeld is door de herhaling, dat je het zó gewoon bent gaan vinden dat je het begin niet meer weet ? Of was het dermate ingrijpend en negatief dat het “eens maar nooit weer “ was ? Ik heb b.v. in mijn studententijd één keer een blikje gecondenseerde melk met suiker gejat. Ik kan de plek waar die melkzaak was nóg aanwijzen, het is nu een woonhuis. Helemaal tegen alles in van wat ik denk en waar ik voor sta. Dus nooit meer gedaan, maar ja, wel gepikt. Ik heb ook wel eens iemand geslagen. Laat ik hopen dat die ander het vergeten is, ik voel het nóg in mijn vingers.Maar van alle kostelijke zaken in het leven kan ik het begin moeilijk terugvinden, hoe dankbaar ik er ook voor ben. Zelfs van de pijnlijke gebeurtenissen weet ik niet

welke de eerste was. Wie was de eerste dode die ik zag, hoe ging ik zelf voor ‘t eerst als patiënt het ziekenhuis in ( pas 4 jaar geleden), de eerste afgang tegenover anderen (althans dat gevoel). Het zal de komende dagen vast wel door mijn hoofd spoken. Kómt er een duidelijke eerste keer, die op papier kan, dan zal mijn nachtboek hem zeker opvangen. Nu doe ik het met de schaar-beweging van vandaag en ik zag al enkele takjes die ook nog weg mogen.We zijn toch wel een stukje opgeschoten sinds Adam. Hij had een heel paradijs te onderhouden maar geen Black & Decker. Maar goed dat we daaruit zijn en ons tot een overzichtelijk tuintje kunnen beperken. En met zo’n ding scheelt het  veel “zweet des aanschijns “.

 

 

Donderdag 26 mei.

De verjaardag van m’n oudste dochter. Ik heb haar niet kunnen omhelzen – dat doe ik zondag – maar vaak aan haar gedacht. En aan 54 jaar geleden toen ze als een schoonheid van net 5 pond deze werel binnen stapte. Sindsdien laat ze daarop een duidelijke voetafdruk achter. Intelligent maar bovenal vol liefde en aandacht voor de mensen om haar heen ( haar gezin, ons, familie, vrienden, buren en iemand op straat)  en tegewoordig ook in haar werk en omgang  met mensen die aan dementie lijden. Omdat zij als één van de eersten deze woorden leest zal ik niet verder over haar uitweiden om haar bescheidenheid niet op de proef te stellen.

Vanmorgen wist ik zeker waar ik het nu in mijn nachtboek over wilde hebben. De kranten deden bij mij nogal wat stof opwaaien. Maar toen zag ik vanavond twee VPRO-documentaires die alle andere stof verdreven. Eerst over trouwen op Urk. Een fantastisch en respectvol gemaakt document. Maar ik zat wel op de punt van mijn stoel en met open mond te kijken. Het bestaat nog : de geloofs-beleving uit mijn kinderjaren. Een god die alles regelt en als er vreselijke rampen gebeuren daar wel een bedoeling mee gehad zal hebben. Een god die  je eten verzorgt, je nachtrust bewaakt, je reizen beveiligt etc.Het deed mij denken aan een huiskamergebed bij ons thuis voordat mijn ouders en drie andere volwassenen in de VW-kever plaats namen, imperial op het dak, en in één ruk naar Nice , over de Routes Nationales , waar ze 24 uur later arriveerden. In dat gebed werd god om bescherming gevraagd tijdens de reis.

ik denk dat zelfs een verzekeringsmaatschappij hier niet van wil weten. Daarom heb ik god ook maar met een kleine letter g geschreven. Dit lijkt mij een afgod.

En ondanks de sympathie die ik voelde voor enkele Urkers deden hun aannames mij hier ook sterk aan denken. Ook wat er gezegd werd over het huwelijk. Samenwonen, zelfs vrijen voor de trouwdag, mag niet van de bijbel want de seksualiteit is de kroon op het huwelijk. Waar staat dat ? Er kwam in de documentaire één visser aan het woord die samen met zijn zoon op zondag met de botter aan het varen was. Dat is op zich al uniek ( want zondag is op Urk een thuis- en vooral kerkdag) maar hij had ook andere gedachten. Zijn zoon noemde zich niet meer gelovig en wilde gaan samenwonen, sliep nu ook al met zijn vriendin, ook in het ouderlijk huis. Pa hoorde het allemaal glimlachend aan en zei  iets van : beter dan in een auto of zo. Bovendien is hij gedoopt,  dus een kind van God. Deze man deed mij denken aan oom Jo – geen familieoom maar  een man die oom genoemd werd omdat hij bevriend was met ouders of a.s. schoonouders - . Die had dezelfde mildheid en dat was voor mij als 18-jarige een warme douche in een kil klimaat vol ge- en verboden.

Aan dat godsbeeld moest ik ook denken toen ik laat in de nacht een andere documentaire zag over de jacht op  Bin Laden en consorten. Weer die haast lugubere uitspraken, dit keer van moslimfanaten, over god/allah die dood en verderf wilde en het leven van zijn martelaren dankbaar aanvaardde. Ik weet zeker dat de Marokkaanse halalslager, bij wie ik vlees haal voor de ossebuco, of mijn Turkse kapper, die mijn toenemende kaalheid  camoufleert met een zo kort mogelijk kapsel,  niet zo’n Allah aanbidden.

 

Vrijdag 27 mei

Kruijswijk is gevallen. In de sneeuw nota bene. Hij maakte een stuurfout. Hebben we allemaal wel eens : je fietst op het randje, wil er niet af en tóch gaat  het mis. Ik zag hem over de kop gaan. Gelijktijdig sneuvelden alle krantenkop-pen van deze morgen. Daarin had hij de Giro al zo ongeveer gewonnen. Wat staat er morgen in ? Eigen schuld, dikke bult ?  Ik herinner me ook zulke stuurfouten op mijn levensfiets. Kapitale blunders maar ook kleine ontsporingen waardoor ik even in de berm reed. In het laatste geval kon ik meestal zélf weer op koers komen. Maar bij grote uitglijders moest ik het dan toch hebben van mensen die je weer in het zadel hielpen,hun hand over het hart streken , konden vergeven.

Dit weekend rijdt Max Verstappen in Monaco. Een krankzinnig circuit in een kapitalistisch bolwerk, gesticht door de piratenfamilie Grimaldi die zich nu vorstenhuis noemen. Je moet maar durven. Nog grotere durf vind ik het om daar in die straten met een enorme snelheid te proberen de dood voor te blijven. Want die zit met diezelfde snelheid achter je aan. Eén stuurfoutje en hij haalt je in. Ik weet nog niet of ik ga kijken want ik vind die Max zo’n leuke vent.

Hiermee heb ik de 12e week van mijn nachtboek voltooid. Nooit geweten dat dit zoveel plezier kan geven. Ik schreef vroeger wel eens Nachtzwammen. Dat waren vooral ontboezemingen, zaken die me van het hart (= boezem)

moesten,  die opschoten als paddestoelen (= zwammen) en ook afgedaan konden worden als geklets ( = ook zwammen). Soms noemde ik ze nacht-gedachten, dat waren kennelijk meer serieuze momenten, al sta ik daar niet voor in. Toen ik eindelijk (op m’n 72e) met pensioen ging werden het Alsnogjes.

Wass ich noch zu sagen hätte, zoiets. (Dat liedje kwam in 1974 uit. Ik gaf het mijn vriend Wim Heusinkveld op ep (zo’n 45-toerenplaatje) bij mijn afscheid van Elst. Hij was leraar Duits en kon me haarfijn uitleggen wat dat : “ein letztes Glass im Stehen” betekende. Nog ééntje dan,  maar daarna  ga ik weg. Om het af te leren, logen we er dan bij.  Dat afleren heeft bij mij nog dertig jaar geduurd ! ) Maar op een geven moment stopte het met de Alsnogjes, ik heb geen idee waarom. Het viel stil. Nog één preek per jaar. Toen las ik het geheime dagboek van Hendrik Groen. Een tocht van 365 dagen door een verzorgings-huis.Hilarisch, kritisch, warm, mopperig, enthousiast, filosofisch en nog zoveel meer.Wat hem voor de pen kwam zal ik maar zeggen.Ook deel 2 heb ik verslonden.  Op de een of andere manier begon mij dat te inspireren tot : gewoon schrijven over wat me bezighoudt. En ik moet nu, na drie maanden, bekennen dat het mijn leven heeft veranderd. In positieve zin. Het doet me hartstikke goed. Met name het grazen in de tuin van mijn verleden, niet om daarnaar terug te keren of er mee af te rekenen. Veel meer om te kijken wat ervan geworden is en  hoe anders het leven en denken nú is . Bovendien heb ik het idee dat er genoeg aardige anecdotes en soms ook grotere verhalen zijn die de moeite waard zijn om op papier te zetten. Tientallen jaren deed ik dat letterlijk : met een vulpen op blocnootvellen. Tot die grandioze computer verscheen. Ik was er bang van en heb hem jarenlang gemeden. Nu is hij mijn rechter- en linkerhand. En als ik ‘s nachts klaar ben met mijn nachtboek biedt Youtube mij het plezier om mee te reizen met snelheidstreinen naar keuze over de hele wereld (met 600 km per uur door Japan b.v. en je zit voorin !). Of ik verdiep me in de Amerikaanse rechtspraak en dank iedereen op mijn bijna blote knieën dat ik niet crimineel ben en geen wegpiraat in de VS. Voor je het weet raak je verzeild in een levenslang nachtdrama. Tot besluit lees ik dan nog een half uurtje in bed. Dan is het laat, zo rond half vier. Tot tien uur in de morgen zijn er dan de dromen en daarna glundert de dag me tegemoet. En vanaf morgen week 13 van dit boek. Ik heb er zin in.

 

 

 

 

 

Nachtboek 11

Zaterdag 14 mei

Tijdens het strijken van 41 witte zakdoeken luisterde ik via Youtube naar gemeentezang. Ik kan het niet laten.Dit keer met bovenstem. Tweede stem wordt het ook wel genoemd of tegenstem. Ik zag mezelf als kind in de kerk  zitten. Ik wist precies welke mannen (want tegenstem of bovenstem is mannenwerk !) dit kunstje deden. Mijn grootste vermaak was om hen scherp in de gaten te houden, vooral als er een geliefde psalm werd aangeheven, zoals 42 (‘t Hijgend hert) of 68 (Geloofd zij God met diep ontzag). Je zag die kerels hun keel schrapen om de Heer daarboven eens een poepie te laten ruiken.  En ja hoor, bij de tweede of derde lettergreep van het lied zag je de halsspieren aantrekken en de aderen zwellen. Met wijdopen mond kwamen ze overal bovenuit en soms gingen ze onderdoor. Ik vond het geweldig. Ueberhaupt was de rol van de man in de kerk erg dominant. Bij het bidden gingen mannen en jongens staan. Als jochie in korte broek vond ik dat wat genant. Niet zelden kreeg je een lichte trap van je zusje in je knieholte. Dat zou ze vast niet doen als ik in een deftige lange broek stond te bidden maar dat liet nog jaren op zich wachten . Eerst moest ik de plusfours-tijd nog door, zo’n drollenvanger waar je ook al niet vrolijk van werd.

Dat staande bidden is begin jaren ’50 in onze kerk afgeschaft. Maar niets ging ooit zonder protest. In de Westduinkerk in den Haag heeft één man het tot zijn dood volgehouden :  elke dienst begon hij met een stil gebed, staande ,en ook bij elk gebed in de dienst verhief hij zich van zijn stoel. En reken erop dat hij niet achterin de kerk zat, nee hij zat op zijn vaste plaats rechts in de zijbeuk, vooraan, zodat iedereen hem kon zien. God ook.

 

Zondag 15 mei

Wat ben ik blij met dat nieuwe boek van Conny Palmen. Afgelopen nacht las ik treffende zinnen over mythen en dromen. Wie mij een beetje kent weet dat dat bij mij  in het potje valt. Ik geef een paar van die zinnen : “ De mythen zijn het kunstzinnig archief van universele , menselijke waarheden, ontdekt en opgeschreven om ons te laten overleven – Ze leggen het patroon van ons psychische drama bloot – De zoektocht naar de hoogste kennis – die van jezelf – voert je naar een karakter waarvan het prototype terug te vinden is in een held of een lafaard, een god of een rebel “. De bijbel staat ook  vol met mythen. Die moet je met respect laten staan. Zoek jouw prototype maar op, die held , die even later een moordenaar of lafbek kan zijn. Of die supervrome met die enorme ellebogen. Geen enkel bijbelverhaal heeft de pretentie journalistieke waarheid te bevatten, ook het Paasverhaal niet. Ze graven veel dieper. Toen ik vanmorgen de tv aanzette om iets van een Pinksterviering op te snuiven – naar de kerk ga ik niet meer – viel ik in iets van een opwekkingsbeweging. Een stampvoetend koortje dat ook nog een beetje zong maar niet mooi. Net als bij het songfestival, loeiharde muziekinstrumenten ( lieve jongens, er ís muziek voor die apparaten gecomponeerd hoor !) en stemmen die daar bovenuit proberen te schreeuwen. Wij weten dat Jezus leeft en dat zijn bloed de weg naar het vaderhart heeft gebaand. Dat zongen ze. En nergens zag ik een tongetje als van vuur en niemand wekte de indruk vol zoete wijn te zijn. Het was de snoeiharde ontkenning van welke mythe ook. Vandaar natuurlijk dat ze de stilte verdreven. Want een mythe laat je luisteren naar het geritsel van groei in jezelf. Morgen ga ik wat doormijmeren bij wat Connie Palmen schrijft over dromen.

 

Maandag 16 mei

Vandaag een nostalgisch toertje gemaakt. Door de Flevopolders, bekleed met wit (fluitekruid en margrieten) en geel (boterbloemen en koolzaad),en daarboven indrukwekkende wolkenpartijen en frisse wind. Al met al de Pinkstergeest van de natuur . In Kampen zong het orgel dat de Trooster is gekomen, de parakleet zei men vroeger, dat is het originele woord en betekent zoveel als iemand die erbij geroepen is. Of zou het iets of iemand zijn die jou weer bij de les van het leven roept ? Troost vind ik een link woord, vooral als het met een bakkie gepaard gaat. Op tv zie ik wel eens zo’n zalvend figuur die met een koffiekan op een kerkhof loopt te leuren. Zelf zou ik voor eventjes in een graf duiken om hem of haar te ontlopen.Maar hij of zij vindt altijd wel een slachtoffer en ja hoor : een bekertje en een bakkie troost uit een thermosfles.

En dan die vragen ! Natuurlijk is er wel eens iemand, misschien de meesten wel, die zeggen : sodemieter op met je gezeik, mag ik hier even alleen zijn ? Maar dat zenden ze niet uit. Ik loop zelf graag op een kerkhof al hoef ik er nooit te liggen. Mij boeien die teksten op  de stenen, vaak geijkt, soms verrassend. Elk jaar ga ik met Marijke naar het graf van een vriend van haar. Er staat een ruw houten stronk op zijn graf met de tekst : hier ligt mijn oude jas. Wij leggen er lelietjes van dalen bij die we een eindje verderop hebben geplukt. Die groeien en bloeien op graven uit de 20e en 19e eeuw. Over nieuw leven gesproken.

Als ik op de begraafplaats van Soesterberg loop zie ik de namen van de helft van mijn kerkgangers.Althans : dat was tot voor kort zo. Er is enorm geruimd.

Het waarom  is mij onduidelijk want er was ruimte genoeg. (Voor het aangrenzende asielzoekerscentrum hoeven ze toch hopeljk geen plek te reserveren.) Gelukkig zijn de namen ook in mijn herinnering gekerfd, dat had ik de doden ook beloofd toen ik hun kist liet zakken. Als ik nu tussen hen rondloop krijg ik gezelschap van steeds meer verhalen die ik met hen deelde.

Ze kunnen me nóg ontroeren. Ook troosten. Dat is als ze met vuur roepen : wegwezen hier en lééf en me dan stormenderhand van het kerkhof af blazen.

Allemaal Pinksteren. Het is een oogstfeest. De bedoeling daarvan is dat je met een lijf vol leven de geest hebt om er iets moois van te maken voor anderen en (daarmee) voor jezelf. Zit ik nou toch stiekem een preekje te houden ? Gaan we niet doen. Ik ga gauw lezen en bewaar de dromen voor morgen.

 

Dinsdag 17 mei.

Agnes en ik waren ooit in Blois, aan de Loire. Het was bloedheet. We zochten en vonden een hotelletje in het centrum, tegenover de Mariakerk. We kregen een kamertje aan de voorkant, vier hoog.  De wanden waren beplakt met tapijt en droegen de geur van eeuwen. Er was een raam met een lage vensterbank.  Omdat ik kan slaapwandelen en de temperatuur in de kamer bijzonder hoog was, waardoor een onrustige slaap verzekerd was , barricadeerde ik het raam met kastjes en stoelen. Toen kwam de droom : ik tuimelde uit het raam en mijn lichaam viel op straat. Zelf (?) zat ik op het puntje van de toren van de tegenover ons liggende kerk en keek toe. Ik zag mezelf liggen en ik zag Agnes  helemaal in paniek boven uit het raam om hulp schreeuwen. Toen kwamen de Sapeurs et Pompiers en die namen Agnes mee. Wat er met mij is gebeurd weet ik niet, behalve dan dat ik kletsnat wakker werd.

Op zaterdag 24 april schreef ik dat mijn vader mij als predikant een “breker “ vond. Nu een droom : het was in Elst, Kerstnacht. Stampvolle kerk.

Midden in het schip van de kerk stond een hoge preekstoel. Mijn vader en ik stonden daar samen op. Hij droeg een rode toga. Vlak voordat hij aan zijn preek zou beginnen stootte hij me aan en zei : ik ben mijn preek vergeten ! Ik zei : geen probleem. Dan mag u de mijne en gaf hem mijn preek.

En zeg nou ‘s dat dromen geen betekenis hebben. Ik heb ze jarenlang opgeschreven in schriften maar die uiteindelijk vernietigd, om twee redenen. Dromen zijn alleen voor de dromer zélf veilig ( kijk maar naar Jozef de dromer ; als hij niks aan zijn broers verteld had was hij nooit in die put verzeild geraakt). En ten tweede : toen ik de aantekeningen van mijn dromen teruglas herkende ik 90 % niet meer. Een droom is moeilijk volledig in woorden te vangen. Kleuren, emoties, onnoemlijk veel details, het gaat in elk geval mijn pen te boven. Een droom is net een soort Action-winkel. Beschrijf jij maar eens wat voor spulletjes je daar allemaal gezien hebt. Als je 10 % kunt opnoemen scoor je al  hoog.

Terug naar het boek van Conny Palmen. Zij schrijft : In het dagelijks leven proberen we ons verstaanbaar te maken door de taal van anderen te spreken in de hoop dat we daardoor begrepen worden, maar in de nacht, als de ratio en de sociale aangepastheid in slaap gesukkeld zijn, spreekt een ongebonden zelf ons toe in een hoogsteigen taal. – Het onbewuste is een opslagplaats van kennis, kunstzinnig vervormd door een eeuwenoude beeldspraak – De beelden – archaïsch en archetypisch in hun symboliek – zijn voor jou bestemd, aangeleverd door het verborgene en meest essentiële in jezelf. “

Zo mooi kan ik het allemaal niet verwoorden maar ik voel me wel thuis in wat ze zegt. Dit betekent o.a. dat ik nooit de droom van een ander kan uitleggen.

En een ander de mijne niet.Elk van ons heeft een eigen taal. Hooguit kunnen we elkaar wat helpen bij de symbooltaal maar dat is al glad ijs. Mijn leermeester in de Klinisch Pastorale Training, Wybe Zijlstra, was gek op dromen. Hij liet ze ons graag vertellen, leerde ons het onderscheid tussen lucide, glasheldere dromen ( zoals die twee die ik net beschreef) en , zoals hij dat noemde, mud, modder, een warboel. Hij liet onszelf ontdekken wat zo’n droom je te zeggen zou kunnen hebben. Graag verwees hij naar de archetypen van Jung.    Ik droom elke nacht, vaak meer dan één droom. Heel vaak ben ik ze kwijt als ik wakker word. Soms blijft je een vreemd gevoel bij ; alsof je iets hebt beleefd wat je raakte, leuk of eng, maar je weet niet meer wat. Of ik in dromen geloof ?  Ik neem ze in elk geval serieus want ze komen uit mijzelf. Ik zie ze ook als defragmentatie van ervaringen uit recent verleden. Ik heb in Soesterberg eens een keer een preek gehouden die ik begon met 26 ingrediënten van één droom. Dat waren ervaringen van hooguit twee dagen voorafgaande aan de nacht waarin ik die droom had. Daarin werden al die losse bestanddelen samengekneed tot één fantastisch verhaal. Geloof ik in voorspellende dromen? Gelukkig niet maar ik ken wel een aardige uitzondering. In mijn verlovingstijd waren we het weekend òf bij de ouders van Ina in den Haag òf we  gingen  naar mijn ouders in Katwijk aan Zee. Uiteraard werd op beide adressen geëist dat we strikt gescheiden sliepen. Toen we op een keer in de bus naar Katwijk zaten kwamen we langs een eenzaam gelegen hotel bij Katwijk/Binnen. Ik zei dat ik het liefst daar zou uitstappen en ons een weekend opsluiten in dat hotel. Maar braaf als we waren gingen we door naar het dorp van vis en kerk. In de weken daarna kreeg ik van Ina een brief waarin ze schreef dat ze gedroomd had dat dat hotel was afgebrand. Drie dagen later stond er een foto in de krant van een enorme hotelbrand. Dat was ons hotel, tot in de grond tot as vergaan. Dus zelfs een voorspellende droom hoeft geen bedrog te zijn. Ik kom er vast nog wel eens op terug.

 

Woensdag 18 mei.

Ik reed vanavond heen en weer naar Willemstad achter Moerdijk en realiseerde me tijdens het rijden hoeveel herinneringen de plaatsnamen op de verkeersborden oproepen.  Zoveel zelfs dat ik de autoradio kon uitzetten. Ik noem er wat. Soesterberg, 21 jaar heb ik daar gewerkt, mijn weide roep ik altijd als ik er langs rijd, met al die schapen. De Meern en Harmelen waar broers en zussen van Agnes hebben gewoond, op één na allemaal dood.  De Enkele en de Dubbele Wiericke op de weg naar den Haag, boezemwatertjes die ons pas opvielen toen we twee jaar geleden zondagsmorgens op weg waren naar mijn doodzieke broertje Bert. Ik zeg de namen voluit bij het passeren en denk dan aan Bert.  Woerden waar in de vijftiger jaren de redactie van de Elisabethbode zetelde in een heus kantoor.Vader , die één van de redacteuren was, moest daar regelmatig heen. Voor mij een uitgelezen kans om in de zwarte kever mee te rijden. Tijdens zijn vergadering maakte ik in de auto mijn huiswerk. Moordrecht, de eerste standplaats van broer Jan, waar Janny en hij hun eerste kindje kregen, helaas doodgeboren. Jan heeft het zelf in zijn Ford Cortina weggebracht naar het kerkhof, het kistje op de achterbank. Moerdijk, dat ik mij vooral herinner van de lange brug die we over gingen als we uit den Haag op vakantie gingen naar Zeeland in diezelfde vijftiger jaren. Het hele gezin Nawijn werd dan in een vrachtwagen geladen, bedden en fietsen mee, zeildoeken dicht, met enkele kiertjes voor de frisse lucht en enig uitzicht. In 1953 zag ik toen niet alleen die brug maar even verderop ook de verse littekens van de storm in februari, een troosteloos landschap. Op de terugweg uit Willemstad reed ik langs Oosterhout. Alle herinneringen aan mijn schoonzus Trees, zuster Maura in het klooster van de Benedictinessen, kwamen boven. Hoe energiek ze was toen ik haar daar voor het eerste ontmoette in 1979. Ik weet nog dat we in een gastenkamer in dat klooster op haar zaten te wachten. Ineens hoorden we een zacht ruisen, zoals Elia toen God voorbijkwam. Het was het geluid van haar habijt. Jarenlang las ik haar zaterdagsmiddags mijn preek voor en genoot van haar eerlijke commentaar. Ze heeft de gemeente in Soesterberg bewaard voor enkele te pittige uitspraken. Wat een contrast met de laatste maanden van haar bestaan. Ze dementeerde  en kon zalige nonsens vertellen. Zo beweerde ze op een zondagmorgen heel stellig dat ze ‘s morgens vroeg de paus had gebeld en hem eens flink de waarheid had verteld. Ik vroeg hoe zijn reactie was. Nou, hij had er best oren naar. Ze woonde in een nieuwe vleugel van het verzorgingshuis en ging er prat op dat zij het had ontworpen en laten inrichten. Een paar weken later kwamen er uit haar gesloopte lichaam alleen nog  geluiden van pijn.   Daarna zag ik de afslag Hank/Dussen , daar woont Jan de Wit, een medepatiënt uit het UMC in 2012. Ik zoek hem af en toe op, een gezellige Brabander die al tien jaar vecht tegen kanker in en rond zijn mond  maar niet kapot te krijgen en een en al gezelligheid. Dat zeg je niet gauw van een man. Tot slot dan het UMC. Ik kan het niet laten even naar rechts te kijken. Zoveel mensen die ik daar heb opgezocht : Silvester, Theo, Bernice, broer Evert,schoonzus Fie,  Jelmer en een hele stoet Soesterbergers. Met een variatie op Johannes (21 : 25) : als  al mijn ervaringen daar  beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die werden geschreven, niet kunnen bevatten. Als epiloog zou ik er dan mijn eigen operatie en alles drom en dran aan toevoegen. Doen we niet . Omdat het zo goed afliep kon ik opgewekt mijn weg vervolgen, net als vanavond.

 

Donderdag 19 mei.

Vanmorgen zat er een nieuwe Trouw in de bus. Andere letter, ander opmaak, andere indeling. Prima, zo blijft de lezer alert. Het eerste wat ik altijd las was op de achterkant Het gesprek. Een paar regeltjes, opgevangen in een winkel of waar ook. Je kunt ze zelf bedenken. Vrouw in supermarkt tegen bedrijfsleider, die moeilijk loopt : Hebt u artrose ?  Hij : moet u even kijken in het schap Homeopathie. Zoiets dus. Laat nou die rubriek vervallen zijn. Jammer want het gaf mij meestal de eerste lach van de dag.  Daarna zocht ik altijd op hoe lang de zon deze dag, al of niet achter wolken maar in elk geval boven de horizon was. Zon op, zon onder.Ook weg. En dat mis ik want alleen al die woordjes : zon op, zon onder, hebben bij mij heel oude papieren. Natuurlijk kan ik de gegevens vinden op Google, maar toch. Ik neem u me naar het strand van Wassenaar in 1948 . We waren daar op vakantie vanuit Kampen. Het vervoer ging toen in de vrachtwagen van wasserij van der Kamp. Helaas met gesloten deuren zodat we niks zagen van de weg heen en terug. Vader zit daar op het strand, in broek en overhemd en in zo’n houten ligstoel (waar je bij het opzetten zo lelijk je vingers tussen kon krijgen),  in de schaduw van de tent met een stapel papieren op zijn schoot. Tegenover hem zit één van zijn kinderen in zwembroek of zwempak, lekker in de zon (onbeschermd, want insmeren deden we niet aan) met één vel papier in  zijn of haar handen. De drukproeven van de scheurkalender voor 1949 van het traktaatgenootschap  Filippus werden gecorrigeerd. Vader werkte daar ook voor, het was één van zijn bijbanen om dat gigantische gezin van hem te kunnen onderhouden. Scheurkalenders zijn tegenwoordig in maar in die tijd uitzonderlijk. Ik ken ze eigenlijk alleen maar uit evangelisatiewerk van de kerken. Open Deur en Filiippus. Je had dan voor elke dag een blaadje met een korte meditatie van een bekende dominee (elke maand een ander) en op de achterkant een vervolgverhaal van een christelijke auteur, heel vaak een vrouw. Bij de woorden van de dominee stonden altijd drie bijbelgedeelten aangegeven die je die dag zou moeten lezen. En : onder dag en datum stond altijd zon op….. zon onder …., zodat je precies wist hoelang je die dag kind van het licht kon wezen. Een drukfoutje is gauw gemaakt en dus moesten al die getallen gecorrigeerd worden.  Bij toerbeurt lazen de kinderen Nawijn elk de getallen van één maand voor. Zon op, zon onder. En vader liep met zijn pen de drukproeven door en verbeterde waar nodig zodat de zon niet te vroeg opkwam of te laat onderging. Op het strand van Wassenaar ben ik tot vijf jaar geleden nog geregeld geweest. En als je je oor goed te luisteren legde hoorde je in het helm nog de echo van zon op, zon onder.

 

Vrijdag 20 mei.

Christenen en seks, dat is nooit zo’n goeie combinatie geweest. Niet dat ze er niet aan deden – de uitbreiding van het christendom had toch ook met vermenigvuldiging te maken – maar hun gedachten erover waren niet florissant. Wanneer is dat misgegaan ?  De apostel Paulus was natuurlijk al geen vrolijkerd op dat gebied. Hoewel vrijgezel deed hij toch forse uitspraken over b.v. huwelijk en homoseksualiteit. ( Prof. Rothuizen heeft daar eens een keer over gezegd : sommige dingen weten wij gewoon beter ! Van homoseksualiteit als natuurlijk gegeven wist Paulus niks af). Enkele eeuwen na Paulus was er de kerkvader Augustinus, ook niet mis. Maar die had seksualiteit geleerd in relatie met hoeren, dat lijkt mij geen beste leerschool. Toch hebben hij en later andere kerkbazen grote invloed gehad  op de houding van de kerk (en daardoor van  kerkmensen) tegenover seks. Het had vooral veel met zonde te maken.En verder graag mondje toe. Wonderlijke gedachte eigenlijk, vooral voor hen die het scheppings-verhaal heel nauw nemen : man  én vrouw werden geschapen en vervolgens mogen we over het onderscheid en het samenspel niet praten, laat staan er zo plezierig mogelijk van genieten. Ik weet nog dat in de ‘60er jaren van de vorige eeuw  de Gereformeerde wereld  op dit punt werd opgeschud door dr. Dupuis met zijn boek : Geniet het leven. Dat was even andere koek dan “Uw lichaam een tempel “ en “Stomme zonden “ waar de vorige generatie  het mee had moeten doen. Het werd ook een botsing van generaties.  Ik herinner mij een vervelende affaire in dit verband. ik kreeg in mijn eerste gemeente begin jaren ’70 een verlovingskaartje (die had je toen nog) van een stel catechisanten, gestuurd vanaf een warm eiland in de Middelandse Zee. Ik stapte ‘s avonds in de auto om de ouders even te feliciteren. Uiteindelijk liepen die ook een feestje mis. Daar hoorde ik dat het stel ( wat op mijn advies allang een keer een bezoek had gebracht aan de Rutgersstichting)  in een tent wilden kamperen op dat eiland. Dat hadden zij als ouders verboden !  Op mijn vraag : wat nu ? kreeg ik ten antwoord dat ze in een hotel zaten, maar wél elk een aparte kamer ! En gij gelooft dat ! Ik kon het niet laten op te merken dat één kamer ongebruikt zal blijven en dat een hotel wél zo comfortabel is.  Toen brak de pleuris uit met als eindresultaat dat de betreffende vader aftrad als ouderling vanwege de vrije opvattingen van de dominee. Maar ík had niet in dat hotel gelegen !

Nu lees ik in de krant dat de 2e Kamer is bijgepraat door deskundigen over de seksuele voorlichting die tegenwoordig gegeven wordt. En ja hoor, drie christelijke partijen melden zich af. Uiteraard met  mooi bedachte redenen. Maar juist zij weten toch hoe het vreselijk mis is gegaan in kerkelijke gemeenschappen en hoeveel slachtoffers  er zijn gevallen. In de RK kerk maar evengoed in de Protestantse hoek. En denk ook eens aan het leed wat mensen is aangedaan  door hun seksuele ontdekkingsreis zwart te maken en als zware zonde te betitelen. Ik zou vanuit mijn pastorale werk een dik boek kunnen schrijven  over de pijnlijke ervaringen die ik te horen heb gekregen, zelfs van met name vrouwen  op zeer hoge leeftijd. Persoonlijk herinner ik me hoe spannend het was als er in de kerk gepreekt werd over het 7e gebod. Er waren vroeger ‘s middags catechismusdiensten en vanzelf kwam dat gebod dus ook aan de orde. De kerk was dan altijd voller dan normaal. Het 7e gebod gaat over echtbreuk, scheiding, maar de catechismus maakt er van “dat alle onkuisheid van God vervloekt was en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven mogen – Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat den mens daartoe trekken kan. “  Ik hang ! En daar zal dan wel weer vergeving voor zijn maar de lol is eraf. Zo lijkt het net alsof we niet goed uit de smidse van de Schepper zijn gekomen. Ik geef geen catechisatie meer ( weet eigenlijk helemaal niet of het nog bestaat) maar ik zou deze tekst graag eens voorleggen aan de generatie van nu. Ik vrees dat ze denken dat ik Arabisch spreek, toevallig (?) de taal van een wereld waarin die catechismus méér past. Niet als één van de grondslagen van de PKN ; dat vráágt om kerkverlating, vòòr het zingen.

Nachtboek 10

Zondag 8 mei

Gisteren heb ik niets aan mijn nachtboek kunnen toevoegen. Het klepje wilde niet open. Of de geest was er niet. Ik heb wat dom zitten kijken naar beelden van beveiligingscamera’s . Winkelovervallen, berovingen van banken, dronken bestuurders. Dat werk. Ik slaap daar prima op omdat boeven gepakt worden.Daarna las ik het bijbelboek Amos. Ik heb altijd het idee dat ik daar een keer uit gepreekt heb, met name over de teksten waarin deze boer uit Tekoa lekker uithaalt naar de boeven van zijn tijd. Ik zou dat nu niet meer durven. Maar het gekke is : ik héb er nooit over gepreekt. Altijd gewild maar nooit gedurfd, zoiets. Ik geef wat citaten en dan begrijpen jullie vast wel het waarom.

“ De Heer zegt : Ik haat jullie feesten. Ik wil er niets mee te maken hebben. De offers die jullie brengen wil ik niet.- Val me niet lastig met muziek en liedjes.- Jullie liggen maar op bed, jullie zitten lui op de bank. Jullie eten lekker vlees.- Jullie schreeuwen en maken muziek. Jullie drinken wijn uit grote bekers. Jullie verwennen jezelf met de lekkerste geurtjes. En dat het volk pijn heeft, dat maakt jullie niets uit.- Eerlijk gedrag willen jullie niet belonen. Maar nu is het afgelopen met lui zijn en feesten “ . Hoe zou je hierover moeten preken terwijl je kip in de oven staat, de geur van aftershave nog om je heen hangt en je lekker lui op de bank naar de Giro en voetbal ligt te kijken ? Of uit het nieuwe liedboek zingt en wat extra’s  in de collectezak doet ? Zou dat allemaal niet goed zijn ? Zijn we dan boeven ? Moeilijk hoor om met die harde taal uit de voeten te kunnen. Vooral als je een levensgenieter bent. Nu weet ik wel dat daar ook wel teksten voor te vinden zijn maar die wil ik helemaal niet nodig hebben. God is dáár te vinden waar recht gedaan wordt. Dat las ik ook pas, ik denk bij Hosea.Is dat eigenlijk niet genoeg. Wat jij wilt dat jou geschiedt doe dat ook een ander aan.

Vandaag ook afscheid genomen van onze logé, de hond van zoon Harold. Die bracht echt beweging in onze lijven.  Heel sneu was het dat bij de laatste ochtendwandeling die Agnes met hem maakte, zij over een trottoirband is gestruikeld en plat op haar gezicht terecht kwam. Gezicht gehavend en bril kapot. Het was niet de schuld van de hond maar wel een bloederig geheel. Het deed me denken aan ruim 5 jaar geleden toen ze ook zo terechtkwam. Toen gaf haar heup het op. Gelukkig was dat nu niet zo. Bij thuiskomst riep ze in de gang al : het is niet mijn heup hoor, maar…. Wij moeten, zei Prediker al, op onze leeftijd vrezen voor de hoogten. Een drempel of trottoirband kan al hoog genoeg zijn om je val te veroorzaken. Daar heb je geen last van als je lekker lui op de bank ligt. Daar zou Amos ook wel eens mogen denken. Maar die had Prediker nog niet gelezen. Dat verscheen pas enkele eeuwen later. Jammer want hij was er vast wat vrolijker van geworden.

 

Maandag 9 mei

Laat ik nou gisteren helemaal vergeten zijn te melden dat ik zo blij was dat Ajax geen kampioen werd. Ik heb me werkelijk doodgeërgerd aan deze club. Dat gedoe met die bobo’s, oud-spelers in ouderlingenpakken , op Cruijff na, en dat vreselijke spelletje wat ze speelden. Zoals mijn oma breide, schreef Hugo Borst in het AD, Echt leedvermaak had ik bij al die foto’s met treurende gezichten. Tweede is toch ook mooi. Blij met PSV ? Nee, ook niet. Ik haak als kijker helemaal af bij de eredivisie. Geef mij maar de  Engelse competitie. Daar lopen ze nog voor hun centen.

In Trouw een In Memoriam over Simone Kleinlooh, theatervrouw en ballerina. Wist ik allemaal niet maar haar achternaam kwam mij zo bekend voor dat ik ben gaan lezen. En ja hoor : de dochter van ! Simon Kleinlooh, organist in de hervorme gemeente in Elst, begin jaren ‘70. Een gesoigneerde man die  net zo speelde.   Toen het nieuwe liedboek uitkwam vroeg hij me in een dienst het lied : “Verheug U, gij dochter van Sion “ te laten zingen. Hij zou het met de gemeente instuderen. Ze zongen het als lijsters. En telkens als ik dat lied tegenkom denk ik aan Simon. Denk niet dat ik echt Simon zei. In die tijd was tutoyeren en voornamen en zo not done. Nu kwam Simon langs omdat zijn eigen dochter stierf.

En dan tot slot : in het AD een kop : Nieuws over Adam en Eva op oude kleitabletten.  Op kleitabletten uit de 13e eeuw voor Christus hebben geleerden een oerversie van het verhaal van Adam en Eva  (ongeveer 6 eeuwen later geschreven)  gevonden. Hier die oud-oosterse mythe : “Een kwade godheid, Horon, wil de plek innemen van de scheppergod El, de hoogste god (in de bijbel Elohim). El straft Horon door hem van de berg van de goden af te werpen. Uit wraak transformeert Horon zichzelf in een reuzenslang, die de Boom des Levens vergiftigt, waardoor alle leven op aarde bedreigd wordt. De god Adam probeert Horon uit te schakelen, maar faalt. De slang zet zijn giftanden in zijn vlees en Adam krimpt tot een sterfelijk wezen met aardse proporties, de eerste mens. Als troostprijs ontvangt hij een “goedaardige vrouw “ , zodat de mens als soort via de voortplanting toch eeuwig kan voortleven “. Bijzonder is dat in dit verhaal de vrouw geen enkele blaam treft, al vind ik de typering “troostprijs” nou ook niet van hoge waardering getuigen. In Genesis is de vrouw  echter nog veel slechter  af; zij verleidt immers de man om van de vrucht te eten.

Ik vind dit soort vondsten geweldig. Bewijs des te meer dat de bijbelverhalen aanleunen tegen culturen rondom, vaak veel ouder en minstens zo mythisch.

D.w.z. geen werkelijke historie en dat maakt die profeten die ik net gelezen heb ook wat meer te pruimen.

 

 

Dinsdag 10 mei.

Deze nacht is het zes en zeventig jaar geleden dat Nederland nog dacht de Duitsers tegen te kunnen houden. Maar geen Grebbeberg of waterlinie was tegen dat geweld opgewassen. Vreemd idee dat dit nog tijdens mijn leven is gebeurd. Daarna ben ik  71 jaar lang  niet anders dan vrede gewend. Bofkont eigenlijk want wereldwijd ís er wat afgevochten  en gesneuveld in al die jaren ! Wat ben ik blij met onze vrijheid en wat kan ik me opwinden over mensen die die vrijheid niet aankunnen. Die denken dat het alleen iets van henzelf is, niet van anderen. Vrijheid is pas echt als je het samen beleeft. Zelfs het intieme woord vrijen is daarvan afgeleid. Het is alleen maar leuk als mensen zich er samen vrij bij voelen. Genoeg gepreekt (dit vertelde ik vaak in huwelijks-diensten).

Vanavond zette ik net op tijd (en gelukkig geen seconde te vroeg) de tv aan om de uitslag van het Eurovisie Songfestival (deel  1) te zien. De hele rits artiesten kwam langs in samenvatting. Wat een ellende voor m’n oren. Keiharde muziek, vooral ritmisch, waar zangers en zangeressen amper bovenuit konden komen.

Ze móésten wel schreeuwen. Zette ik het geluid uit dan restte een een beeld vol glitter, vrouwen met onbeweeglijke borsten, ‘t  leken allemaal zusjes van elkaar, springende mannen met van die sportschoollijven en twee presentatoren die het kijkersvolk als kleuters behandelen. Ik hoef er deze week verder niks meer van te zien. En over Douwe Bob, onze Nederlandse inzending zal ik maar zeggen ? Zijn ogen lijken op die van een Sovjet-tegenspeler van James Bond. Meer kan ik er echt niet over zeggen.

In mijn voortgaande lezing van de bijbel in gewone taal ben ik bijna bij het eind van het Oude Testament. Ik zit in de Kleine Profeten. Nog vijf : Habakuk, Sefanja, Haggaï, Zacharia en Maleachi. Vroeger moest je de bijbelkboeken bij name kunnen opzeggen, in de goede volgorde. Ik kon het bijna net zo vlug als het alfabet en verheugde me altijd op die laatste vijf, met die heerlijke alliteratie van de letter a. Ik had ze geleerd van een meester met een dikke kop. Als hij ze opzegde (of opzei, wat je wilt) dan zag je die vette ossenhaaswangen meetrillen. Een fascinerend gezicht en het hielp bij het onthouden. Nu wacht het Nieuwe Testament. Ik zie daar best tegenop met deze vertaling. De grondtaal is Grieks en dat lag me altijd meer dan het Hebreeuws van het Oude Testament. Ik vrees nu al dat ik me ga ergeren aan het gestoethaspel met de grondwoorden. Dat gebeurde ook al in vorige vertalingen van het Ned.Bijbelgenootschap. Ik geef daar ook niet meer aan. Zoals zij met de bijbel de markt op gaan kan volgens mij niet de bedoeling zijn. Helemaal erg wordt het als er losse afleveringen – een evangelie van Johannes of zo – worden verspreid. Alsof  dat allemaal los verkrijgbaar is. We zullen zien. Ik mag pas echt een mening hebben als ik het gelezen heb.Zoals ik ook eerst iets gezien moest hebben van dat zangfestijn op deze avond om het helemaal niks te vinden.

 

Woensdag 11 mei.

De dag begon met een berichtje in de krant waar ik aanvankelijk heel vrolijk van werd. Het ging over een echtpaar in de VS die in veertig jaar tijd een keten aan veganistische restaurants hebben opgericht. Ze zijn kort geleden verhuisd naar een biologische boerderij, maken daar hun eigen kaas, eten eieren en slachten  af en toe een koe. Dat schiet bij een deel van de klandizie in het verkeerde keelgat ! Doodsbedreigingen en oproep tot boycot van de restaurants zijn het gevolg. Zelf vlees eten maar rijk worden aan veganistische eettafels , dat kan niet. De manlijke helft van het echtpaar heeft echter een motief : “Koeien brengen het ultieme offer, maar dat is hun plaats in de orde van God. Wij kunnen deel van dat offer zijn “. Mijn krant noemt dit een goed verkooppraatje maar ik snap er niks van. Of gaan we over tot kannibalisme uit solidariteit met die koeien ? Ik heb veganisme altid al iets engs gevonden. Vroeger had ik een collega die eraan deed. Zo humorloos, overserieus en nergens een lach. Hij kwam wel eens voor een groep militairen spreken. Na afloop vlogen of kropen de jongens naar de Mc Donalds aan de overkant. Veganisme is een geloof. En nu kom ik terug op het begin van de dag : ik zei dat ik er aanvankelijk heel vrolijk van werd. Maar nu ik zeg dat het een geloof is voel ik iets van een boemerang. Stel je eens voor dat één van mijn lieve lezers denkt : ja, maar jij hebt ook 40 jaren vanuit een geloof gewerkt. Mensen uitgenodigd aan de tafel, de verhalen uit de bijbel naast hun leven gelegd en noem maar op. En nu ? Weinig aardige woorden voor de profeten, grote vraagtekens bij God. Slacht ik niet stiekem een koe ? Ik wil geen goed verkooppraatje houden. Ik twijfel en zoek, méér dan vroeger. Ook omdat ik dat nu makkelijker durf. Laf ?  Ik hoop het niet. Ik zou zonder de ervarng in die 40 jaren niet geweest zijn wie ik nu ben en dat is positief bedoeld. Ik heb ook geen knollen voor citroenen verkocht. Hooguit wat minder knollen dan verwacht.

En , o.k.dan, een enkele keer een citroen. Als ik bij iemand een gebed uitsprak omdat erom gevraagd werd en ik dat helemaal niet wilde. Ik ben nooit zo’n bidder geweest maar kon dat als ds natuurlijk niet verkopen, zeker niet in het begin. Nu bid ik nooit meer. Althans niet  in de vorm die we daarvoor kennen.

Mocht er bij welke eindafrekening ooit gevraagd worden naar mijn aantal gebeden, dan zal ik vooral moeten teren op de enorme voorraad die ik in mijn jeugd heb aangelegd. En op de moderne liturgieën in kerken waavoor je soms vijf gebeden moet maken. Want spontaan bidden kan ik niet. Ik studeerde daar minstens zo hard op als op een preek, maar vijf vind ik wel erg veel. Er is toch geen oor die dát aankan.

Donderdag 12 mei

Die voorraad gebedjes uit mijn jeugd, die mogelijk van nut kunnen zijn bij een eventuele eindafrekening,  deed mij denken aan een kostelijke fantasie die ik ik regelmatig heb. Ik probeer anderen ook wel eens op dat spoor te zetten omdat er best wat uit te leren valt. ik stel me voor dat ik na mijn dood in een grote hal terechtkom. De hal bestaat uit twee gedeelten.In de eerste  is alles uitgestald wat ik in mijn leven heb gebruikt, aan voedsel en kleding.Een enorme supermarkt en een kleinere Cen A. Een gigantische slijterij met vooral veel bier uit de tijd dat ik nog dronk (tot 2006). Een paar fietsen en 12 auto’s, een grote tabakszaak. Een klein mediamarktje met allerlei nuttige maar ook veel overbodige apparaten. Alle huizen waarin ik ooit gewoond heb en de vele vakantiewoningen die we huurden. Een boekhandel met alle boeken en kranten die ik las. Een mediatheek met alle films en tv.uitzendingen die ik bekeek . Een apotheek met dozen vol pillen en poeders.Een spelletjeskamer met kaarten en cryptogrammen (alleen al van de NRC heb ik er bijna 3000 opgelost).En ga zo maar door. Aan het eind van de hal staan alle dieren die voor mij geslacht zijn,koeien en varkens, kippen en een enkel konijn,een paar hazen en kalkoenen en zelfs een paar kikkers vanwege hun billetjes. En helemaal aan het eind staan m’n honden. Zij waren zonder uitzondering om op te eten maar dat deed ik niet.  Zij vraten óns kaal.  Zij markeren meteen de overgang naar de tweede afdeling, een soort ontmoetingshal.  Daar zie ik alle mensen die ik ooit heb ontmoet. Gelukkig heb ik een eeuwigheid de tijd want er zijn er erg veel. M’n ouders komen aan gezweefd. Ze maken direct een afspraak om eens grondig door te praten. Broers, zussen, zwagers, schoonzussen, verdere familie. Vrienden en vriendinnen. Collega’s, ambtenaren en dominees, buren, mensen uit kerken. Leermeesters ook, sommigen hoofdschuddend omdat ik me niet hield aan hun wijsheden. Dokters en therapeuten, sommigen inderdaad heilig.Dat zijn ál die mensen in de ontmoetingshal  maar dezen waren dat beneden voor mij ook al een beetje, dus nu allerheiligst. Tja, ook de mensen aan wie je een hekel had zijn er. Ik ben zo benieuwd  hoe mijn vreselijke lerares Engels zal zijn in hemels gewaad. En die nee-schudders uit de kerk,zullen ze nu juichend hun hoofd omhoog heffen ?

Misschien vinden jullie het een lugubere fantasie maar dat valt echt mee. Probeer hem maar eens uit.Met je eigen hal. En je eigen hemel want die is het mooist.

 

Vrijdag 13 mei

Trouw is mijn lijfbblad, al zeker 40 jaar. Maar ook eerder had ik met die krant te maken. Dat was in mijn studententijd eind jaren ’50. Ik was vanuit ons kleine studentenwereldje ( nog geen 60 man) het contact met de pers. Dat betekende dat ik bijzondere gebeurtenissen, zoals een promotie of jaarfeest, voor de krant mocht verslaan voor de plaatselijke pers (Kampen had toen twee dagbladen !) maar ook voor Trouw. Ze betaalden in Kampen 4 cent per regel, maar Trouw een dubbeltje. Reken erop dat ik bij voorkeur lange zinnen bouwde want de rekening op de soos moest ook voldaan worden.  Met name bij promoties  kon ik mijn hart ophalen (en later de centen) want dan moesten er veel moeilijke woorden worden uitgelegd. De meesten moest ik ook in woordenboeken opzoeken want ik begreep er in het algemeen de ballen van.

Tegenwoordig heeft Trouw dagelijks op pagina 2 – de achterkant dus van het grote nieuws – een rubriek die “Klein Verslag “ heet, vaak geschreven door Wim Boevink. Juweeltjes die een kroniek vormen van de kleine , alledaagse gebeurtenissen, zoals hij hetzelf noemt. Vanmorgen was het weer volop genieten. Hij citeert uit een radiogesprek dat Esther Naomi Perquin had met de schrijfster Connie Palmen n.a.v. haar nieuwste,bekroonde roman :“Jij zegt het“. Nu ben ik niet zo’n enorme fan van Palmen. Dat komt o.a. door een opmerking van een andere Nederlandse schrijver die over haar iets zei als : zij klimt in elke vent die ook maar iets voorstelt. Toen keek ik anders naar haar twee overleden echtgenoten. Maar dat is eigenlijk gemeen. Want  bij die Nederlandse schrijver zelf zijn méér steekjes los. Misschien hoort dat wel bij hun ambacht, net als het haar van Palmen. Een coupe die je ook bij Jeroen Pauw en vele anderen ziet waarvan mijn vader zou zeggen : ga jij even naar boven en kam je haren.

In het radiogesprek zei Palmen zulke mooie dingen dat ik weer wat in haar richting ben opgeschoven en zelfs haar boek heb gekocht. Ik citeer :

“Als de waarheid niet bekend is, dan begint de fictie. Alle fictie is een ode aan de verbeelding, omdat de waarheid niet bekend is. – We zeggen niet de islamieten zijn schuld of nee, de joden. Nee , we weten het niet. Daar begint de literatuur. We kennen de waareid niet. We weten niet of Israël fout is , of Palestina. – We weten niet waarom Wim Brands zelfmoord pleede. We weten niet waarom Joost Zwagerman zelfmoord pleegde. We weten het niet.In die grote leegte van het niet weten begint de literatuur. Dat is waarom ik literatuur maak. Om in die grote leegte van het ontbreken van de waarheid een verhaal te vertellen. En dan zul je zien dat de wereld draait om verhalen. – We weten het gewoon niet. Punt “

Wim Boevink sluit zijn Klein Verslag af met deze zinnen : “Wat een verheffing van het niet weten. Niets is zeker. Waarheid is een flits van licht. Daarna is het weer duister.”

Ik was even heel stil. Wat een schitterend begin van de dag. En wat een troost. Ik betrok het meteen op mijn ervaring met al die bijbelverhalen. Wie is God ? We weten het niet. En daarom zijn er verhalen over Hem gemaakt. Het is fictie die boven de werkelijkheid uitgaat en er tegelijk diepte aan geeft. De massieve opvatting dat de hele bijbel openbaring is van God maakt plaats voor flitsen van licht. Om die te ontwaren moet je wel die verhalen door. Ga ik zeker ook verder doen maar ik verleen nu voorrang aan Connie Palmen. Ik ga haar lezen, met een potlood in mijn hand en ze belandt vast nog wel in mijn Nachtboek.

En anders klimt ze er wel in.

 

 

 

 

 

Nachtboek 9

Zaterdag 30 april

In mijn voortgaande lezing van de bijbel zit ik middenin Ezechiël. Het speelt zich allemaal af aan het begin van de ballingschap in Babel,midden 6e eeuw voor Christus. Hij heeft veel dromen, op het nachtmerrieachtige af. Toch ook veel stoere taal. Het eigen volk wordt absoluut niet gespaard maar de andere volkeren helemaal niet. Als je het met moderne ogen bekijkt lees je over een heel arrogante god. En als je uitgaat van de stelling van Kuitert dat alles wat over boven gezegd wordt van beneden komt ( uit mensenmonden dus) dan hebben het volk israël en Juda wel een heel rigide godsbeeld ontworpen. Zeker, er staan ook prachtige zinnen in over een goede samenleving en zo maar voordat die er is moet er kennelijk veel bloed naar de zee. Ik verbaas mezelf erover hoezeer ik dit allemaal op afstand lig te lezen. Het schokt me meer dan dat het me ontroert. En ik word er eerder minder dan meer religieus van. Wij lazen vroeger thuis de bijbel aan tafel, aan het eind van elke maaltijd. Iedereen had een eigen exemplaar, in een soort plastic gekaft. Dat was tegen de jusvlekken en tegen de kruimkes die niet van de tafel waren gevallen ( voor de hondekens,die we niet eens mochten hebben).  Volgens mij deden wij ook aan een soort doorgaande lezing. Met uitzondering van verhalen waarin seks voorkwam.  Zoals Juda en Tamar (Genesis 38), David en Bathseba (2 Samuël 11) en het Hooglied. Die las ik dus buiten de maaltijden om en ken ik ook het beste

Op school werden die verhalen wel verteld maar aangepast. Zo werd van Batheseba verteld dat ze de was stond te doen i.p.v. dat ze zichzelf stond te wassen.Nu had ik een beeld op mijn netvlies van vrouwen die de was stonden te doen : mijn moeder en onze huishoudster stonden op de maandagmorgen met opgestroopte mouwen en rooie koppen boven de tobbe te schrobben. Ik kon me absoluut niet voorstellen dat welke koning ook dáár op zou vallen.Ge-

lukkig ontdekte ik bij eigen lezing dat David echte smaak had. Hij had trouwens en heleboel vrouwen, zij het nog niet zoveel als zijn zoon Salomo later. Ik vond het altijd maar aanvechtbare voorbeelden van een bijbels huwelijk waar ze zich in orthodoxe kringen graag sterk voor maken. Ervaringsdeskundigen waren  geweldig polygaam  en de hoofdfiguren van het Nieuwe testament, Jezus en Paulus waren vrijgezel. Terug naar Ezechiël : ik vraag me af of al deze verhalen ook aan onze tafel gelezen werden. Vast en zeker wél bij jan Wolkers thuis, en dan uit de Statenvertaling. Daarin is God niet woedend (zoals in die Jip en Janneke vertaling die ik nu lees) maar toornig ! Als je dat een beetje streng uitspreekt heeft het ook iets. Wij moesten aan tafel om de beurt lezen. Dat ging niet op het rijtje af. Middenin een zin riep vader ineens je naam en dan moest je zonder te haperen verder lezen. Anders had je niet opgelet. Laten we er maar vanuit gaan dat ook die grote profeten langs zijn gekomen. Mét al hun vreselijke aankondigingen en nachtmerries.Ze zijn bij mij niet geland ! Laat ik maar eerlijk zijn : sommigen lees ik nu voor het eerst, althans bewust.En eigenlijk snak ik een beetje naar het einde en misschien maar weer eens een gewoon boek.

 

Zondag 1 mei

Het eerste wat ik vanmorgen zag toen ik de tv aanzette was het ontzagwekkende hoofd van kok Jaspers. Maar goed dat ik breedbeeld heb anders hadden zijn oren en wangen naast het toestel gehangen. Hij zit ook in de jury van zo’n kookprogramma waarin amateurkoks helemaal gek worden gemaakt met de tijd. Nog twee minuten en de tijd is om, roept deze alles-proever, terwijl de kandidaten zich uit de naad werken en misschien nog drie of vijf minuten nodig hebben. Ik vind koken ook leuk en als het wat langer duurt, so what ? Zitten de gasten in een restaurant  met een stopwatch in de hand op hun maaltijd te wachten ? Zo ja, er meteen uit schoppen. Jaspers had het nu over de bbq en mocht dat demonstreren. En let dan op de commercie : hij loopt naar een keramische bbq en zegt meteen dat dit het beste van alles is.

Uit de verhalen over Martin Bril, die zo leuk over zijn Volvo kon schrijven, heb ik inmiddels begrepen dat Volvo hem een auto had geschonken. Bij Jaspers gaat er dus wel een keramische bbq in. Wel via de publieke omroep trouwens. Net als bij Matthijs van Nieuwkerk van de VARA (die zijn salaris met tien duizend euro verhoogd zag  tot 580.000 euro per jaar, publiek geld wel te verstaan). Hij maakt ook gretig reclame voor nieuwe boeken en cd’s. Dat zal die rooie omroep geen windeieren leggen. Ik vraag me af wat er nog rood is aan die omroep , er van uitgaande dat die kleur stond voor sociaal en zo. Switchen naar de religie op Ned.2 deed me eerst een caravan zien die met een stukje uit de bergrede was beschilderd (reclame voor Jezus) en daarna een kerkelijke vertoning met priesters en vlaggen. Dan ben ik weg. De dikke zaterdag NRC vulde verder mijn ochtend. Het meest was ik getroffen door een artikel van de oud-correspondent van deze krant in Moskou. Hoe de kernramp in 1986 in Tsjernobyl (vlakbij Kiev in de Oekraïne) in de Russische hoofdstad  bijna werd doodgezwegen. Wat er van te zien was waren beelden van mannen in leren schorten die  opruimden. Geen van deze mannen leeft meer vanwege de enorme straling die zij opliepen. Zo is ook de berichtgeving over MH 17 sterk gemanipuleerd. Dat daar een Rssische eenheid al twee straaljagers en een transportvliegtuig had neergeschoten en haast routinematig ook op de knop drukte toen dat vliegtuig met vakantiegangers overvloog mag absoluut niet in de Russische pers. Dat vertroebelt het beeld van een perfect functionerend leger. En mannen als Poetin (en onze tijd kent er nog een paar van dit kaliber) gaan niet graag door het stof.   Ik ben gaan fietsen met de hond. Het was eindelijk voorjaar. Op de Hooglandse golfbaan stonden ze haast in de file voor het volgende hole. Ik ben op de gezichten gaan letten van fietsers en wandelaars die ik tegen kwam. Kijken of de zon erop stond. Viel tegen. Slechts een enkeling groette. Eén nog jonge vrouw op de fiets keek zo allemachtig lelijk dat er een wolk voor de zon trok. Het licht was aan haar niet besteed. Zonde want de hele natuur danste . Daarna ben ik even met Karin op het bankje voor haar nieuwe huis gaan zitten. Toppunt van gezelligheid. Ik had een hand vol krantenknipsels voor haar. Resultaat van mijn krantlezen met de schaar. En onder het genot van een sigaret en een verse tompouce van AH namen we het leven even door. Kostbare momenten. Vreselijk jammer dat dit niet zo makkelijk kan met Barbara (vanwege de afstand) want die zou dat goed kunnen gebruiken nu zij en Kees in hun bestaan bedreigd worden door haar schoonouders. Gaat om geld, veel geld, voor ouwe troep waarin ze wonen en werken. Ik begrijp niet dat ouders geld verkiezen boven het geluk van hun kinderen. Ik heb daar nooit mee te maken gehad en wat ben ik daar blij om.  God of Mammon. Dan toch maar God , al heb ik m’n handen er vol aan om iets van Hem te snappen.

 

Maandag 2 mei

Met de vele herdenkingen op tv in ‘t vizier zie ik in gedachten  allerlei militairen marcheren. Van heel oud in Wageningen tot jong in Overloon of op de Dam. In gedachten hoor ik het geluid van de wisseling van de wacht op De Burcht in Praag. We stonden daar een keer rond middaguur. Ineens werd het het doodstil. Het enige geluid dat je hoorde was het ritmisch langs elkaar strijken van broekspijpen, iets als een stoommachine, die zachte pufjes deed ontsnappen. Een peloton bewaking van het presidentiële paleis van Vaclav Havel  vertrok. Even later  kwam hetzelfde geluid weer opzetten toen de aflossing arriveerde. Een fascinerend geluid omdat je bij marcheren meestal de hakken op de grond hoort slaan. Vooral Russische en Noord-Koreaanse soldaten  blinken daarin uit. Ze gooien hun benen krankzinnig hoog de lucht in. Ook de vrouwen maar dan niet à la de Folies Bergères. Dit zijn met dik nylon beklede benen (of zijn het gebreide kousen ?) die voortstampen in wat wij vroeger forma natura schoenen noemden.Een remedie tegen de liefde, maar goed voor de oorlog kennelijk. Als schooljochie in Kampen marcheerden wij met de jongens van de klas naar gymzaal of zwembad. Niet vrijwillig maar onder begeleiding van de meester die een fluitje hanteerde om het ritme aan te geven. En nóg mooier : we zongen erbij. Van Ferme jongens, stoere knapen.

De kabels los, de zeilen op. Wien Neerlands bloed door d’aadren vloeit. Het jongensgezang moet nog in de straten en steegjes van Kampen hangen want het had iets van eeuwigheidswaaarde. We voerden daar ook onze eigen oorlogjes. Omdat we geen echte vijanden hadden maakten we die. Roomsen    ( in onze kerk “papen “genoemd) en Openbaren (niksen eigenlijk, want ze geloofden nergens in).  Tussen de middag en na schooltijd streden wij om het bezit van enkele steegjes in de binnenstad. Ik was toen nog vrij klein van stuk maar sterk en met een dikke kop (thuis werd ik wel “bulle “ genoemd). Mocht dus vaak vooraan als stormram fungeren en zo de anders- of nietgelovigen uit

het veld beuken. Wie als laatste een steegje veroverd had gold tot de volgende slag als bezitter. Voor een deel ( namelijk in de strijd met de anders gelovigen) bleek dit achteraf gezien een oefening voor de oecumene. Want ondanks de haast sentimentele gedachte van “samen “ blijkt het toch vooral een machts-strijd waarin de conservatieve vleugel van de RK aan het langste eind trekt. Althans in de steegjes van Nederland. Of het in andere landen beter is kan ik niet beoordelen. De Paus lijkt een heleboel maar ik vind hem tegelijk wel heel echt rooms. En ook niet van deze tijd als je denkt dat je anno 2016 de wereld nog wat te melden hebt met een achterhaalde visie op huwelijk en gezin en  scheiding. Net zo achterhaald als dat Koreaanse marcheren op hoge poten.

Ik ben trouwens wel erg afgedreven van waar ik mee begon. Dat komt omdat ik nooit goed zwemmen heb geleerd. We marcheerden in Kampen dan weliswaar naar het zwembad maar dat is dan ook het enige stoere in dit gebeuren. Dat zwembad lag n.l. in de IJssel, stroomafwaarts van een melkfabriek. Het rivierwater was met name vóór de zomervakantie altijd erg koud en ik was bang voor dat donkere water.  En als je daar dan bibberend in bad 1 bang stond te wezen dan zag je ineens door de spijlen zo’n zure golf afvalmelk aan komen drijven. Het bracht mij totaal van slag. Zozeer zelfs dat ik de zwemslagen nooit onder de knie heb gekregen. Maar drijven kan ik als de beste. Afdrijven dus ook, Paus of geen paus. En morgen herdenk ik mijn broer Juul. Die zou 75 zijn geworden. Negen jaar geleden hebben zus Diny en Herman  zijn as verstrooid boven de baai in Princeton, Canada. Ik zal zijn oorlogsverleden eens oprakelen.

 

Dinsdag 3 mei.

Geboortedag van broer Juul (1941 – 2007). Het vreemde is dat ik zo weinig herinneringen heb aan onze gezamenlijke kindertijd. Ik was bijna drie jaar ouder en met name in de jaren ’45 –’50 in Kampen zullen wij toch best samen gespeeld hebben maar er staat me weinig van bij. Eén gezamenlijk bouwproject hebben we gehad : op een onderstel van een kinderwagen bevestigden we wat plankjes en met dat karretje sjeesden we door het plantsoen. In den Haag gingen onze wegen vrij snel uit elkaar door de verschillende scholen die we bezochten. We sliepen heel korte tijd samen in een tweepersoonsbed met een middeleeuws matras, kuil in het midden, waardoor we naar elkaar toerolden.

Ik verzon verhalen en als beloning kietelde hij mij op mijn borst. Zodra hij stopte met kietelen stokte ook het verhaal. Samen hebben we nog opgetreden in een kinderkoor van Marius Borstlap. Juul kon heel mooi en hoog zingen. Over mijn stem is niets vastgelegd (ik vond het ook vreselijk om te doen !). Eind jaren ‘50 is hij geëmigreerd. Hij kon in ons land niet worden wat hij wou : ober.

Dan moest hij ook op zondag werken en dat strookte niet met de gerefor-meerde zede. Vader was daar strikt in. En Juul vertrok. Een vriendin van mijn ouders heeft me later eens verteld dat zij speciaal naar Rotterdam was gereisd om hem uit te zwaaien. Ze kreeg nóg tranen in haar ogen toen ze beschreef hoe desolaat en onvoorbereid die jongen daar op punt van vertrekken stond. Zelfs zonder voldoende geld ; dat heeft zij nog voor hem aangevuld. In Canada is Juul steward geweest bij de Marine maar werd daar, na een handgemeen met een officier, op staande voet ontslagen.Daarna werkte hij, weer als steward,  op een tanker en zwierf de hele wereld over. Drank werd zijn grootste vriend en daardoor raakte hij na verloop van tijd aan lager wal. Heel even is hij getrouwd geweest met (naar ik dacht) een vrouw van Turkse afkomst maar dat huwelijk strandde nog vlugger dan dat het begonnen was. Hij gleed weg in eenzaamheid in het Westen van Canada. Op initiatief van zus Diny en Herman hebben wij als zussen en broers daar voor hem een optrekje gehuurd waar hij jarenlang van heeft genoten. Toen vader overleed in 1972 kwam hij, nog als marineman, over. Ik haalde hem op van Schiphol. Nooit zal ik vergeten hoe hij vreselijk emotioneel in het kerkje van Barchem (waar vader stond opgebaard) afscheid nam  van de man die hem totaal niet had begrepen. Ik wil deze herinnering aan Juul niet afsluiten in mineur. Ondanks de droefheid die zijn door drank verwoeste leven opriep  hebben we ook plezier om hem gehad, zij het ook wel dankzij diezelfde drank. Tijdens één van de lustra vieringen van de bevrijding van Nederland was Juul hier samen met een vriend.Ze logeerden in Scheveningen, Juul bij Bert en Louis in een pension. Geld was geen probleem want Louis had zakken vol, geërfd geloof ik. Elke dag  begon met drank en eindigde daar twintig uur later ook mee.  Maar evenzo goed trokken ze graag door ons land. Om zich te kunnen oriënteren namen ze telkens Schiphol als uitgangspunt. Ook al moesten ze naar Rotterdam, ze gingen vanuit den Haag eerst Noordwaarts  richting Amsterdam. Op 4 mei zaten ze in de trein naar Groningen. De dienstdoende conducteur raakte met  deze Canadezen in gesprek en vroeg of zij hadden bijgedragen aan de bevrijding van ons land. Sure, zal hun antwoord geweest zijn want de man sprong een gat in de lucht . Wat was het geval ? Hij zat in het herdenkingscomité van zijn dorp op de Veluwe en wist dat zijn burgemeester  graag een paar Canadezen bij de plechtigheid ter plaatse wilde hebben. Of zij daarvoor voelden ? Sure. Eén telefoontje naar de burgemeester en de trein maakte een extra stop op het station van een of ander Veluws gat. Op het perron stond de burgemeester om zijn gasten op te vangen. Daar rolden twee redelijk aangeschoten Canadese “bevrijders “ uit de trein. Burgemeester in paniek maar niet voor lang. Beide heren werden door hem met een noodgang naar de plaatselijke kroeg  gedirigeerd met de opdracht aan de kroegbaas om  ze  aan de tap te houden tot de plechtigheid voorbij was. No problem !

Ze hadden de dag van hun leven want in het kader van diezelfde bevrijding werden ze  vrij gehouden door de betreffende gemeente. Dit is Juul en Louis dermate goed bevallen dat ze zich  in Scheveningen, waar ze stamgast geworden waren van de bar in het Ibishotel, als bevrijders hebben laten fêteren, avond aan avond, en niemand vroeg zich af wat deze in 1941 geboren man dan precies had bevrijd.

Twee jaar voor zijn dood was Juul voor het laatst over. Ik heb toen een tochtje met hem en Bert gemaakt door den Haag (langs het oude huis) en het Westland, langs de Waterweg (met de nieuwe kering) , naar Rotterdam. Tegen vijven belanden we in een café. Juul had een soort code met barkeepers : één kleine beweging met zijn hand en er stond weer een glas ! Na x glazen stelde ik voor wat te gaan eten. Op korte afstand, 80 meter misschien, was een restaurant. Bert en ik verlekkerden ons aan een mooie bief maar Juul wilde eigenlijk alleen maar een uitsmijter. De ober deed moeilijk want dat gerecht werd na vier uur niet meer geserveerd. Hij zwichtte echter voor mijn argument dat deze Canadese bevrijder speciaal naar hier was gekomen om de nostalgie van een uitsmijter te beleven, zoiets. Hij zou de kok overhalen en kwam even later met een prachtige uitsmijter, drie eieren op rosbief en leuk gedecoreerd.

De Canadese bevrijder zou zich dit heugen ! Dat viel tegen : Juul pikte met een lepel de drie eierdooiertjes eruit, at die met smaak, en schoof het bord van zich af : enough ! Met schaamte en een dikke fooi hebben Bert en ik de sessie toen maar afgesloten. Daarna, ja toen, hebben we vreselijk gelachen. Een saluut tot slot aan onze Canadese bevrijder. Jammer dat hijzelf zo weinig bevrijd heeft geleefd.

 

Woensdag 4 mei

71 jaar geleden eindigde voor ons land de oorlog. Op Texel en Schiermonnik-oog wat later en in Indië duurde het nog tot 15 augustus. Vandaag herdachten we de slachtoffers. Het lijkt net of dat per jaar intenser wordt. Alle Nederlandse tv stations verzorgden uitzendingen.Terecht stond de vreselijke moord op de Joden daarin centraal. En uiteraard werd het onbegrip van Marokkaanse pubers breed uitgemeten. Dom, geen opleidng, geen kennis van de geschiedenis. Maar toen zo’n jongen vroeg naar de Palestijnen, of die geen rechten hebben, viel het stil. In de toenemende anti – Islamsfeer, ook in ons land, verslapt de aandacht voor wat Joden en Palestijnen elkaar aandoen. We-reldwijd zouden de Joden er bij gebaat zijn als de staat Israël eens aan een fatsoenlijke oplossing van dat conflict meewerkte. Er zijn VN-resoluties zat die dat ondersteunen.

Ik heb het bijbelboek Ezechiël uit. Gelukkig. Ik zal het niet gauw herlezen. Hij beschrijft soms gruwelijke nachtmerries, fascinerende visioenen en een enkele prachtige droom maar het geheel is toch wel erg gelardeerd met doodsbe-dreigingen namens de Heer die heel vaak woedend is. Nu ben ik in Daniël begonnen. Dat ligt mij meer. Die dictator Nebukadnezar – trouwens een instrument in handen van de Heer, die door deze machtige koning zijn volk Israël te grazen laat nemen, als strafmaatregel – heeft met Daniël en zijn drie vrienden te maken. Zij staan bekend als wijze mannen. Met name Daniël laat daar staaltjes van zien. Als N een droom heeft moet Daniël die uitleggen zonder dat N de droom aan hem vertelt. Dat lukt met hulp van de Heer die Daniël  ook die droom schenkt. N is dan zó onder de indruk dat hij zich volledig wil geven aan de Heer, maar in het volgende hoofdstuk zit hij alweer met het mes in de hand om de wijze mannen in stukken te hakken. Of hij laat ze in het vuur gooien. De leeuwenkuil moet nog komen. Dat dit allemaal echte geschiedenis is geloof ik niet. Veeleer zijn gebeurtenissen in die tijd  gevuld  met godsbeelden en eigen interpretatie. Maar waarom dan in vredesnaam zo’n strenge God die zich voordtdurend  tekort gedaan voelt. Als mens kun je erg weinig goed doen.En als je ziet hoeveel Joden/Israëlieten eraan gaan dan lijkt de achtervolging van dat volk tóén al ingezet.

 

Donderdag 5 mei

Hemelvaartsdag. Bevrijdingsdag.En stralend weer. De IJssel lag er schaamteloos Hollands bij, ging traag door het laagland. Ik reed door Zalk. Volgens mij is Klaas Schilder daar ooit met de vrijmaking begonnen. Dat was een conflict binnen de gereformeerde kerk, nota bene in de oorlog. De echte bevrijding liet nog op zich wachten dus maakten hij en de zijnen zich vrij van het juk van de synode. Het ging over de doop en de eventuele vooronderstelde wedergeboorte. Begrippen die ik echt niet ga (noch kan) uitleggen.Toen de echte bevrijding kwam in 1945 is deze strijd gebleven. Kampen was het centrum ervan. Mijn vader werd daar beroepen en moest een verscheurde gemeente helpen oplappen. Trots vermeldt een gedenkboekje van de Westerkerk (zijn kerk) dat hij meer dan 700 vrijgemaakten heeft “teruggepreekt “ in de synodale groep.

Hoe betrekkelijk is alles : ik zat vanmiddag op een terrasje op de Botermarkt in Kampen. Geen haan die er nog naar kraait, zelfs niet één keer. Alleen de gebouwen staan er nog en spreken alleen voor ingewijden nog enige taal. Toen wij in 1959 als studenten de vrijgemaakten uitnodigden om een voetbal-wedstrijd met ons te spelen werd dat geweigerd omdat het conflict rond de doop nog niet was opgelost. Wat Koos Koster de opmerking ontlokte dat we een  “verbondscoach” nodig hadden maar die werd niet gevonden.

De hemel was blauw vanmiddag. Nooit zo vaak het woord hemel gehoord op  radio en tv als deze dag. Het begon met een ds op de EO die heel vriendelijk de hemel omschreef als een plaats waar je na je dood heengaat.Niet te geloven voor een ander. En zo gaat die discussie al jaren, eeuwen misschien.Ik heb daar niks mee. Hemel en aarde zijn gescheiden (zie Genesis 1, scheppen is scheiden, zei Ellen ten Wolde).  De aarde is voor ons, wij zijn eruit genomen, aardman-netjes en aardvrouwtjes zijn we, onze soortnaam is Adam = uit aarde genomen.

De hemel is er voor onze dromen en fantasieën. Het is vooral het rijk van het onbekende, het goddelijke zo je wilt. In het evangelie van Mathheüs vallen Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren op één dag. Hemelvaart wil daar dan zeggen dat we het zonder de lichamelijke Jezus moeten doen. Hij staat op en komt aan het licht in hen die zijn weg gaan. Lukas heeft die drie kerkelijke feesten uit elkaar getrokken en door de christen geworden Romeinse keizers en de kerk is dat verder geformaliseerd. En zo zitten wij met een Hemelvaartsdag waar iedereen wat bij stuntelt, maar het is wel een lekkere vrije dag. En vandaag extra vanwege de Bevrijding. Daarbij kun je denken aan de vrijheid waarin we al 71 jaar mogen leven. Niet gering en menigeen nam er méér dan één op.  Noem je tegenwoordig het woord vrijheid dan wordt het negen van de  tien keer gevolgd door : van meningsuiting. Je moet alles kunnen zeggen wat je denkt. Meteen zit in die woorden de valkuil want juist het denken blijft  meestal achterwege. Mensen roepen (of twitteren) maar wat. En sinds wanneer gaat het alleen om jouw persoonlijke vrijheid ? In bijbeltaal gaat het toch ook niet alleen om jouw en mijn  bevrijding ? Minstens even sterke papieren heeft de bevrijding die wij anderen aandoen. Of concreet : als wij ons met de moslims in ons midden vrij willen blijven voelen, mogen wij ons afvragen of de moslims zich vrij voelen in ons midden. Het lijkt spelen met woorden maar het is het spel van de vrijheid dat op hoog niveau gespeeld moet worden. Hemelhoog. Niet omdat daar 72 maagden wachten op verbeten vrijheidsstrijders maar omdat onze moederaarde haar kinderen graag in vrijheid koestert, alle ruim 7 miljard en niet alleen jij en ik.

 

Vrijdag 6 mei

Apeldoorn op tv. Ineens een stukje Italië vanwege de Giro. Ik zag de Loolaan. In een zijstraat daarvan kwam ik in de oorlog weleens bij ds Goris. Hij hield kippen en hij had ook kuikens. Ik zocht dan klaver tussen het gras en bracht dat bij hem. Ik ruik die kuikentjes nog.’t  Zal nu wel anders geroken hebben daar met al die zwetende mannen op de fiets. Ik heb medelijden met die meisjes die de winnaars moeten kussen. Een aandoenlijk gezicht maar het lijkt me niet mee te vallen. Apeldoorn is mijn geboortestad of – gemeente, dat weet ik niet. Vroeger mocht je beslist geen stad zeggen omdat ze geen stadsrechten hadden. Maar tegenwoordig ligt dat wat anders. In de nacht van 26 op 27 juli 1938 zat onze Duitse dienstbode Aquine op de trap in de pastorie naar de barensweeën van mijn moeder te luisteren.Om 01.07 kwam ik ter wereld met – heel verrassend – een extra piemeltje op mijn kin. Die werd er door dokter Gispen afgeknipt in dezeflde beweging waarmee hij de navelstreng had doorgeknipt. Ik weet niet meer of ik me toen welkom voelde op deze wereld. De restanten heb ik pas op mijn 25e keurig laten wegopereren, toen mét verdoving. Aquine heeft ongetwijfeld mijn oerschreeuw gehoord en zich aan mij verbonden. In het begin van de oorlog moest zij als Rijksduitse ons land verlaten en zurück nach die Heimat. Maar nu het bijzondere: in 1948 zat ons gezin op het strand in Wassenaar. Daar zag ik in de verte een vrouw in het zwart door het rulle zand strompelen. En waar ik het vandaan haalde weet ik niet, laten we zeggen dat de geest Gods het  mij ingaf te roepen : daar komt Aquine ! Zij was het. Zij is die vakantie bij ons gebleven en ging ook mee naar het strand. Toen zij eens de tent inging om zich om te kleden verstoutten mijn broertjes en ik ons en gluurden onder het tentzeil door. Voor het eerst van mijn leven dat ik bewust blote borsten zag. De pret duurde maar kort want ineens kreeg ik een felle trap in mijn zij. Daar stond vader. Lag ik op zijn plaats ? Of deed ik iets fout ? Het zal wel weer het laatste geweest zijn. Aquine is genaturaliseerd en uiteindelijk getrouwd met een weduwnaar met een groot gezin. Maar ze had aan mijn wieg gestaan !

Met deze zoete herinnering ging ik vanavond een uurtje slapen. En toen kwam er een  droom. Niet over Aquine maar over Duitsland waar ik van 1974 – 1976 met Ina en de kinderen gewoond heb. Ik zou worden teruggeplaatst naar          3 GGW (Groep Geleide Wapens) in Blomberg. Kees ‘t Lam (een collega die daar tot  1974 was geweest)  had een A4-tje voor me gemaakt waarop enkele foto’s ter grootte van een postzegel waren afgedrukt, niet te herkennen. Het meest frappante was echter dat er ook een lied op stond dat elke zondag in de kerk-dienst daar gezongen diende te worden, een soort nieuw volkslied voor Blomberg en omstreken. Ik las de tekst, werd onderhand langzaam wakker maar kon nog net de eerste regels onthouden. Ze moeten gezongen worden op de wijs van : ‘k Wil U o God mijn dank betalen, het oude avondlied :

Op alle doelen goed te richten

is onze dure, kost’bre plicht.

Voor grote dreiging niet te zwichten

en dan kwam er iets met : waar gezicht.

Ik werd wakker met zo’n punt in m’n hoofd, alsof ik daar door een mini-raketje geraakt was. Ingevingen en dromen zijn leuk maar ze kunnen best zeer doen. En al met al maar weer het bewijs dat het verleden zich niet laat ontkennen of wegdrukken. Het allerleukste is om er iets mee te doen. Erover schrijven bijvoorbeeld en dat doe ik dan maar.

 

 

 

 

Nachtboek 8

Zaterdag 23 april

Nog even een aanvulling op gisteren : voetballers hebben ook een soort TomTom. Als ze gescoord hebben kijken ze naar boven en mompelen wat. Dat is vast een bedankje aan hun juffrouw op een satelliet die hen de weg wees. Vreemd is wel dat een aantal daarna zichzelf op de borst slaat of naar hun rugnummer wijst. Dezelfde crisis dus als in het geloof. Er zijn er trouwens maar weinigen die naar de medespeler toerennen die hen in staat stelde te scoren door een goeie voorzet te geven.Dat moet het nieuwe geloof worden.

In de krant las ik dat de Prot.kerk meer management nodig heeft. Dat doet me denken aan alle kamerdebatten over de zorg. Die zou meer toegesneden worden op de zorgbehoefte maar de ambtenarij ( en dus het management) is er alleen maar groter op geworden. En zorg ?  Recent voorbeeld : iemand belde naar het WMO-loket vaan haar gemeente. Had tijdelijk enige hulp nodig na een fikse operatie. Over drie weken kon er een consulent langskomen en over 8 weken kon dan enige hulp geboden worden. In de PKN krijgen we straks elf bisschoppelijke loketten. Dat stel ik me althans voor.  Daar kun je dan naar bellen als je iemand nodig hebt. Bij de RK werkt het al zo. Managers, ik houd m’n hart vast. In het vormingswerk had ik al een directeur met die status. Hij was dol op papieren, nota’s, vergaderingen en beleid. Ik heb hem nooit het handwerk van vorming zien uitoefenen. Daar had hij ook geen enkele antenne voor. Gevolg :  ruzie, wantrouwen, elkaar niet meer serieus nemen,kortom : onverkwikkelijke zaken die dat clubje dominees niet sierde. Ik was blij uiteindelijk weer in een gewone gemeente aan de slag te kunnen. Niet dat het daar altijd ideaal was. Maar dat zou hemel op aarde zijn en dat is zelfs voor een kerkelijke gemeente teveel gevragd. Ik verwacht echter het heil niet van managers. Net zo min als van profeten. Ik heb Jesaja en Jeremia nu gelezen en schrik telkens weer van hun één-tweetjes met de Heer.In elk hoofdstuk krijgen ze van een woedende Heer de meest afschuwelijke dreigementen te horen, die ze nog moeten doorgeven ook. Aan koningen , priesters, medeprofeten en het volk. Mensen houden zich niet aan de regels van de Heer en zien niet om naar de zwaksten en dat zullen ze met de dood bekopen. Ik meen dat Jezus daar toch wat anders over dacht. Die kon ook hard zijn maar had ook iets milds over zich. Aandacht, zorg, uitnodigen tot anders denken en doen. Dat mis ik bij die profeten. En ik verwacht het niet van managers.

Nog een kleinigheid : het Psalmbriefje. Zal jullie niks zeggen.Maar het schoot mij te binnen toen ik vanmiddag met mijn boodschappenbriefje door de zaak van de  grootgrutter hier ter plaatse liep. Mijn vader had een soort memoblaadjes met zijn naam erop. Op zaterdag schreef hij op zo’n blaadje de Psalmnummers die de volgende zondag gezongen moesten worden. Een van ons (de kinderen) moest dat dan bij de koster van de betreffende kerk brengen.

Toen ik op 2e Paasdag in de Bovenkerk in Kampen zat, zag ik op het liedbord alleen  maar Psalmen staan. Het is een Geref. Bondskerk, weliswaar ook PKN, maar een liedboek met bijna 800 gezangen is daar niet aan besteed. Het zouden zo maar de Psalmen van het memoblaadje van mijn vader geweest kunnen zijn. Waar een boodschappenbriefje voor AH al niet aan doet denken.!

 

Zondag 24 april.

Toen ik vanmorgen de tv aanzette zag ik een jochie van een jaar of tien een hut bouwen van wilgentakken. Dat deed ik ook op die leeftijd. In de kastanjeboom  in onze tuin in Kampen. Maar het liefst in het plantsoen achter de poort, samen met mijn schoolvriend Herman de Haan. We deden dat uiterst behoedzaam want van de politie mocht je niet buiten de paden. Daar controleerden ze zelfs op. Als je kastanjes raapte op het gras werd je door oom agent bij je oor gepakt en zo thuis afgeleverd. Wij braken takken van struiken en bouwden onze hut tegenover een bankje waarop oude mannetjes (mijn leeftijd van nu ongeveer !) zaten te keuvelen en pruimtabak te kauwen. Af en toe spoog er een zo’n kwakkie pruimensap op de grond bij gebrek aan kwispeldoor. (Bij sommige boeren stond die in de kamer naast hun stoel en met bewondering  zag ik dan hoe ze loepzuiver in die pot wisten te spugen). Het hoogtepunt van onze hutbelevenis was als we door een hol gordijnroetje witte bessen richting het bankje bliezen.De stomme verbazing op hun gezichten en hun zoeken naar de daders bezorgden ons veel pret en spanning.

Ik kon het weer niet laten om vervolgens even langs de EO te zappen en Zingen op de zondagmorgen te bekijken. Vooral de orgelmuziek kan mij nog steeds bekoren. Maar die liedteksten die ze zingen….Heel ouwe doosachtig en haast niet te snappen. Zoals : Gij zaagt Abrams kind’ren aan. Dat doet toch denken aan een taart aansnijden. En vervolgens kwamen er stromen van zegen die drupp’len op wie gelooft. Nou zeg, en de anderen dan ? Het deed mij wat denken aan Psalm 89 uit de oude berijming : wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’eerkroon dragen.Ik vond dat zo’n arrogant lied. Dus gauw gezapt naar Brava. Een oratorium van een zoon van Bach. En toen kwam bij mij weer de herinnering boven aan mijn ziekenhuisperiode in het UMC in 2012. Door de langdurige narcose en het gebruik van Hadol was ik niet mijzelf. Ik heb dingen gezegd en gedaan die mij eigenlijk vreemd zijn. Zo beloofde ik elke zuster die mij aardig behandelde een kind. Zoiets zeg je niet. Bovendien was het nog ijdel gezwam ook want ik was toen 37 jaar gesteriliseerd. Toen ik mijn bed uit mocht was ik nog op een vat aangesloten wat ik naast me liet bungelen. Ik stelde me daarmee op bij de lift en elke gebruiker daarvan zegende ik met zwaai-bewegingen van dat vat want je weet maar nooit met zo’n lift. Ik zie nog de ver-bijsterde gezichten achter de dichtschuivende liftdeuren. Wat mij zelf het meest aangreep was de emotie rond muziek. Ik had Silvester gevraagd een cd-speler voor me mee te nemen. Na wat uitproberen draaide ik daar nog maar twee nummers op , één van de oude Bach ( Komm süsser Tod) en één van zijn zoon. De titel ben ik kwijt maar het was vrolijk. En telkens stelde ik mij dan de vraag : zou die ouwe Bach zijn zoon ooit wel eens een compliment hebben gegeven voor diens muziek ? Of was de oude heer zo vol van al zijn eigen werk dat hij daar niet eens aan dacht. Of vond hij het niks in vergelijking met zijn eigen creaties ? En zo kwam ik bij mijzelf. Eerst met de herinnering aan mijn eigen vader . Hij was trots toen hij me bevestigde maar liet nadien nooit één goed woord over mijn functioneren horen. Integendeel. Via mijn zus kreeg ik jaren na zijn dood te horen dat hij mij een breker vond. Au. Hoewel, ergens was ik dat ook, de muren waren dik, maar ik had het er wél graag met hem over gehad. Vervolgens kwam dan de vraag bij me op : hoe deed ik dat zelf dan als vader ? Was ik complimenteus of op zijn minst aanmoedigend naar mijn kinderen of was ik ook van de zuinigen : je had beter je best kunnen doen, daar zul je wel moe van zijn en dat soort opmerkingen. Goed omdat allemaal eens te overdenken. Waar Hadol ( wat een zooi is dat !) al niet goed voor kan zijn.

 

Maandag 25 april

Mijn leasehond Smash deed vanmiddag aan de verkeerde kant van de weg een hoop. Hij ging er zó echt voor zitten dat het wel moest opvallen. En ja hoor, een gepensioneerde boerin ( één van de velen, die zich bij de uitbreiding van Amersfoort duur hebben laten uitkopen en daar pompeuze huizen voor hebben gebouwd) schreeuwde  vanuit de verte dat ik het toch wel zou opruimen. Ik heb dat nog nooit gedaan omdat ik mijn honden altijd op veldjes met vergunning uitliet. Dit gras lag daar weliswaar iets buiten maar het goot van de regen dus de hoop is snel vervlogen. Maar goed, de vrouw had gelijk.

(Trouwens niet een type waar ik op viel, een hoog trutjesgehalte !) Dus riep ik dat ik een zakje zou gaan halen enz.enz. Dat zal wel, was haar reactie en zoiets had ik ook wel verwacht. Je zal met zo iemand moeten leven ! Dat je alles kunt voorspellen wat eruit komt. Tot overmaat van ramp ging Smash op de terugweg naar huis er nóg een keer voor zitten. Dit keer midden op een speelveld voor kinderen. Dat was alarmfase 1. Thuis meteen aan Agnes gevraagd of ze met mij in de auto mee wilde rijden naar de beide losplaatsen.

Ik ben niet zo goed in dit werk. Strijken, koken, boodschappen doen, allemaal prima. Maar met je hand, hoe geplastificeerd ook, zo’n zachte bruine oprapen, ik vrees dat ik ga kotsen. Dat zat echt niet in mijn opleiding. Theologie leert vooral práten over datgene wat mens en dier uitwerpen maar het ter hand nemen, ho maar. Verpleegkundigen, met name die van de oudere garde, hebben daar veel minder moeite mee. Ik weet dat ook uit mijn ziekenhuis-ervaring maar bespaar de lezer de details. De mail moet niet gaan dampen. Aangekomen bij het speelveldje bleek de tweede leg al geruimd. Wonderlijk gevoel trouwens om over een grasveld te dwalen, speurend naar hoop. De andere bron van ergernis (voor die boerin vooral) pakte Agnes kordaat op en vervoerden wij in de auto (ik hield mijn adem in) naar de eerstvolgende gemeentebak.Morgen neem ik zelf een plastieken zakje mee. Ik vrees dat ik daar vannacht al over ga dromen. Het heeft iets weg van voor het eerst als jongen een condoom in je handen hebben. Het geheel deed me trouwens  aan nog iets denken : eind jaren ’80 had de EO zo’n stickeractie met de tekst :

er is hoop.De woorden werden overhemeld met een schattig regenboogje. Ik had en heb een bloedhekel aan dit soort oneliners,net als aan het programma : Geloof en een hoop liefde.Of aan vistekentjes op je auto (vaak heel slome chauffeurs !). Ik vind dat enorm gekoketteer met basiswoorden uit de bijbel.

Op de woorden “er is hoop “ reageerde ik altijd heel grimmig met : ja, onder je schoenen ( van die vermaledijde honden natuurlijk). Bij mijn kennismakings-ronde met de beroepingscommissie van Soesterberg moest ik in 1989 bij een mevrouw op bezoek die de betreffende sticker op haar voordeur had geplakt. Ik hield mijn hart vast. Bleek het een heel aardige dame te zijn met wie ik enkele jaren later nog een soort training heb gedaan in het omgaan met haar schoondochter. Ze had me zoveel over de miscommunicatie en ruzies verteld dat ik heb aangeboden om vier keer als haar schoondochter binnen te komen en de eerste tien minuten die rol vol te houden. Daarna gingen we onze ontmoeting (die soms heel heftig verliep) uitpluizen.  Maak je geen zorgen, ik verkleedde me niet als Maartje ‘t Hart of zo, verfde geen lippen en zorgde niet voor een extra krul in mijn haar, maar ging gewoon als hooglandse boerin zal ik maar zeggen.Ze zei naderhand dat het leerzaam was. En van die hoop ? Geen enkele last gehad.

 

Dinsdag 26 april

Vanmorgen, tussen slapen en waken, zag ik Frans Breukelman. Hij is al bijna 23  jaar dood maar is voor mij nog zo levendig als wat. Daarom zet ik hem nu ook in mijn nachtboek. Ik vertel graag over hem.Ik leerde hem kennen in 1958. Was net student geworden in Kampen. Kwam uit een stoffig gereformeerd nest en ging in den blinde in Kampen studeren, de plaats waar al dat stof vandaan kwam. Ons dispuut ging een weekend naar Simonshaven, vlakbij Brielle. Daar huisde een hervormde ds die door een oudere dispuutsgenoot was gespot. Die ds had werkelijk iets nieuws te zeggen. We sliepen op een zolder en zaten zondagsmorgens rond 12 uur in afwachting. Daar hoorden we het geronk van een motor. Daarop zat een grote vent in een bruine uitrusting : lange leren jas, grote motorpet op en enorme handschoenen. Die stopte voor het huis waarin we zaten , pelde zichzelf uit al die kleren en daar kwam een prachtige man tevoorschijn : grote kop met krullen ( à la Jos van Oord of Paul Scheffer),

flink postuur en twee ogen vol lichtjes. Hij verontschuldigde zich dat hij wat laat was maar hij had een jeugddienst geleid die wat uitliep. Volgens mij was dat bij hem altijd het geval. Jaren later ging hij voor in een trouwdienst in de Grote Kerk in den Haag. Zijn preek duurde dermate lang dat de ouderling van dienst op een bepaald moment de kansel opging om te melden dat de huwelijks-receptie al een een kwartier aan de gang was  !  Terug naar die zondagmorgen : met een grote grijns vertelde hij dat die jeugddienst een thema had : seksualiteit. Ach, zei hij, niets is eenvoudiger dan dat. De Heilige Schrift is daar duidelijk over : een man neemt een vrouw, gaat tot haar in en zij wordt zwanger. Een kind kan de was doen. Met een bulderende lach stelde hij zich daarna ons voor : Frans Breukelman. En jullie gaan straks allemaal het Woord bedienen ? Laat ik jullie één ding zeggen : jullie moeten het Woord niet bij de mensen brengen maar de mensen bij het Woord. En geen flauwe kul vertalinkjes om de stevige brokken hapklaar te maken. Hij sleepte ons de rest van die zondag door de finale van het Mattheüsevangelie heen. Fascinerend. Ik zat met open mond en rooie oortjes. Het jaar daarop kwam hij op de motor helemaal naar Kampen, wilde alleen maar wat geld voor benzine, en daar heeft hij ons toen op het Genesisverhal getrakteerd.  In den beginne. Ik hoor het hem nog zeggen. Dat heeft niets te maken met een oerbegin van alles wat bestaat maar het is het begin van de grote geschiedenis van God en mensen. Toen ik predikant was in Elst werden alle pastores uit de Over Betuwe e.o. uitgenodigd voor een bijeenkomst in het Dackhues in Huissen op 3 januari. Gastspreker zou Frans Breukelman zijn. Zo’n zeventig pastores en predikanten en één klooster-zuster kwamen op die geestelijke opfriscursus af. We hadden allemaal net de “tiendaagse” van Kerst 1972 achter de rug. Kerstvieringen in bejaarden-tehuizen, op vrouwenverenigingen, en vooral natuurlijk in bomvolle kerken.

En overal en altijd moest Lukas 2 worden gelezen : “en het geschiedde dat ....”

Het kwam je poriën uit. Je zweette Lukas 2. Enigszins opgelucht schoven we  die maandag morgen in de collegebanken. Even iets anders !

Mevrouw, mijne heren, klonk ineens de volle stem van Frans, wij lezen vanmorgen... Lukas 2. Het is dat ik hem kende, al vanaf mijn studententijd,

maar ik had de neiging op te springen en hem te smeren.Niet wéér hè, die Lukas 2. Er was trouwens niemand die riep : Ha ! Het was meer een gevoel van berusting dat ons overviel. Dan wachten we maar met afkicken tot morgen.

Frans begon : ik lees het u voor, direct vertaald uit het Grieks.

Dus niet in een taal die allerlei foefjes gebruikt om leuk te doen. Of om het de lezer(es) makkelijk te maken. Goed Nieuws en alles wat daarop lijkt, dat is De Telegraaf onder de bijbels. Die moet je niet willen lezen als je wilt weten wat er staat. Wat zou hij gezegd hebben van die bijbel van nu, in gewone taal ? Niet veel goeds vrees ik.

EN HET GESCHIEDDE

Frans liet de woorden letterlijk bij ons binnen ploffen. Drie maal komt het voor in dat overbekende verhaal. Vier uur duurde het college. Met schaamrood op de kaken hoorde ik het aan.Wat had ik, wat hadden wij,  Lukas laten buikspreken in onze preekjes. In de nieuwere vertalingen (op de Naardense Bijbel na) is dat “en het geschiedde” gewoon wegvertaald. En toen, en toen en zo. Nog even en we gaan hem rappen, iets wat ik zo ongeveer de meest stompzinnige taaluiting van ons soort vind.

Frans Breukelman heb ik die maandag uitgenodigd voor een gemeenteavond in Elst. Heeft hij aangenomen. Het vreemde is dat ik weet dat hij geweest is en dat hij Mattheüs heeft geschilderd maar hoe de mensen het ontvingen is mij volstrekt onbekend. Wel weet ik dat we na afloop bij collega Vons thuis een goed glas wijn dronken en ontzettend gelachen hebben om zijn verhalen. Het laatste wat ik van hem hoorde was het geluid van de motor. In de zomer van 1993 heb ik samen met Agnes en Marijke afscheid van hem genomen in de uit-vaartdienst in de Westerkerk in Amsterdam, de stad  naar wie de theologie van Breukelman c.s was genoemd : de Amsterdamse school. Gelukkig is veel van hem verschenen in boekvorm, al kostte hem dat moeite. Hij werkte altijd met stencils.  Hij zei eens een keer dat de uitvinding van de boekdrukkunst de dood was voor het Woord van God want dat moet GEHOORD worden, maar tijdens die uitspraak lagen er minstens twintig dikke pillen voor z’n neus. Het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, bestaat uit  medeklinkers. Die oude handschriften waren voor hem je van het. Maar ja, toen kwam die boekdrukkunst, en toen hebben ze karrevrachten klinkers in die tekst gedonderd, vertelde hij met een daverende lach. En om het de bijbellezer nog makkelijker te maken hebben ze in de 17e eeuw het grote verhaal in allemaal stukjes geknipt en daar opschriften boven verzonnen, zoals “De geboorte van Jezus “. Wat een flauwe kul, het gaat in dat verhaal om zijn verwekking, kijk maar in Mt.1. Eerst zie je 41 van die hijgerige kerels druk met verwekken en dan ineens de goddelijke hand die dat hele zootje opzij duwt  en zegt : zij, uit wie geboren is. Niks machtige mannetjes die geschiedenis maken.

Zo blijven voor mij herinneringen aan hem levend. Tegelijk moet ik bekennen dat ik zijn nalatenschap heb laten versloffen. Net alsof ik er bij vandaan ben gegroeid. En ik weet nog steeds niet of dat jammer is. Zijn verschijning vanmorgen, tussen slapen en wakker worden, gaf mij in elk geval te denken.

En dit verhaal.

 

 

Woensdag 27 april

Koningsdag. Tijd om mijn relatie met het koningshuis eens te boekstaven. Die begon vlak na de 2e Wereldoorlog. Tijdens die oorlog woonde ik in Apeldoorn, de plaats waar ook koningin Wilhelmina leefde op ’t Loo. Maar zij ging er als een scheet vandoor toen de Duitsers binnenkwamen. Vind ik achteraf gezien wel laf. Er waren dapperder koningshuizen. Toen zij in bevrijd Nederland terugkeerde was er ook een intocht in onze stad. Wij stonden langs de Arnhemseweg opgesteld om haar te verwelkomen. In mijn rechterhand had ik een sinaasappel ( had ik de hele oorlogstijd niet gezien) als oranje begroeting.

Vlak voordat de stoet arriveerde zag ik aan de overkant juffrouw Jaarsma van de kleuterschool. Ik was verliefd op haar. De tweede grote liefde in mijn leven. De eerste was Ali van der Zwan die samen met haar man vlakbij ons om de hoek woonde. Zij had geen kinderen en het verhaal gaat dat ik, zodra ik lopen kon, het overvolle nest thuis ontvluchtte en mijn beentjes me naar Ali droegen.

Een vriendin van mijn ouders noemde me nog jaren later Bassie van der Zwan. Zover is het met de kleuterjuf niet gekomen maar wat was ik gek op d’r. Toen ik haar aan de overkant van de Arnhemseweg ontwaarde stoof ik, net voor de koninklijke stoet, de weg over en wierp me in haar armen. Tenminste : ik denk dat ik dat gedaan heb. Enkele maanden later verhuisden we naar Kampen. Daar maakte ik op 31 augustus 1947 koninginnedag mee. Dat hield o.a. een gezamenlijk optreden in van alle scholen op de Nieuwe markt. We hadden zelf gemaakte toetertjes, met van dat vloei-achtige papier, die je dwars voor je lippen moest houden. Ik voel nóg de jeuk en een opkomende niesbui. Wij toeterden allerlei vaderlandse liedjes en sloten uiteraard af met het Wilhelmus. ’s Avonds was er een lampionnenoptocht met eigenmaakte kunstwerkjes. Ons gezin  had onder leiding van onze huishoudster een gouden koets gemaakt waarmee we de vijfde prijs wonnen. Als beloning mochten we gratis de echte gouden koets bewonderen die op een schip door Nederland  trok. Vervolgens duurde het tot 1959 dat ik weer een oranje-ervaring had. Ik was student in Kampen en trok op 30 april ( de nieuwe koninginnedag) met Koos Koster ( de later in Salvador vermoorde IKON-medewerker) door de stad. ’s Nachts. We belandden op diezelfde Nieuwe Markt. Daar beklom Koos de muziektent en hield een gloedvolle toespraak voor de koningin. Helaas herinner ik mij de inhoud niet meer. We hadden erg veel moeten drinken voor allen die reeds sliepen. Plaatsvervangend dronken worden is één van de mooiste excuses. Ik was de enige toehoorder en had me genesteld in een nisje op dat plein maar ik applaudiseerde zo hard alsof de markt  vol stond met al die schoolkinderen van voorheen. Toen duurde het vier jaar voordat mijn oranje hart weer van zich deed spreken. De begrafenis van Wilhelmina vanuit den Haag. Van het ministerie (waar ik toen werkte) uit kregen we verlof om de rouwstoet gade te slaan. Het was ijskoud, net als vandaag. Die indrukwekkende rij koetsen heb ik nog steeds op mijn netvlies. Toen snel op de fiets naar huis om op onze zwart/wit tv de dienst uit Delft te volgen. Het meeste indruk op mij maakte de Waalse predikant die in prachtig gedragen Frans (zoals de Gaulle dat sprak) het Onze Vader bad. In de jaren daarna werd mijn oranje hart steeds roder. Dat gaf weleens ongemakkelijke momenten. B.v. als mensen, collega’s op het ministerie of later gemeenteleden, lintjes kregen. Ik vond en vind dat volstrekte flauwe kul en feliciteren onzin.Een tweede moeilijk punt was de kerkdienst rond koninginnedag. Er werd dan verondersteld dat het Wilhelmus werd gezongen in de dienst. Met name toen ik luchtmachtpredikant was werd daarbij ook een haast martiale houding van mij verwacht. Gelukkig kon ik toen best rechtop staan en zong mee uit volle borst, maar dacht : oorlof mijn arme schapen. Dat werd er allemaal niet beter op toen ik in de Heilige Schrift de anti-koning teksten las van met name Samuël. Voeg daarbij de stortvloed aan informatie die wij over het Oranjehuis kregen. Ik las de drie delen over de Koningen Willem I , II , en III,  boeken over prins Bernhard en veel artikelen. Je zou het DNA van de huidige generatie Oranjes eens moeten afnemen. Daar zit veel Duits “bloed”  in en voor mijn gevoel is er geen druppel oranje meer te vinden. Die kleur past meer bij die sinaasappel van 71 jaar geleden.

 

Donderdag 28 april

Ik reed vanmiddag over de Grebbeberg. Daar was mijn vader in de meidagen 1940 veldprediker. Ik herinner me niet dat hij daar ooit verhalen over heeft verteld. Het enige wat ik weet is dat moeder en alle (toen 8) kinderen vlakbij in Amerongen woonden. Ik dus ook, bijna twee jaar oud en niet in staat dat Duitse leger tegen te houden. Een groot militair zou ik überhaupt nooit worden. Van mijn keuring voor militaire dienst in de Muzestraat in den Haag herinner ik mij één komisch voorval. We kregen allemaal een glazen potje en moesten dat vol plassen voor urineonderzoek. Ik stond  in het urinoir naast een stevige boerenzoon uit het Westland.Ik hoorde bij hem een klaterende waterval. Onder aanroeping van de Allerhoogste schreeuwde hij plots dat hij een extra potje nodig had want het kon er niet allemaal in. De pisbak vóór hem leek hem kennelijk geen optie. “Zeik in die bak, zak “, was het eerste heldere commando dat hij in het leger ontving. Ik mocht de keuring vroegtijdig verlaten omdat ze ontdekt hadden dat ik broederdienst had. Dat betekende dat drie broers al dienden of gediend hadden. Dat klopte. Broer Arjan bij de Aan- en Afvoertroepen. Hij werd net niet uitgezonden naar de Koreaoorlog, begin jaren ’50.  Volgens mijn vage herinnering omdat hij in het Militair Hospitaal in diezelfde Muzestraat lag . Broer Gabe kreeg de marechaussee opleiding in Apeldoorn, aangevuld met de Militaire Administratie in Kampen, 5 huizen verwijderd van zijn lief Tine. En broer Evert, ook Marechaussee, werd colonnebegeleider op een motor. Als je dan nog weet dat broer Jan (theoloog en daardoor sowieso vrijjgesteld , alleen God weet waarom !) zich toch bij de Nationale Reserve aansloot dan mag je toch haast van een militair gezin spreken. Wat discipline betreft klopte dat ook wel. Broer Juul heeft zelfs nog bij de Canades Marine gediend , in dubbel opzicht want hij was steward. Alleen broer Bert heeft zich er verre van gehouden ; het uniform zou hem ook niet gepast hebben. Zelf ben ik als geestelijk verzorger toegetreden tot de Luchtmacht en geplaatst in Blomberg (Dl). Daar zat een grote groep Nederlandse militairen (met hun gezinnen) met Hawk-raketten om het oostblok buiten de deur te houden.Het was vlak achter het IJzeren Gordijn. Omdat ik geen enkele militaire opleiding had genoten werd mij in een achterkamertje geleerd hoe te groeten , te marcheren en pas op de plaats te maken. Het duurde enkele maanden voordat ik in uniform kon lopen omdat geen pet mij paste. Dat signaal had ik eerder moeten verstaan. Want toen ik uiteindelijk goed was uitgedost moest ik bij een officiële plechtigheid een toespraak houden voor alle manschappen. Ik stond voor zo’n 400 man en hield een kritisch verhaal over vrijheid. Daarna sprak de plaatsvervangend commandant ongeveer de tegenovergestelde woorden en toen kwam het grote moment van vlag hijsen en salueren. Uiteraard op commando. Alle handen zwaaiden tegelijk naar de pet, strak en bewegingsloos. Ook de mijne.

Alleen ontdekte ik tot mijn schrik dat het mijn linkerhand was en dat ten overstaan van 400 man.(In mijn rechterhand had ik mijn toespraak).  Als jongen bloosde ik vlug, ik bleek het op mijn 34e ook nog te kunnen ! Na afloop was er in de mess het gebruikelijke glasheffen,Oranjebitter, niet te drinken en door mij dan ook snel bij de cactus gekieperd. Zoals verwacht kwam de commandant daarna diect op mij af. Dat moest toch over dat salueren of die oranjebitter gaan, dacht ik. Maar nee, kennelijk was het niemand opgevallen, want we raakten in heftige discussie over de inhoud van mijn toespraak. Het ging over vrijheid maar de tegenwoordig beruchte vrijheid van meningsuiting bleek niet te bestaan. Het is tussen die man en mij ook nooit meer goed gekomen. Het luchtmachtuniform heb ik na terugkeer in Nederland in de mottenballen mogen leggen want op het vormingscentrum voor militairen  Beukbergen liepen we in burger. In 1977 ging ik over naar de Landmacht en deed ik mee aan een militaire introductie voor nieuwe geestelijk verzorgers bij de Commando’s in Roozendaal. Totaal niet mijn wereld. De collega die daar zat was zelf ook commando en vond het ’t einde. Ik deelde dat niet. En de voorzienigheid, waar hij meer in geloofde dan ik, schonk mij bovendien een gekneusde enkel zodat ik naar huis kon. Ook dit uniform kon naar zolder. Totdat in 1988 op Beukbergen de pleuris uitbrak ( ik schreef er eerder over) en ik overgeplaatst werd naar een kazerne in Ermelo. Ik was nog nooit op zo’n plek geweest. Het uniform ging weer aan en omdat ik die pet inmiddels vreselijk vond deed ik maar een baret op, ook niks.Ik zat verloren op een bureau en had geen idee wat ik moest doen. Wilde ook niks want ik zat er tegen mijn zin. Toch wisten jongens mij te vinden. Dienstplichtigen met heimwee. Die hadden aan mij een goeie en dat wisten ze gauw. Als ik in de loop van de morgen aankwam zaten er al wat op de grond voor de deur van mijn bureau op mij te wachten. Ze wilden maar één ding : weg hier !, net als ik. De ervaring die me het best is bijgebleven was met een jongeman van 23, koud twee weken in dienst. De marechausse belde me op met de mededeling dat er een dienstplichtige “achter de wacht” zat. Ze konden niks met hem, hij weigerde op appèl te komen en áls hij er was deed hij niet mee met de oefeningen.  Of ik eens wilde uitvogelen wat er aan de hand was. Ik kwam in zo’n kleine cel. Daar zat een heel zachtaardige jongeman met een vastbesloten mening. Hij wilde maar één ding : weg. Zijn vriendin woonde in Barcelona  en dáár wilde hij heen.Verder was er wat hem betreft niks aan de hand. Er is die dag heel wat afgepraat, blaren op de tong bij zijn meerderen. Ik kreeg aan het eind van de middag zelfs een hele hoge uit den Haag aan de lijn en om een lang verhaal kort te maken : aan het begin van de avond ging er iemand met een brede glimlach en een S 5 (dan willen ze je nooit meer in het leger hebben) de poort uit. De volgende avond kreeg ik een telefoontje uit Barcelona : wat was de man gelukkig ! Ik beschouw dit als mijn enige wapenfeit op die voor mij vreselijke plek. Goddank heeft een fantastische militair psycholoog mij uit deze put gered. Een jaar lang begeleidde hij mij met therapeutische gesprekken. Ik ga daar vast nog eens over schrijven. Inmiddels was mijn militaire carrière beëindigd. Heeft toch nog 15 jaar geduurd. Geen oorlog meegemaakt  maar gevechten te over.

 

Vrijdag 29 april

In mijn omgang met mensen frappeerde het me altijd hoe diep ingrijpend het verleden mensen tekent. Ik noem wat willekeurige voorbeelden : een vrouw, die als heel jong  meisje was misbrukt, zich eindeloos veilig voelde in het huwelijk dat ze aanging maar voor haar 50e al haar man verloor en toen, ondanks veel kinderen, in ontstellende eenzaamheid belandde. Die loste ze een beetje op door allerlei ziektes te krijgen (of voor te wenden) waardoor in elk geval de dokter minstens één keer per week bij haar op bezoek kwam. – Een man, ver in de tachtig, die met tranen in zijn ogen kon vertellen hoe hij vlak na de oorlog van het Avondmaal geweigerd werd omdat hij (gedwongen) in nazi- Duitsland had gewerkt. – Een vrouw, tegen de negentig, terugkerend uit een coma, met haast doorzichtige ogen, zo helder, die in een andere, lichte wereld was geweest. Daar liep ze in een witte bruidsjurk. Dat mocht ze niet op haar trouwdag zestig jaar geleden omdat ze beneden haar stand trouwde.

Al deze ingrijpende , pijnlijke ervaringen uit het verleden poets je nooit weg. Het zijn diepe krassen op je ziel. Ze negeren is gevaarlijk want dan melden ze zich spontaan op een zwak moment in je leven en kunnen ze je alsnog vloeren.

Ideaal is als je de kans krijgt om ze te verwerken, vaak met behulp van een aandachtige gesprekspartner. Ik heb zelf het grote geluk gehad niet alleen verrijkende leermeesters te hebben gehad (zoals Breukelman, Kuitert, Drewermann, Dingemans e.a.) maar ook enkele zeer kundige therapeuten.zoals Wybe Zijlstra, Karel Kaptein, Bram Lobbezoo).  Eigenlijk had  ik die laatsten eerder moeten ontmoeten, voordat je op een gemeente word losgelaten, maar dat terzijde. Van hen heb ik geleerd hoe zorgvuldig je met je verleden om moet gaan. Dat het goed is om het negatieve uit je opvoeding te benoemen en er desnoods alsnog boos om te worden. Boos blijven is iets anders, dat getuigt niet van eigen groei. Je moet er ook grappen over kunnen maken en het op afstand zetten. Maar weg is het nooit. Zo kijk ik ook tegen mijn eigen verleden aan. Wat ik zelf vond deed niet zo terzake. Wat je doen moest, wat je geloven moest werd je allemaal voorgekauwd. Om daaruit los te komen heeft me vele jaren en moeite gekost. En nog. Is dat pijnlijk ? Steeds minder. Ik voel me een heel gelukkig mens. Veel ballast mocht overboord. Geloven is een weifel-moedig zoeken geworden wat dicht aanschurkt tegen verwondering. Bitterheid is mij vreemd (geworden). Mijn ouders en opvoeders waren ook kinderen van hun tijd, die nog veel grotere oren waren aangenaaid. Daarom vind ik op deze punten onze tijd stukken beter. Mijn kinderen en kleinkinderen zijn helemaal los van de kerk die voor mij nog zo overheersend was.Ze staan heel wat volwassener in het leven dan ik op hun leeftijden en het zijn in-goede mensen.

Ik hoop in dit nachtboek de weg van toen naar nu met verhalen en meninkjes te illustreren. Meer is het niet.

 

 

 

Nachtboek 7

Zaterdag 16 april

Die kosters bleven vandaag door mijn hoofd spelen. Twee met name, zonder hun namen te noemen. De ene was  koster in de kerk van mijn jeugd en later mijn jonge jaren. Ik zat er als puber en leerde er klaverjassen. Ina en ik zijn er getrouwd en onze kinderen zijn er gedoopt.Het was een grote kerk, zo’n duizend zitplaatsen. Kuitert zou het een preekschuur noemen. Vooral veel preekstoel, met twee opgangen. Achter de diakenen zat de koster op enkele kussens zodat hij een goed overzicht had over de hele kerk.Op elke galerij was een suppoost met wie hij nonverbaal contact had. Elke wanordelijkheid werd doorgeseind zodat de suppoost kon ingrijpen. De koster zelf werd graag meneer genoemd. Hij was ook begrafenisondernemer en was op zondag in jacquet. Oudjes ( zoals wij ze toen noemden, mijn leeftijd van nu en ouder), die voorin op stoelen zaten, kregen van hem zo nodig voetbankjes  toegeschoven voor een comfortabele zit. Dat was klantenbinding. Gegarandeerd dat hij in hun testamenten genoemd werd als uitvaartbegeleider. Hij functioneerde optimaal als het volle bak was. En dat was als er één van de preektijgers van die tijd voorging. Toornvliet, Okke Jager en ook mijn vader mochten zich in die grote aantallen verheugen. Onder regie van meneer de koster werd er dan met stoelen gesjouwd. Soms stelde hij zich onder de preekstoel op en keek met scherpe blik en z’n hoofd een beetje scheef of elke bank wel maximaal was gevuld. Zo niet dan maakte hij gymnastische bewegingen om tot inschuiven aan te zetten. Als de bijzetstoelen uit allerlei lokalen op waren, plaatste hij mensen op de trappen van de kansel en zo nodig boven bij de organist.Begin jaren ’70 heb ik één keer in die kerk mogen preken. Je kon een kanon afschieten maar meneer de koster was nog dezelfde. Hij zorgde goed voor de dominees. Op de preekstoel was een zitje, lage stoel en rond tafeltje, met daarop water, wybertjes en eau de cologne. Niet lang na mijn dienst is de kerk afgebroken. Er staat nu een AH. Het Psalmboek van ooit is een bonuskaart geworden.De andere koster bewaar ik voor later.

 

Zondag 17 april

Zo vreemd om Wim Brands te zien. Zonde, echt zonde, dat deze man er niet meer is. Het interview met David Grossmann werd herhaald. Ook zo’n man !

Ik schreef in eigen woorden enkele uitspraken van hem op.

“Schrijven is het tegendeel van gevangen zijn.

Natuur leert je bescheiden te zijn.

Mensen hebben woorden nodig om te benoemen, zoals Adam de dieren een naam gaf.

Bij ingrijpend verlies en verdriet heb je geen cliché’s nodig ( zoals : sterkte),

maar handgemaakte troost.

Als je niet terugkeert van de plek waar je je liefste verloor, sterf je zelf ook.

Israël is een plek die ertoe doet.  “

Deze gedachten neem ik de komende dagen mee naar de Ardennen.

Samen met Marijke ga ik o.a. enkele keren op bezoek bij de monniken in Chevetogne. Met name naar de Byzantijnse kapel. Het lijkt me fantastisch om daar door te denken over alles waarmee ik bezig ben. De gedachten van Grossmann, het boek God temidden van de goden, bijbel en mythe. En voor alle zekerheid neem ik ook nog wat preken van Augustinus mee. En voor de rest zal de natuur mij leren bescheiden te zijn.

 

Donderdag 21 april

Droomde vannacht over de primaries in New York.Hillary Clinton had een man uit Ecuador als slaaf. Hij was de riolering van haar huis aan het repareren en zat onder de smurrie. Hij zou zwart betaald worden. Ik ben met Marijke in België , aan de Lesse.. We zijn de enige gasten in het hotel. De TV bezit 60 Franse zenders en 20 Duitsee. Geen Vlaams of Engels. Teletubbies en Sesamstraat gaat in vloeiend Frans. Van de primaries in New York heb ik niets gehoord of gelezen (kranten zie ik hier niet en ook niet in de omliggende dorpen). Het is het geijkte verhaal : je kunt niet alles hebben.Want wat een prachtig land. We hebben heel wat van de omgeving gezien. Mooie landschappen met veel coupe de soleil : witte struiken en bomen tussen al dat groen. Vuurrode zonsonder-gangen. En eindeloos veel grijze dorpjes die allemaal op elkaar lijken. Nergens winkels. Laat staan een krantenkiosk. Je leeft hier volstrekt afgezonderd van de wereld. Ik zou hier geestelijk omkomen.Ondanks de schitterende ervaringen in het klooster van Chevetogne. Tussen haakjes : we zijn ook in het benedictijnerklooster in Mardesous geweest. Zoiets groots qua klooster heb ik nog nooit gezien. Met 10 voetbalvelden ben je er niet. We ontdekten dat er in de crypt van de zeer grote kerk  een eucharistie  werd gehouden.Ik verheugde me op benedictijner gezang. Maar niks van dat alles : vijf monniken lazen een korte mis en voor je het wist werden brood en wijn geheven. Ik was zo weer buiten. Toen in de uiterst commerciële ontvangstruimte aan de koffie met gebak, dat kon wel. In Chevetogne was dat heel anders. Twee kapellen,een voor de latijnse rite en een voor de byzantijnse. De latijnse viel me niet mee. Weinig monniken, niet eens zo oud trouwens, maar veel gelees. Eén keer, in de vespers,  heb ik ze horen zingen. Dat klonk mooi.  Maar niet zo mooi als in de byzantijnsekapel. Ook daar geen overtal aan monniken maar het is heel  anders gevuld. Als er daar twee of drie zingen klinkt dat al voldoende. Het meeste indruk maakten op ons de completen, 's avondsom half negen, de afsluiting van de dag. En dan met name het slotlied. Moeilijk om woorden te vinden die precies aanduiden wat je hoort : overgave, ontroering, buitenaards, schoonheid, iets van boven. Als er engelenkoren bestaan dan zingen ze niet mooier dan deze paar monniken. Of:  dit ís  een engelenkoortje, dat kan ook. De vorige keer dat ik het voor het eerst hoorde,was met Bart de Ruiter, die zelf ook in een Byzantijnsekoor zingt. Ik heb nu een kaars voor  hem gebrand  want hij is in gevecht met de kanker. Vooral bij die completen heb ik nogal eens aan hem gedacht.Op Youtube kun je er iets van zien. Als je de trefwoorden : Chevetogne,refuge,compassion  intikt zie je zo'n lied waarmee ze de dag afsluiten. Aan het slot zie je die grote kerels plat op de grond liggen.

Zowel de reis naar de Ardennen als de kilometers die we daar reden deed ik op aanwijzing van de vrouwenstem van TomTom. Ze heeft ons schitterende vergezichten geboden. Alleen heb ik nooit enig idee gehad waar ik reed. Dat is zo heel anders dan vroeger. Ik was voor het eerst in die streek rond Dinant in 1955, samen met mijn neef Gerben Heitink. Op de fiets ! Nu had ik zo’n oud exemplaar, voorheen van een oudere broer, maar op mijn verjaardag gelakt en wel als nieuw aan mij geschonken. Met enkel een terugtraprem. Daarmee mocht je de Ardennen niet in. Dus  kreeg ik er een handrem bij, met zo’n remblokje dat je met een handgreep op je voorband deed belanden. Die moest je dus nooit solo gebruiken want dan ging je over de kop. We hebben toen in 2 weken bijna 1200 km afgelegd  (bijna evenveel als ik nu reed in 4 dagen). Voor die tocht gebruikten we destijds kaarten en we stippelden precies uit welke route we zouden fietsen. Haast met de ogen dicht konden we aanwijzen in welke richting je Dinant kon vinden of Han of Brussel. Nu tastte ik volledig in het duister en moest ik vertrouwen op die vrouwenstem die mij vanaf een staelliet in de gaten hield en me bij elke verkeerde manoeuvre tot de orde riep met de woorden : keer om ! Zoals zij ook op de gekste momenten op de snelwegen roept : houd links aan ! (N.B. Dat heeft mijn broer Evert bijna voor de 2e keer zijn leven gekost. Toen hij werd weggebracht naar het crematorium zat er een invaller achter het stuur van de lijkwagen. Hij wist niet precies waar het crematorium was en gebruikte de TomTom. Toen die riep : houd links aan, deed hij braaf wat hem werd opgedragen, alleen was het wel op een tweebaansweg !)  Dat hele gedoe met de TomTom bracht mij wel op een gedachte. Vroeger in de kerk, RK met de priesters en Prot. met de dominees, werd het volk aangezegd wat ze moesten doen. In oude tijden lazen die zelf geen bijbel en moesten ze het hebben wat van de kansel af werd gezegd. Zo las ik in een preek van Augustinus (de enige van wie ik in deze dagen iets heb gelezen) dat vrouwen en mannen alleen met elkaar naar bed mogen als ze getrouwd zijn én  als hun activiteit in dat bed gericht is op het verwekken van kinderen. Alle andere keren is het zonde (zegt Augustinus) . Eén troost : die zonde kon je afkopen met het geven van aalmoezen. Er stond niet bij aan wie ze die moesten geven. Als het aan bedelaars was dan zou dat vak toch uitgestorven moeten  zijn. Is het aan figuren van de kerk geweest dan is er toch weer iets opgehelderd van de vraag waar al die pracht en praal vandaan komt.

Wat hun geloof en leven betreft zijn veel mensen inmiddels van die TomTom afgestapt. En nu maar hopen (en bidden als je wilt) dat ze zelf de kaarten weer raadplegen. Want er blijft veel moois te zien en te beleven.

 

Vrijdag 22 april

De eerste dag dat Smash, de hond van Harold, weer onze gast is. Dat betekent lopen en fietsen. Dat laatste gaat wel maar lopen is een crime. Weinig lucht in de motor en spieren en gewrichten doen zeer. Ik wacht op het echte voorjaar.

Die wind uit het Noorden, vorig jaar en het jaar daarvoor ook al zo lang aan-wezig, speelt mij parten. Een erfelijke aandoening want ik herinner mij dat mijn vader daar ook zo slecht tegen kon. Maar desondanks gaat de natuur gewoon haar gang, zij het met vertraging. De Japanse kers staat schaamteloos in bloei. De bomen drukken hun eerste blaadjes naar buiten. De meerkoet zit weer op haar nest. De eksters hebben jongen en worden bedreigd door kraaien. Ik zag een eend met twee jongen zich door het water haasten. Snoeken en reigers  loeren op dat jonge spul. En áls ze zich veilig wanen in wat een perfecte schuilplaats lijkt dan kan er altijd nog een rat of een vos langs komen voor een snelle hap. Zo steekt die natuur ook in elkaar, eten en gegeten worden, schoon en wreed.  Als het leven zelf. Ik genoot vanmorgen enorm van de column van Bert Keizer. Hij had het over een recente uitzending van De Wereld Draait Door. Daarin waren vijf oncologen te gast. Zij vertelden dat ze een samenwerkingsverband aangingen in de strijd tegen de kanker. Matthijs van Neuwkerk glunderde. Allereerst omdat hij vijf professsoren aan tafel had en daarnaast omdat hij meende een primeur te hebben. Kritische vragen bleven achterwege (b.v. waarom zijn jullie daar nú pas mee gestart ? ) en de overwinning werd in het vooruitzicht gesteld. Maar dan ? Leven dat niet sterven kan ? In Bijbeltaal begrijp ik dat, eeuwig leven is dat. Dat is een kwaliteit van leven, geen kwantiteit. Gaan de wetenschappers , die ons eerst dwongen de begrippen “ schepping” en “in den beginne “  te herzien nu zelf met het bijbelse begrip “eeuwigheid “  aan de haal ? En worden zij de nieuewe goden ? Aan de eerbiedige houding van van Nieuwkerk af te lezen zou je het wel zeggen. Natuurlijk is het fantastisch als welke vorm van ziekte dan ook kan worden teruggedrongen. Maar  er komt een fase waarin het medisch gesleutel

van minder belang is dan zorg en aandacht. Dan heeft het weinig zin om over het verliezen van een strijd te spreken. Leven mag  voltooid worden.

 

Nachtboek 6

Zaterdag 9 april

Zaterdag. Wij luiden de zondag in. In mijn geheugen aan mijn kindertijd zit nog het Ave Verum. Op de KRO op zaterdagavond.Later werd dat de wonderlijke spanning in je hele lijf voor de kerkdienst de volgende morgen. En de pijn in de buik die zondagmorgen zelf. Ik heb de oude ds. Buskes daar eens over horen zeggen : elke zondagmorgen sta ik stijf van de zenuwen en heb ik last van mijn darmen. Dat is goed, zei hij erachteraan, want je staat ook voor een uiterst verantwoordelijke taak. Dat zo’n ouwe rot in het vak daar nog last van had troostte me. Nu is voor mij de zondag als de zaterdag. Zelfs AH is open en ik loop er graag even binnen. Tot drie weken geleden keek ik op zondagmorgen graag naar VPRO met boeken. Maar presentator Wim Brands heeft een eind aan zijn leven gemaakt. Ineens weg, net als Joost Zwagerman. Zulke begaafde en inspirerende mensen. In mijn pastoraat heb ik twee keer zelfdoding meegemaakt. Beide keren heb ik getracht de partner en familie bij te staan door er te zijn en het afscheid zo dragelijk mogelijk te maken. Maar eigenlijk is dat onbegonnen werk want het drama is te afschuwelijk. Ook als je je probeert voor te stellen welke diepe eenzaamheid en wanhoop aan deze dood zijn voorafgegaan. Ik geloof tenminste niet dat het met een nuchter verstand of uit koele berekening gebeurt. In plaats van VPRO met boeken is trouwens morgen de Rotterdamse marathon op de buis. Een gebeuren waar ik helemaal niets mee heb. Dus denk ik toch maar even aan Wim Brandsen. Uiteindelijk is het zondag. En ergens in ons land zit dan een man in zijn kerk met een zeer tevreden glimlach. Hij is biljarter en gelovig. Mag van zijn geloof niet op zondag  sporten maar de grote wedstrijden zijn juist op die dag.Dat vindt hij discriminatie, niet van zijn geloof maar van de biljartbond. Dus heeft hij een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens. Die geeft hem gelijk. Wedstrijden op zondag zijn in het nadeel van mensen die die dag niet mogen sporten. Zo oordeelt dat College. Dus moet die marathon ook naar zaterdag (als de Joden dat goed vinden) of naar vrijdag (maar dan krijg je  de moslims tegen en daar zijn we tegenwoordig als de dood voor). En het eredivisievoetbal. Dan was het vroeger toch overzichtelijker. Je biljartte gewoon niet en liep niet hard. En voetbal deed je op zaterdag, ook leuk, voor de liefhebber dan. En voor de rest luidde je gewoon de zondag in. Een saaie dag, dat wel , maar je deed er het Opperwezen een plezier mee. Dacht je.

 

Zondag 10 april

In Buitenhof werd Wim Brands herdacht.Ze lieten een opname zien waarin hij een gedicht van zichzelf voordroeg. Hij had het geschreven bij de begrafenis van een Duitse zwerver die dood was gevonden. Zo vreemd dat je hem ziet spreken, met al zijn emoties, terwijl hij er niet meer is. Ik ben daarna even gaan fietsen door de polder. Kwam langs het huis van Elisa, is er ook niet meer. Het huis zag er nog onaangeroerd uit. Daar zal ik nooit meer in komen. Tijd om flink door te fietsen. Zwarte en witte lammeren in de wei, ontroerend. Jammer voor hen dat ze ook zo lekker zijn. Toch een dubbel gevoel . Toen langs het golfterrein. Ik kijk daar altijd graag. Aparte mensen. Maar nu : niemand. Stra-lend weer, droog, zondagmiddag en geen hond. Waarom moest ons dorp zo nodig zo’n baan ? Ben toen maar bij AH De Telegraaf gaan lezen. Wonderlijke krant. Toch blijf je bladeren. Veel uiterlijkheden en onbelangrijke weetjes. Over relaties en het stukgaan daarvan, over nieuwe liefdes en liefdesbabies, oude mannen en jonge meiden, botox en interieurs. Dan toch maar Parijs – Roubaix gaan zien. En onderhand mijn eigen kranten met de schaar te lijf. Ik knip stukjes uit voor Karin.  Heel leuk om te doen . Ik gok wat haar zal interesseren. Eens in de week krijgt ze een pakket en ik krijg geen klachten terug. Integendeel. We besloten de dag met een avondje gezellig bridgen. Spectaculaire missers en onnozele fouten leverden een grillig  spelverloop op waarbij het niet meer van belang was wie won of verloor.Ook wel eens leuk. Omdat het buiten ongekend helder was , met een schattig nieuw maantje, zocht ik nog  even uit of het Interna-tionale Ruimtestation (ISS) overkwam. Op mijn tablet zag ik hem net boven Los Angeles gaan, een half uur later (Ina vloog daar enkele weken geleden 9 uur over)  was hij boven West –Europa, maar niet boven ons land. Heel geregeld zie ik hem boven ons huis van West naar Oost gaan. Ik kan daar bewonderend naar kijken. Vooral als je bedenkt dat mensen daar maandenlang in leven en werken. Met één troost : zij zien óns ook, althans de plek waar wij wonen.

 

Maandag 11 april

Dromen zijn bedrog. Dat zeiden we vroeger. Ik geloof dat niet. Maar wat ze wél betekenen ? Ik ken twee repeteerdromen. De ene hield in dat ik nog steeds mijn bul theologie moest halen terwijl ik allang als predikant functioneerde. Ik heb die droom altijd maar als stimulans beschouwd om te blijven studeren. En dat heb ik min of meer gedaan.In de andere droom ,die regelmatig terugkwam,

 rende ik altijd als klein jochie door de sloppen en steegjes van Parijs, trap op, trap af, en nooit kwam ik ergens  aan. Ik geloof niet in vorige levens maar als dat zou moeten wezen dan ben ik dát dus geweest. Per slot van rekening kwam mijn voorgeslacht uit Frankrijk als gevluchte Hugenoten onder de naam Navin. Dus wie weet. In mijn tijd op Beukbergen bekeken we wel eens een video-documentaire over vorige levens. Daarin zaten frappante opnamen. B.v. van een man die kok was geweest op een groot buiten in Engeland in de late Middeleeuwen.Hij woonde aan de andere kant van de wereld en was nooit in Engeland geweest. Had ook nooit een tijdschrift bekeken waarin zoiets als een buiten stond afgebeeld. Hij tekende precies de plaats van de keuken, waar de deuren zaten , maar ook waar de moestuin lag waar hij zijn spullen uit haalde. Zelfs een kippenhok met een mozaiek vloertje. Alleen dát al was uitzonderlijk genoeg.  De plaats van het buiten werd gevonden. Het klopte allemaal wonderwel en op de plaats waar hij een kippenhok had getekend stond nu een schuurtje. Maar een halve meter onder dat schuurtje vonden ze ….jawel. Bedrog ? Je zou het denken maar stel je voor dat eens waar zou zijn. Leuk toch om op door te fantaseren. Hoewel… Ik kom hierop omdat ik vannacht zo merkwaardig droomde. Ik zat in een Oud Gereformeerde Kerk ( dat stond op de deur). Daar preekte een dominee die sprekend op de oud-politicus Janmaat leek. Hij praatte net zo onsmakelijk.  Hij had een preek in drie delen. Het begon heel populistisch waardoor er smakelijk (dat wel) gelachen werd. Alleen dat al lijkt me heel uitzonderlijk in zo’n kerk. Het tweede deel ben ik kwijt. In het derde deel ging hij  er behoorlijk op los, in zeer oude taal. Hij slingerde allerlei teksten  de kerk in die overigens nergens  te vinden waren. Sommigen kon ik hardop nazeggen maar verdwenen uit mijn hoofd toen ik wakker werd. Het ging in de trant van : wij kloppen hartstochtelijk met de stormram van ons ongeloof op de gouden poort van de waarachtige god maar hij weigert in zijn onwrikbaar besluit toegang te verlenen aan de zware misdadigers die wij zijn. Zoiets dus. Niet om vrolijk van te worden. Ben ik zwaar gereformeerd geweest ? Dat moet dan in een vorig leven zijn geweest. Of zal ik het er maar op houden dat dromen bedrog zijn ? Tenzij ze zich gaan herhalen. Ik houd het scherp in de gaten.

 

Dinsdag 12 april

Wij hebben in vijf dagen 800 km gereden. Maar daar heb je ook wel wat voor. Eerst bij zus Diny en Herman in Overveen, toen bij dochter Karin en Silvester op hun nieuwe adres. Maandag naar dochter Barbara en Kees in Willemstad en vandaag naar broer Gabe en Tine in Rolde en onze vriendin Marian en haar nieuwe tekkel Belle in Steenwijk. Dat geeft een goed gevoel iedereen weer eens gezien te hebben. En de Kia Picanto brengt ons er graag. Moge hij nog jaren meegaan want het zal wel onze laatste auto zijn. Dan zijn de potjes leeg. Ik zag trouwens erg veel ruimte in ons land. Honderden kilometers weiland, groen als een biljartlaken. Dat is geen goed teken. Het gras staat stijf van de kunstmest, geen bloemetje wil erin bloeien en geen vogel zal erin nestelen. In het Noorden schijnen zelfs bijna verlaten dorpen te zijn. Met gesloten winkels, scholen en kerken. Volgens mij zijn er duizenden mensen in ons land die blij zouden zijn met zo’n dorp Maar dat zal wel politiek incorrect zijn vanwege integratie en angst voor separatisme en gettovorming enz.enz. Maar in onze “nette “ buurten wil men deze mensen ook niet. Vanavond heerlijk naar voetbal gekeken. De grote jongens. Prachtig om het verschil te zien tussen de Belg Kevin de Bruijne en de Portugees Ronaldo. Beiden scoorden. Kevin één beslissend en mooi doelpunt. Hij kreeg er zélf tranen van in zijn ogen en was gewoon blij. Hij juichte zoals ook Cruijf dat deed. Ronaldo scoorde er drie, ook beslissend, ook best mooi, maar hij bespeelt daarna de tribunes en houdt feilloos in de gaten waar de camera’s staan. Een godheid is het. Zo leeft hij en zo wordt hij aanbeden. Op eenzame hoogte, die hij zelf verkiest. Sneu voor die tien anderen die voorzetten gaven, waterdragers zijn maar eeuwig in zijn schaduw zullen staan. Hoe komt zo’n man ooit weer op aarde ?

 

Woensdag 13 april

Drukke discussie op tv over de Duitse cabaretier die premier Erdogan beledigde. Vrijheid van meningsuiting en zo. Je moet alles kunnen zeggen wat je wilt . Is dat zo ?  Hoe grof het ook is ? Ik had daar destijds bij Theo van Gogh al moeite mee. En ik blijf er moeite mee houden. Is er geen grens ?  Respect  b.v.  ? Maar moet je Erdogan respecteren ? Het is toch een zuivere dictator ?

Daar mag je toch op los ? Hadden ze dat destijds met Hitler ook maar gedaan. Ik weet het dus niet. Mogelijk zit de nuance hierin dat schelden nog geen cabaret is. Ik hoorde net een Boeddhistische monnik zeggen dat praten vaak veel lege woorden bevat. Niet praten is vaak vruchtbaarder. Geef hooguit wat hints zodat de ander zelf verder kan denken en studeren. En zo tot zelfinzicht komt. Hij zal met al mijn preken van vroeger dus weinig op hebben. Misschien heeft preken ook minder zin dan we dachten. Ik twijfel op dit moment erg of ik het nog wel zal doen deze zomer. Dat komt niet door de opmerking van die monnik trouwens. Ik pieker er al een poosje over. Leersum en Soesterberg staan in mijn agenda. Het is als een hoge berg in de verte en ik heb hoogte-vrees. Dat is in het kort mijn probleem. Vóór 1 mei wil ik een besluit nemen.

Tot slot nog iets bijzonders : eergisteravond kwam ik een Latijnse spreuk van Seneca tegen die inhield dat het lot (fata) leidt wie wil en dwingt wie niet wil.

Op dat woord lot lag ik voor het slapen gaan nog wat na te kauwen. Fata. Fata morgana, de luchtspiegeling die is genoemd naar de vrouw van Koning Arthur.

Laat ik nou de volgende morgen in de Trouwpuzzel het woord fata morgana tegenkomen. Gisteren had ik het met broer Gabe over de uitvoeringen van de Matthëuspassion en dan met name over die hele snelle uitvoering van Reinbert de Leeuw. En wie kwam vanmorgen voor in de dagelijkse puzzel ? Juist : Reinbert de Leeuw. Ik ben zo benieuwd of er morgenochtend wéér een woord , naam of begrip van vandaag te vinden is. Als dat zo is moet ik mij in de waarzeggerij gaan verdiepen. Al mag dat niet, van Jesja b.v. Ik heb hem bijna uit en ben behoorlijk in de war over deze profeet. Hij jojoot zo allemachtig. Ook hij stort de vreselijkste woorden over de volkeren uit, ze worden uitgeroeid tot en met de laatste vrouwen en kinderen. En in het volgende hoofdstuk wordt al het wapentuig omgesmeed tot ploegscharen. Maar daarna gaat het weer los. Ik word er sowieso niet erg gelovig van maar houd rustig vol. Uiteindelijk zijn we 2500 jaar verder. Iets veranderd trouwens ?

 

Donderdag 14 april

In de auto hoorde ik een prachtige uitspraak van een Nijmeegse professor : de bovenste steen van een piramide hangt niet in de lucht. Het werd geciteerd in een gesprek over de prestatiecultus op scholen en universiteiten. Het moet allemaal top zijn. Geen zesjescultuur maar negens en tienen. Maar als je nu niet verder komt dan een zes of zeven en je daar 100% voor hebt ingezet ? Ben je dan minder dan iemand die op zijn sloffen een 9 of 10 haalt ? Of juist niet ? En áls je aan de top bent is dat dan alleen dankzij jezelf ? Denk aan de bovenste steen van de piramide.

Een ander punt : stel, je bent lid van de PKN maar je woont op een dorp waar een kerk is  waarin je je absoluut net thuis voelt. Dan sluit je je aan bij een kerk in de buurt. Daar is de Gereformeerde Bond het absoluut mee oneens. “Je maakt op de plaats waar je woont deel uit van de kerk. Een kerkelijke gemeente is geen groep mensen die elkaar hebben uitgezocht, maar die door God aan elkaar zijn gegeven . “  Dus is een Bonder lid van de enige (vrijzinnige) kerk b.v.op zijn dorp ?  Ik zie het ze niet doen. Moeten ze ook niet want “een van God gegeven gemeente” lijkt mij hoogst dubieus.

En tot slot voor deze dag : mijn lezing van de bijbel in gewone taal vordert. Ik ben op blz 1234 (van de in totaal 1992) en begin nu aan Jeremia. Jesaja viel me tegen.  Toch erg veel gewelddadige taal. Uit het laatste hoofdstuk : “De Heer zal komen op zijn strijdwagen om zijn vijanden te straffen. Hij komt met vuur, want zijn woede is groot.- Veel mensen zullen sterven door zijn vuur en zijn zwaard. Hij straft mensen die naar tuinen gaan waar afgoden vereerd worden. Hij straft mensen die vlees eten van varkens, muizen of andere onreine dieren. Die zullen allemaal sterven, zegt de Heer, want ik weet hoe slecht ze zijn.”De laatste verzen uit Jesaja bespaar ik u, mij te gortig.

Geen fijne lectuur vóór het slapen gaan als je net een lekker speklapje verwerkt hebt en je hebt zitten vergapen aan de afgoden in de tuinen : de voetballers op het veld. Maar dat zal wel te plat gedacht zijn. Ineens schiet mij (bij plat denken over bijbelverhalen) Lou de Palingboer uit Huizen te binnen. Hij maakte met zijn sekte furore in de vijftiger jaren.  Zes van zijn volgelingen hebben we in 1959 eens te gast gehad in de studentensociëteit in Kampen. Lou was de bel en dat boekje de bij-bel. Eva had de vrucht van de boom geplukt en de hoofdvrouw van Lou, de nieuwe Eva, zou de vrucht weer terughangen. Dat waren zo wat van hun uitspraken. Ze beweerden ook onsterfelijk te zijn. In 1968 is Lou gestorven. Als ik me goed herinner hebben ze geprobeerd zijn graf onvindbaar te laten zijn. Alsof je zó onsterfelijk blijkt.Google kan nadere informatie verschaffen.

 

Vrijdag 15 april

Meegelopen met Marijke door het ziekenhuis van  Ede.    Ze kreeg de uitslag van de oncologe snel : ze hadden weg kunnen halen wat verkeerd zou kunnen uitpakken. Bestraling niet nodig. Leuk om te merken hoe ook zo’n goed bericht pas langzaam indaalt.  In de wachtkamer een dikke moeder met een ook te dik dochtertje die door hun eigen Berner Sennen was gebeten. In haar gezicht . Daardoor liep het spreekuur van de  plastisch chirurg uit en brachten we bijna de hele middag in wachtkamers door. En ergens ligt nu een dode hond. Het bracht mij onze Marquis te binnen. Een alles-wat-hondje naast onze boxers. Ongeveer vijftien jaar geleden maar ik zie zijn brekende oogjes nog. Hij had  Agnes gebeten en moest dat met de dood bekopen. Zelden eerder gezien hoe  een hond zich zó fel tegen zijn dood verzette. Dat begreep ik pas later. Hij had suiker en was in een hypo door het lint gegaan.Toen de dierenarts de dodelijke naald inbracht was er met Marquis niks aan de hand. Hij viel aan toen hij zelf  een aanval had.  De vraag is of dat voor een hond een verzachtende omstandigheid is. Want morgen kan het weer gebeuren. En je wilt toch niet bang zijn voor je eigen huisdier.

Gisteravond haalde Agnes voor de 2e keer deze week haar hand open, precies bij een bloedvat.  Ik zei in alle onschuld : dit gaat op automutulatie lijken ! En laat nou dát woord vanavond gevraagd worden in de 2 voor 12 kwis. Ik voeg het toe aan  fata morgana en Reinbert de Leeuw . Dit wordt spannend.

Vannacht aan Jeremia begonnen. Voor een deel lijkt hij op Jesja : hij maakt van dezelfde lakens dezelfde pakken. Een god die boos is op zijn volk omdat ze zich niet aan zijn regels houden en er wordt weer heel wat straf in het vooruitzicht gesteld. Maar Jeremia schrijft wel in een taal die veel beeldender is. Tot nu toe vind ik de mooiste als hij het volk Israël vergelijkt met een wilde ezelin in de woestijn, die op zoek is naar een mannetje. Elke ezel die ze tegenkomt kan met haar paren. Zó zijn jullie op zoek naar afgoden. Jullie lijken op een hoer die met iedereen seks heeft. Ik had die Jeremia best eens op een gereformeerde kansel willen zien. Ik vrees dat de dienstdoend ouderling of eventueel de koster hem toch vriendelijk doch dringend had verzocht benen te maken. Mij overkwam dat bijna een keer in een naburig dorp. Ik moest daar preken op vredeszondag.

Vanuit mijn vormingswerk met militairen had ik nogal wat voorbeelden uit de wereld van de vooroordelen. Jullie weten dat die niet vredebevorderend werken. Ik vroeg dus in mijn preek aan ouders en kinderen om straks bij de koffie eens te praten over vooroordelen. Hoe denk je over die Turk in jullie straat, of over de woonwagenbewoners in dat kampje om de hoek van jullie straat ? Toen de kerkenraad (14 mannen in het zwart) en ik na afloop van de dienst in de consistorie kwamen ontstond er een ….ijzige stilte. Ik kleedde me in rap tempo om en net voordat ik mijn koffer en de biezen kon pakken ging de deur van de consistorie open en stond daar een briesende koster. Dat het een schande was dat dit allemaal vanaf een preekstoel gezegd mocht worden. Hij knalde deur weer dicht en de broeders gingen gestaag door met de ijzige stilte. Ik heb hen een goede zondag gewenst, wat moet je ? Dat dit pas een voorbe-reiding was op een andere koster, enkele jaren later, die veel grotere stampij maakte, bewaar ik voor een ander keer. Voor alle zekerheid : de meeste kosters zijn aardig.

 

 

 

 

Nachtboek 5

Zaterdag 2 april

Het zou lente zijn vandaag. De weerprofeten hadden het er de hele week al over.Niks geworden. Wel wat zachter maar niet dat je die lentekriebels voelt.De vogels zingen ook nog ingehouden. Alsof ze nog aan het oefenen zijn voor het echte concert. Zoals ik vroeger mijn vader op zaterdagmiddag zijn preek hoorde oefenen op zijn studeerkamer. De echte uithalen en de grote woorden bewaarde hij voor de zondagmorgen. Wat hij wél deed was lopen, stampvoeten eigenlijk, en dat deed hij op de preekstoel niet. Dat waren weer anderen. Ik heb ze ook gezien in hurkzit, die dan ineens weer boven de katheder verschenen. Maar het meest bezienswaardige vond ik altijd de opkomst, als de predikant de kansel betrad. In die tijd – ik heb het nu over de jaren ’40 en ’50 in Kampen en Den Haag – begon de kerkdienst met stil gebed. Daarbij ging alles wat van het mannelijk geslacht was staan (!). De predikant stond aan de voet van de kansel. Hoe zwaarder de predikant hoe langer dat duurde. Een “lichte “ deed het vluchtig en vloog daarna de trap op. Net alsof hij er zin in had. Maar ik heb in mijn studententijd in Kampen een superzwaar-gewicht gezien die bijna vijf minuten onderaan de trap bleef kreunen. Een fabelachtig schouwspel waarin je de man zag worstelen om moed te vatten voordat hij zichzelf omhoog kon hijsen. Zijn Vrij Oud Hervormde Gemeente (door hem zelf opgericht) zag het met angst en beven aan. Stel je voor dat hij niet de genade zou ontvangen om het woord te verkondigen. Die ochtend kreeg hij zijns inziens wel toestemming van boven en ik vraag me nog steeds af of de gemeente daar zo blij mee moest zijn. Zijn tekst was : alzo lief had God de wereld dat hij zijn eniggeboren zoon enz. Vervolgens begon hij zijn preek met deze zin : er zijn in deze kerk twee mensen die behouden worden ! Ik was met een studiegenoot en wij keken elkaar aan, zo van : dat zijn wij, vast en zeker. Maar het pakte anders uit, want de ds zei iets heel anders : en dat ben ik en dat bent u. Daarbij wees hij naar een vrouw in de kerk, niet zijn eigen vrouw, die meteen een zakdoek uit haar handtasje trok.Nu wisten wij als studenten dat deze man op woensdagmiddag huisbezoek deed bij een echtpaar met een sigarenzaak.Die  was op die middag altijd gesloten en de man was uit vissen of deed iets anders wat mannen doen als ze door hun vrouw weggestuurd worden. En dan kwam de voorganger, zette zijn fiets in de winkel, legde daar ook zijn hoge hoed neer en bezocht dan de onbestorven weduwe. En troostte haar. Díé werd behouden verklaard. Omdat er voor ons niks meer te halen viel hebben wij de kerk vervroegd verlaten en ‘s avonds belet gevraagd bij de predikant. Zijn gekneusde vrouw deed open en zei dat ds erg vermoeid was. Maar ik beloofde het kort te houden, eigenlijk had ik maar één vraag.We werden binnengelaten en daar zat op een soort troon  een paljas in het zwart, nog steeds kreunend trouwens, met een wandelstok in de ene hand. Wat de heren wilden. Ik had een vraag over de tekst van vanmorgen. Die hebt u vast in het Grieks gelezen. Zijn varkensoogjes zochten de uitgang. Daar staat : alzo lief had God de kosmos. Hoe hij het durfde dat te reduceren tot hemzelf en één vrouw in de kerk ? We zijn met de wandelstok het huis uitgejaagd.  Van zijn buurvrouw hoorde ik de volgende dag dat hij zijn eigen vrouw met die wandelstok regelmatig sloeg, haar vervolgens opsloot in een kast, het orgel ervoor schoof en Ps 42 inzette : het hijgend hert der jacht ontkomen. De vraag wie er nu het hert was hangt nog steeds in de lucht.

Ik heb dit verhaal eens eerder opgeschreven maar wil het mijn nachtboek niet onthouden. Het schoot mij te binnen toen ik vanavond op tv beelden uit Kampen zag, ook van vroeger, toen ik daar als kind speelde en leerde fietsen.

Er waren ook opnames van de stad die vanaf het carillon waren gemaakt. 35  kerken waren er en ik heb ze in mijn studietijd allemaal bezocht. Op één na. Ik zag die kerk vorige week in mijn droom en laat nou net dát gebouw vanavond uitvoerig in beeld zijn, met de familie Schilder die daar vroeger kerkte. Zij stammen uit de Vrijmaking en daar ga ik apart nog eens over schrijven. Dan kom ik meteen op al die soorten van gelovigen in Kampen en hoe wij daar als kinderen ons eigen Belfastje speelden. Het waren dan wel geen oorlogen van oudtestamentische allure, met b.v 500.000 doden (2 Kronieken 13) maar wat kneuzinkjes hier en een bloedneus daar hadden wij voor onze “overtuiging “ graag over.

 

Zondag 3 april

Ik werd wakker op het moment dat Jos van Oord de dienst begon in Vathorst. De laatste jaren was dat  de plaats waar ik nog wel eens naar de kerk ging, maar dan alleen als Jos er was. Maar het lukt me niet meer. Dat heeft niets met Jos te maken maar alles met mijzelf. De kerk drijft enorm van me af. Anderen zullen misschien zeggen dat ik van de kerk afdrijf maar zo voel ik dat niet. Door wat ik hoor en lees wordt bij mij de indruk gewekt dat ze er niet meer toe doet.

Ik mis haar ook helemaal niet. Op zondagochtend lees ik de dikke NRC van zaterdag en volg met een schuin oog de boekbespreking en Buitenhof op tv.

Dat wordt nog wat als ik in augustus twee diensten moet doen. Misschien wordt dat wel het definitieve afscheid. In een rommelig programma over de 60er jaren zag ik zaterdagavond Antoine Bodar, het wandelend verleden van de RK televisie. Hij stelde dat de toekomst van de kerk aan de orthodoxie is. Niet aan de Vrijzinnigen.Heel grof verwees hij naar een uitspraak van Jezus dat aan het eind van de rit het onkruid verzameld zal worden met het koren en dan definitief gescheiden. Hij kijkt wel uit om te zeggen dat de vrijzinnigheid onkruid is maar suggereert het aan alle kanten.  Daarom heb ik zo’n hekel aan die man en ik ben niet de enige in ons land. Waar hij ook geprobeerd heeft zijn ambt van priester uit te oefenen werd het bonje. Nu zit hij veilig opgeborgen in het priesterhuis in Rome, zegt daar te studeren, en hangt in zijn zwarte rok op het Pieterslein de dorpspastoor uit die allerlei prullaria zegent. In nomine patri et filii et spiriti sancti. Een toverformule met een hoog hocus pocus gehalte. Misschien zou hij zich toch eens in onkruid moeten verdiepen. Wie maakt uit wat onkruid is ? De tijd van de Inquisitie is toch voorbij ?  Zo mocht je in de godsdienstige wereld waarin ik ben grootgebracht het begrip ervaring (Schleiermacher) en mythe (Bultmann en Tillich) amper noemen. Het ging toch om openbaring (algemeen en bizonder) en historische feiten. Het andere werd inderdaad als onkruid weggezet. En nu ? Als de bijbel geen boek vol mythen is en geloven niet vooral met ervaring te maken heeft zou ik me er helemaal niet meer druk om maken Het is het laatste wat mij soms nog een beetje verbindt met de kerk, hoe moeilijk die het me ook maakt met een bijbel in die jip en janneke taal en met een hartstochtelijke bewondering voor het spektakelstuk The Passion . Ik vind dat echt vreselijk. Bij Jos proefde ik altijd nog iets van het geheim maar ik zoek het niet meer in de kerk.

 

Maandag 4 april

Ik dacht de kijkavond af te sluiten met Jeroen Pauw en het gesprek over de rijken die van hun geld nog meer geld maken via min of meer legale wegen.

Langs de Zuidas in Amsterdam naar Panama of de Maagdeneilanden. Morgen zullen we lezen wie dat allemaal doen. Zij betalen hierdoor minder belastingen.

Het verschil moet worden opgehoest door het klootjesvolk. Of het moreel verantwoord is ?

Bij toeval zapte ik nog even naar Ned 2. Een In Memoriam Jules Schelvis. Wat een contrast. Er werd een uitzending herhaald waarin hij vertelde over Sobibor. Nee, vertellen was het niet. Hij las haast zonder emotie voor wat daar gebeurde, tot en met de gaskamers. Juist die koele opsomming van  gruwelijke feiten donderde als een baksteen naar binnen. Deze uitzending zou verplichte lesstof moeten zijn op scholen. Vorige week zag ik nog een jonge Marokkaan, begin twintig, die zijn schouders ophaalde over de jodenvervolging. Hij kon zich dat niet voorstellen, er zullen er wel wat omgebracht zijn maar dat gebeurde aan Duitse kant ook. Dom, stom, levensgevaarlijk. Want zo leert de mensheid het nooit. Misschien is dat ook wel zo. Ik mag dan sinds 1945 in een uiterst vredig land leven, de wereld heeft vaak in brand gestaan. Korea, Kongo,China, Vietnam, Cambodja, Egypte/Israël, Joego Slavië, Soedan, Irak, Syrië. Miljoenen doden en het gaat maar door. Je hoort wel eens zeggen dat we van de geschiedenis moeten leren. Het zou mooi zijn maar het gebeurt niet. Hoe meer geschiedenis je leest des te sterker krijg je de indruk dat die zich eindeloos herhaalt. Of het nu de oude bijbelverhalen zijn of de Ilias, Tacitus of de Middeleeuwse historie, de patronen zijn gelijk en de slachtoffers legio. Geen vrolijk stukje dus. Alleen maar vrolijkheid verveelt ook erg snel. Het valt mij op bij met name de  tv-programma’s van de commerciëlen hoeveel daar gelachen wordt. En tegenwoordig hebben die bekkies ook nog van die gebleekte tanden.

Het is net alsof ze je uitlachen. Misschien is dat wel zo. Zelfs het treurigste nieuwtje in een of andere roddelrubriek wordt uiteindelijk met een gore grijns afgesloten. Met nog net die enge witte tandjes in beeld.Ik hoop er niet over te dromen.

 

Dinsdag 5 april

Toen ik gisteren over Jules Schelvis schreef kwam automatisch de naam van Juul Paats in mijn gedachten. Ook in verband met de oorlog 1940 – 1945. Ik schreef over haar in een brief aan mijn achterkleindochter die ook Juul heet. Een groot deel van die brief neem ik hier over. De verhalen zijn te mooi.

Juul Paats was een vriendin van mijn ouders .Zij woonde  met haar vriendin Ans tegenover ons op de Arnhemseweg in Apeldoorn.Daar runde zij een particulier verpleeghuis. Vaak staken wij ’s middags om een uur of half vijf de straat over

en kregen bij haar een lepel “lekkers “ ,gecondenseerde melk met suiker.

Een traktatie in een tijd waarin voedsel schaars en slecht was.

Deze Juul was onverschrokken, ook tegenover de Duitsers.

Toen de Joden voor hun leven moesten vluchten en onderduiken nam zij er meer dan twintig in huis. Naast haar woonde echter een verrader. Die hoefde maar iets aan de Duitsers door te geven of zij en al haar patiënten , ook alle Joden, waren afgevoerd. Niemand zou het overleefd hebben. Wat deed Juul ? Zij belde bij die buurman aan en zei : ik weet niet wat jij weet, maar als ik merk dat je ook maar iets over mij vertelt aan wie dan ook, dan ga je eraan ! De man heeft het voor de rest van de oorlog alleen maar in zijn broek gedaan van angst. Toen hij ná de oorlog voor de rechter moest verschijnen wegens zijn lidmaatschap van die foute club , heeft Juul een goed woord voor hem gedaan ! Zo was ze ook.

Op een gegeven moment kreeg ze telefonisch door dat een Joods jongetje uit Amsterdam op de trein  was gezet naar Apeldoorn. Hij was tien jaar. Juul zou een veilig adres voor hem zoeken. Ze kon hem herkennen aan een matrozen-pakje. Toen ze het jongetje opviste op het perron in Apeldoorn werd ze staande gehouden door de Gestapo, de Duitse geheime politie. “ Difterie, difterie “ riep ze uit en omdat ze haar verpleegstersuniform droeg werd ze prompt geloofd.Als de Duitsers ergens bang voor waren was het wel difterie. Ze deinsden terug en lieten haar gaan, mét het jongetje. Hij heeft de oorlog overleefd en nog tientallen jaren in Israël gewoond.

 

Midden in de oorlog stierf één van haar Joodse onderduikers. Wat moest er met zijn lichaam gebeuren ? Hij stond niet ingeschreven in het Bevolkingsregister van Apeldoorn. Voor een begrafenis heb je wél een uittrekstel uit dat register nodig. Ze kwam met dit probleem bij mijn vader. Even werd geopperd om het lichaam te laten verdwijnen, stiekem begraven of verbranden in de ketel van de kerk. Mijn vader was dominee en wij woonden naast het kerkgebouw.Het stuitte hen echter tegen de borst om dit lichaam aan te doen wat  miljoenen Joden door de Duitsers werd aangedaan. Ze besloten tot een fatsoenlijke begrafenis.

Een betrouwbare ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd gevraagd een namaak – bevolkingskaart te maken op naam van ene (zeg maar) Pieter Jansen,

met daarbij allerlei verzonnen gegevens en het adres van het verpleeghuis van Juul. Toen die kaart eenmaal netjes in de bakken stond kwam Juul aangifte doen van het overlijden van de heer Pieter Jansen. Zonder problemen kreeg ze van de dienstdoende (foute) ambtenaar een bewijs van toestemming voor een begrafenis. De volgende dag reed een kleine stoet richting de begraafplaats in Ukkel, buiten Apeldoorn. Voorop de lijkwagen en daarachter één volgauto.

Daarin zaten Juul, mijn vader en enkele opgetrommelde kerkgangers.

Plotseling verscheen in de verte een Duitse kolonne, voorafgegaan door een jeep. Deze stopte en een Duitse officier sprong eruit en hield de lijkstoet tegen.

Iedereen verstijfde. De officier  commandeerde de kolonne halt te houden en alle  manschappen moesten uitstappen. Aussteigen, zal hij gezegd hebben. Ze werden vervolgens aan beide zijden van de weg opgesteld, in de houding, hand aan de helm. Een eresaluut aan een dode jood ! De lijkstoet mocht tussen de rijen Duitse soldaten door zijn weg vervolgen. Ik had dat gezicht van Juul wel eens willen zien !

 

Het mooiste verhaal heb ik tot het laatst bewaard. Ik zet het op papier omdat het niet verloren mag gaan. Juul Paats was dertig jaar na de oorlog in Israël. Gewoon als toeriste.Ze bezocht de geboortekerk in Bethlehem. Een vreselijk spektakel vond ze dat. Ze liep ergens door een gang toen ze ineens iemand hoorde roepen : is Juul Paats hier ? Eerst dacht ze nog dat het om iemand anders ging, die toevallig ook zo heette. Maar toen ze doorliep en de vraag opnieuw klonk riep ze toch maar ja. Er kwam een haar onbekende Joodse man op haar af.. “Ik heb u ook nooit eerder gezien “, zei hij, “maar ik herken u aan uw voetstappen. Drie jaar lang heb ik ondergedoken gezeten in Kampen. Net buiten de Broederpoort, in de kelder van een tandarts die daar een prachtig vrijstaand huis had, omgeven door een gracht. Over die gracht lag een houten brug, de enige toegang tot het huis. Eens in de maand kwam u voedselbonnen brengen, zodat de tandarts voor ons aan eten kon komen. U moest dan die houten brug over.Wij zaten in de kelder maar het geluid van uw voetstappen herkenden wij uit duizenden. En net, in deze gang , hoorde ik ze weer !  “

Toen Juul mij dit verhaal vertelde glinsterden er prachtige tranen in haar ooghoeken en om haar mond krulde een verrukkelijke lach. Ze was toen al ver in de negentig, woonde in alleenstaand groot huis en was nog steeds voor de duvel niet bang.

Bij het afscheid van Juul stond er in de aula van de begraafplaats een man op die de zoon bleek te zijn van de joodse overledene, die naar ditzelfde kerkhof was gebracht onder Duitse begeleiding. Hij was speciaal uit Israël overgekomen om (ook) dit verhaal te vertellen

 

Woensdag 6 april

De dag van het referendum. Ik heb niet gestemd. Ik geloof  er niet in. Als er parlementsverkiezingen zijn haal ik taart in huis. Dan vier ik de vrijheid en de democratie. Daarna moeten die volksvertegenwoordigers goed hun best doen.

Braaf in de fractie blijven en anders opkrassen. Niet in de 2e Kamer voor zichzelf beginnen. Van mijn kant heb ik er geen enkele behoefte aan om het parlement voor de voeten te lopen met een referendum. Geen raadgevend en al helemaal geen corrigerend. Ik vind dat schijndemocratisch gedoe. Dit keer werd niet meedoen trouwens heel gemakkelijk gemaakt door de initiatief-nemers. De bedenkers zeiden dat het allemaal niks met de Oekraïne te maken heeft maar gewoon tegen de EU gericht is. Daarnaast kwam de drijvende kracht achter het geheel, Jan Roos, regelmatig in beeld en wat heb ik een hekel aan die man. Het is het kaliber PowNed, te puberaal om serieus te nemen. Ik weet :  politiek is ook een spel maar te ernstig om er een spelletje van te maken.Morgen lees ik wel in de krant dat ik behoor tot de mensen die strategisch dachten te handelen door weg te blijven om daarmee het opkomstpercentagen onder de 30% te houden. Nee dus. Ik ben tegen het referendum. Over enige tijd zal blijken dat deze hele poppenkast ook niets heeft uitgehaald .

 

Donderdag 7 april

Nog even over dat referendum. Ruim 32% van de stemmers kwam opdraven en 2/3 stemde tegen. Het AD schreef vanmorgen terecht dat het Associatieverdrag destijds door de 2e Kamer is goedgekeurd met een meerderheid die 7,3 miljoen kiezers vertegenwoordigt.Dus waar praten we over ? Ik zag net de heer Baudet , een andere drijvende kracht achter dit gedoe. Het is de wandelende arrogantie. Ik begrijp nog steeds niet waarom deze man in het Filosofisch Elftal van Trouw zit. Hem werd terecht verweten dat er veel misverstanden over het referendum zijn door de uitspraken van de initiatiefnemers. Hij werd vervolgens  aardig in het nauw werd gebracht door de jurist Spong die zei dat ze strafbaar waren omdat ze op oneigenlijke gronden een referendum hadden aangevraagd. Daar wilde de heer Baudet het nu niet over hebben ! Dus houd ik er ook maar over op. Er zijn betere onderwerpen om over te schrijven. Ik ben met mijn doorgaande lezing van de bijbel beland in Jesaja. Ik moet eerlijk bekennen dat ik een bocht heb afgesneden. Job,Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied heb ik overgeslagen.  Ik had er de laatste jaren in Soesterberg veel uit gepreekt en had er even geen zin in. Bovendien borduurt Jesaja voort op wat er in Koningen enz aan de orde is. Maar zó anders. Het is een verademing. Na al die oorlogen en doden, na al die offers en wetten, na al die boosheid van de Heer en het geklungel van zijn koningen, hoor je nu eindelijk heel andere geluiden. Jesaja steekt het mes wat dieper en verklaart die boosheid van de Heer. Zoals : Wat moet ik met al die offers?

Ik heb genoeg van al die schapen en die vette koeien. Waarom komen jullie steeds naar mijn tempel ? Jullie feesten vind ik vreselijk. Waarom jullie handen omhoog houden om te bidden : er zit bloed aan ! Doe goed. Geef slechte leiders geen kans want ze doen alles voor geld.Ze stelen van het volk en halen alles weg. Jullie worden steeds rijker en jullie land staat vol afgoden. Maar pas op : straks zal niemand het land meer besturen. Kinderen nemen het over. Iedereen doet wat hij zelf wil. De mensen zullen niets meer voor een ander doen. Kinderen hebben geen respect meer voor hun ouders. Zie de trotse vrouwen. Kijk hoe ze deftig in de stad rondlopen met kleine pasjes,  behangen met sieraden, dure jassen, tassen, jurken en sjaaltjes, in een geur van parfum.

En ik ben pas in hoofdstuk 7. Het risico bestaat dat ik hierbij vooral naar anderen kijk, naar de Fifa en de Zuidas, naar de Panamapapers en Den Haag.

Als je over dergelijke teksten gaat preken moet je vreselijk opassen dat de meeste kerkgangers niet gaan denken : zo, dat kan díe of díe in zijn zak steken.

Toen ik een tollenaar eens vergeleek met een NSB-er voelde een 75-jarige vrouw in de kerk ineens alle ogen op haar gericht : zij en haar man waren lid van de NSB, veertig jaar geleden. Terwijl ik er hooguit ons eigen gesjoemel mee bedoelde werd de preek naar haar toe geschoven. Nu zou ik zo’n preek nooit meer durven houden. Is ook niet nodig als je de verhalen (ook die van de profeten) zelf goed laat klinken. Mensen zijn niet gek. Die schuifelen uit zichzelf wel wat ongemakkelijk in de banken als deze woorden klinken. Net als ik.

 

Vrijdag 8 april

Voor deze week zit het Nachtboek er weer op.Ik had best eens spetterend willen afsluiten met de beschrijving van een sprankelende voorjaarsdag maar dat werd het niet. We reden naar de polder om weidevogels te zien.

Veel weide, dat wel. En erg groen. Geen goed teken als er geen bloemetje in bloeit. Paardebloemen of speenkruid, sporadisch. Er ligt vooral veel kunstmest op of gore gier.Geen bloem kan erop bloeien. Geen vogel die zich daaraan waagt. Tussen die troep kun je je kinderen toch niet laten opgroeien. Waar twee weken terug nog hordes grutto’s geland waren zat nu een enkele spreeuw of kievit. De enigen die stug volhouden op deze verloederde velden zijn de zwanen. Op strategische plekjes, meestal op de hoek van een weiland, hebben ze hun nesten gebouwd. De jongen van vorig jaar maken nu deel uit van jongerengroepen. Je ziet ze in aantallen van rond de twintig overal verzameld. Pas over 4 of 5 jaar gaan ze meedoen met de uitbreiding van hun soort. Mits ze uit handen van de drifters zijn gebleven. Zoals de enkele kievit moet hopen dat de mannen die door de weilanden schuifelen haar eieren niet vinden. Door de polder reden we naar Vathorst. Je ziet daar de mensenmassa met hun huizen over het prachtig stuk natuur heenrollen. Oude boerderijen staan dichtgetimmerd te wachten op de slopershamer. Doorrijdend ben je ineens tussen de woningen. Rijen aaneen. In de streekkrant stond vandaag dat 1 op de 2 huwelijken in Vathorst stukloopt. Dan kijk je alweer heel anders naar die gevels. Wat speelt zich daar op , laten we zeggen, alle oneven nummers allemaal af ? Vreselijk veel verdriet. En geen natuur in de buurt die wat troost kan bieden. Te schraal in elk geval. Ik heb die troost ook niet.Jesaja probeert het nog wel. In de harde werkelijkheid die hij beschrijft laat hij af en toe een visioen zien. Van beren en koeien samen in een wei en van een leeuw en een lam die samen liggen. Maar voor velen in Vathorst (en elders) is dat visioen voorbij. Ze begonnen ooit met die droom en zijn gestrand. Toch gun ik hun dat visioen opnieuw. Een nieuw begin, dat moet kunnen. Al laat het mogelijk wel even op zich wachten, net als het echte voorjaar.

Nachtboek 4

Zaterdag 26 maart

Ik had in Leersum gepreekt. Ging over de hei naar huis in Kampen waar mijn ouders nog woonden. Ontmoette onderweg een jong echtpaar met een jongetje dat Chris heette. De vrouw deed steeds aardiger tegen mij waardoor haar man steeds stuurser werd. Vlakbij Kampen nam ik afscheid. Ik vroeg nog hoe hun naam was . Dat was Tiemen. De volgende morgen moest ik vanuit de vrijgemaakte Nieuwe Kerk op de Broederweg in Kampen mijn oudste broer begraven. Bijzonder aan deze droom is dat ik alle kerken in Kampen van binnen gezien heb behalve deze. En ik heb de afscheidsdienst geleid van 4 broers en één zus, maar niet die van mijn oudste broer. Ik hoop trouwens dat het tussen meneer en mevrouw Tiemen weer goed gekomen is. Er was niks gebeurd ! Toen zat ik ineens naast Obama in een Cadillac. Hij reed, heel ontspannen. Achterin zaten zijn vrouw en mijn oud-collega’s van Beukbergen Jan ter Horst en Jaap Sintemaartensdijk. We reden langs het Detentiecentrum in Soesterberg (vroeger Amerikaans grondgebied) en Obama vertelde dat hij het hele gebied aan Nederland zou verkopen. Tussen ons in lag zijn bijbel, in zacht leer. Vast en zeker van een lam. Hij liet hem mij zien en legde hem terug. Toen ik hem oppakte zag ik dat hij schrok. Kennelijk zag hij hem liever niet in andere handen. Toen ik wakker werd ben ik daar even over gaan denken. Waarschijnlijk had hij er ook allerlei aantekeningen en onderstrepingen in staan. Ik doe dat zelf nooit maar zag het vaak. Soms vroeg ik , bij de voorbereiding van een uitvaart, naar de zakbijbel van de overledene. Heel ontroerend vond ik dan als ik daarin citaten vond of dikomlijnde teksten die weerspiegelden wat in deze vrouw of man geleefd had. Obama wilde dat kennelijk nog voor zichzelf houden. Bij een rondrit door de polder vanmiddag beleefde ik opnieuw dat de natuur een open boek is. Honderden grutto’s en kieviten, bergeenden en zwanen, smienten en tureluurs, één groot orkest. Het had iets goddelijks en volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis is dat ook zo. Ik vond dat één van de weinige acceptabele beweringen in dat oude geschrift. Toen ik daar destijds tentamen in moest doen bij prof.Polman heb ik allerlei dingen gezegd die ik nu nooit meer zou opperen. Maar ja, ik moest slagen, dus praatte je de professor naar de mond. Want kritische theologie was rond 1960 in Kampen onbestaanbaar. Het 2e deel van dat tentamen ging trouwens mis. Dat ging over de vraag welk boek welke hervormer in welk jaar geschreven had. Dat had ik echt niet in mijn hoofd gezet, zonde van de ruimte. Toen de professor aankondigde dat hij mij daarover uitvoerig zou ondervragen op mijn kandidaatsexamen vatte ik moed en zei : professor , als ik aan mijn kandidaats toe ben , bent u al met emeritaat. We hebben elkaar nooit meer gezien. Paasnacht 2016 De samenzang op de EO trakteerde me op het idee dat mijn zonde Jezus naar de dood heeft geleid. En het werd nog erger : de hand , die hemel en aarde schiep, vergaf de hand die hem de slagen toebracht. Welke gekke theologische kronkels hebben mensen toch bedacht. De Eeuwige ( aan wie de schepping wordt toegedicht) wordt verward met Jezus, alleen dat al. En dan die zonde. Mensen zingen het zonder enige schrik. Ik heb de tv uitgezet en uit gelaten tot het Erbarme Dich op NPO Cultura, tegen middernacht. Daklozen die samen met het koor van Leusink de diep menselijke kant van het lijden bezongen en , zoals zij zelf zeiden, er al zingend door geheeld werden. Haast per vergissing schakelde ik tot slot over naar de Paaswake uit een RK kerk. Die kerk gaat terug naar af.Als je deze dienst vergelijkt met die in de jaren ’80 van de 20e eeuw (uit ‘t Zandt b.v.) dan is er sprake van een enorme regressie. Geen enkele originele gedachte, allemaal gesproken woorden uit een tekstboekje, geen verwondering. En dat is toch het minste wat je op Pasen mag verwachten. Of vrees, ook goed. Dus toen alle lichten maar gedoofd. En laat ik nou in het schemerlicht van een straatlantaarn een schaduw op de muur zien. Kippenvel op m’n rug.Licht aan en ja hoor : een grote spin, zo’n snelle. Vrees alom en een natte dweil. De spin is niet meer. Zal zéker opstaan, in een volgend exemplaar. Zondag 27 maart De Paasnacht was heel kort. Na twee uur slaap dreef een nachtmerrie me in de hoek. Exacte beelden heb ik niet meer op één na : het ging over twee dode lichamen van wie het hoofd verwisseld werd. En er lag een broodje bij om een hoofd te ondersteunen. Wat moet je met zo’n verhaal. Beneden thee gezet, NRC gelezen en om half zeven Family 7 aangezet. Een conservatief christelijke zender. Daar werd een soort theologie bedreven door Christenen voor Israël, een club waar ik aboluut niks mee heb. Iemand vertelde dat je vroeger dia’s maakte als je op vakantie ging. Wegrijden uit de straat met een imperial op de auto, nagezwaaid door de buren.Op de camping de eerste haringen die in de grond werden geslagen, vader met een stokbrood onder de arm, moeder voor een oude kerk enz. enz. Bij terugkomst werden al die plaatjes ingeraamd en op volgorde vertoond. Daarbij werden dan vrienden en buren uitgenodigd, die geen avond van hun leven hadden. Later, toen vader en moeder gestorven waren, en de boel moest worden opgeruimd, werden al die dozen met foto’s en dia’s bij elkaar gegooid, alles raakte dooreen. Als je dan zo’n dia eruit pakte had je maar een willekeurig fragment van een vakantie ooit. En nu komt het : zó is het ook met de profetieën ! Je krijgt een doorkijkje naar een gebeurtenis in de toekomst maar weet niet wanneer. Het beeld rammelt natuurlijk want die dia’s vertoonden beelden van wat al gebeurd was. Maar veel griezeliger vind ik dat deze manier van bijbellezen profeten ziet als voorspellers en waarzeggers. Ik kom momenteel niet verder dan : profeten zeggen te spreken namens wie zij als hun god zien. Ik ben bij mijn doorgaande lezing nu in 2 Koningen. Deze vorsten raadplegen regelmatig profeten om aan de weet te komen of ze een bepaalde strijd aan moeten gaan. En als de Heer dan toestemt, er soms nog stevige adviezen bij geeft (zo van : verwoest die stad, dood alle mannen, vrouwen en kinderen !!), dan gaat zo’n koning los. En dek je dan maar. Ik heb balen zout nodig bij dit soort beschrijvingen. Maar geen zee levert zout genoeg bij de “voorspellingen “ die de christenen voor Israël op mij loslieten. Dan hoor ik liever Nico ter Linden. Na jaren zag ik hem weer eens op tv. Iets welgedaner.  Verder weinig veranderd alleen ging het me nu wat irriteren als hij op moeilijke vragen zich verschuilt achter onze “lieve Heer “. Die zal dat wel weten of zien. Het klinkt ontspannen, Rooms Katholieken konden dat ook zo makkelijk zeggen, maar het is m.i. onzin. Je maakt dan toch een vals beeld van het mysterieuze. Lieve Heer veronderstelt dat er iemand achter zit. God verhoede !

 

Maandag 28 maart

Marijke kwam gezellig naar ons toe. We begonnen de dag met Nico ter Linden en Huub Oosterhuis. Twee reuzen. Wat heb ik veel te danken aan deze mannen. Zeer inspirerend. Bij Oosterhuis krijg ik altijd het gevoel dat hij net iets méér ziet. Hij blijft maar aan die oude teksten kloppen en krijgt telkens onvermoede deuren open. Nu was het Paulus bij Damascus die de Heer ontmoette en daarmee aan de basis stond van alle Paasverhalen van de evangelisten. Geen feiten maar verbeelde ervaringen. En zet de jouwe er maar naast. Na deze opening van 2e Paasdag reden we even de polder in, voor die grutto’s en de lammeren . Alles was er. Zelfs een dodaar, zie je niet zo vaak. Vanavond naar Kampen geweest, onder het gehoor gezeten in de Bovenkerk maar dan wel van het orgel. Als je je ogen half dichtknijpt en naar dat orgel tuurt krijg je het gevoel alsof het zijn orgelarmen om je heen slaat. Soms luidruchtig met bassen en bazuinen dan weer teder met fluitjes en harpjes. Omdat het 2e Paasdag was mochten ook de gereformeerde bondskinderen naar het concert. Het was uiteindelijk in de kerk. Ik zag drie vriendinnen in bondskleding. Eén van hen boeide me en toen ging mijn fantasie op hol. Stel je voor dat ik haar 57 jaar geleden tijdens mijn eerste studenten-jaren in Kampen had gezien en zelf geen verkering had gehad. Ik was voor dit meisje gegaan. Maar hoe zou dat zijn gelopen ? Stel je voor dat het wederzijds klikte dan heb je de ouders nog als volgende barrière. Bonders tegen synodalen. Moest ik bonds worden en reikte mijn verlangen zó ver of zou ik haar over de synodale brug kunnen trekken ? In het laatste geval zou ze het contact met haar ouders verliezen. In het eerste geval zou ik moeten verkassen naar Utrecht en het Voetius dispuut, in het zwart gaan en heel rare dingen gaan verkondigen. Zo tobde ik maar voort tijdens die prachtige orgelklanken, met Agnes en Marijke naast me en in de verte een meisje dat niks vermoedde. Toch een rijke dag.

 

Dinsdag 29 maart

Als ik koning was en moest sterven zou ik dat toch niet willen doen door van mijn troon te vallen of op een bordes in elkaar te zakken terwijl ik mijn onderdanen sta toe te wuiven. Nee, op een vorstelijk bed, omringd door snikkende prinsessen en een wanhopige koningin, lakeien in gebedshouding en keukenpersoneel in zwarte schorten. Zo niet in bijbelverhalen. Ik worstel mij door 2 Koningen. Bijna geen koning die normaal aan zijn einde komt. Moord en doodslag alom en dan vooral omdat zij geen koning waren zoals de Heer dat wilde. In een enkel geval breidden die moordpartijen zich uit als een olievlek. Zo had je in Samaria een club van 70 zonen van Achab. Die hadden het goed. Af en toe kwamen de prinsen uit Juda zelfs met hen feesten.Het deed mij denken aan de Saoedische prinsen in onze tijd. Dat schijnen er honderden te zijn. Ze weten van gekkigheid niet wat ze met hun geld moeten doen. Houden b.v. autoraces met de duurste sportwagens, laten zich graag vervoeren met Rolls Royces en eens in de zoveel tijd, als de nood aan de man is zal ik maar zeggen, laten ze een vliegtuig met hoeren uit Athene komen en na gebruik weer gaan. Zo houd je je eigen land schoon van prostituées. Terug naar 2 Koningen : de nieuwe koning Jehu weet wel raad met deze feestneuzen en laat de hele groep van 70 onthoofden. De hoofden worden in manden gelegd en een dag lang bij de stadspoort ten toon gesteld.Ze hadden toen nog geen videobeelden die je kon laten zien ! Vanavond een paar uur naar het Kamerdebat gekeken over het drama in Brussel. Wie had wat kunnen voorkomen. Weer zo’n mosterd na de maaltijd debat. Wilders had weer zijn grijs gedraaide lp opgezet : de import van de Islam verbieden. Hoe kan zo’n man zich nog partij voor de vrijheid noemen ?Afgezien van het feit dat het geen partij is heeft hij geen enkel benul meer van vrijheid.Dat krijg je als je al zo lang in een bewaakte kooi leeft. Toch zullen zijn domme simplificaties er bij velen ingaan als koek. Het bekt lekker en je hoeft er niet verder over door te denken. Doe je dat wél dan spat de luchtbel. Maar zeg nou zelf : het klinkt allemaal smakelijker dan de vaktaal van ministers en de meeste parlementsleden.De enige uitschieter vond ik Jesse Klaver. Hij deed een beroep op Wilders om zijn vijanden niet onder de collega’s en de kabinetsleden te zoeken maar juist samen met hen naar een oplossing voor een gigantisch probleem te te zoeken. Jammer dat Wilders niet verder kwam dan dit domme praat te noemen. Dat zou toch enige twijfel moeten brengen onder in elk geval een páár aanhangers.

 

Woensdag 30 maart

Van mijn 15e tot mijn 19e heb ik inwoning gehad. Van een lintworm. Ik kom erop door een stukje in Trouw. Daarin stond dat de lintworm in de Westerse wereld niet meer voorkomt, wel in China. Nou bij mij was hij destijds zeer aanwezig. Een geweldige mee-eter. Een uur na de warme maaltijd at ik met graagte zes boterhammen. De lintworm leek op tagliatelle maar dan geschakeld. Telkens verloor ik ruim een centimeter. Waarom ik dit beestje jarenlang op kamers had is een verhaal apart. Ik ben grootgebracht met Stomme Zonden van Johanna Breevoort (op Google uitvoerig te vinden, vooral op de RefoWeb). In dit boekje uit de eerste helft van de vorige eeuw worden jongens die in de pubertijd belanden ernstig gewaarschuwd voor de gevaren van onanie. Ze bedoelde masturbatie want onanie is , wat men noemt , “voor het zingen de kerk uit “. Als 14 jarige heb je nog niet zo’n kerk. Wie de film Das weisse Band heeft gezien herinnert zich vast wel de scene waarin de vader (een Pruisische dominee) zijn 14-jarige zoon “voorlicht “. Net als Johanna Breevoort voorspelde hij hem de meest vreselijke dingen. Zoals : krankzinnigheid, zweten, niet kunnen bidden, de dood. Ik kreeg soortgelijke voorlichting en mij werd ruggenmergverweking in het vooruitzicht gesteld. Toen ik veertig jaar later met hernia op bed lag heb ik nog wel eens teruggedacht aan die baarlijke nonsens. Destijds dacht ik wél dat het dagelijkse verlies van die stukjes er mee te maken had. En dus zweeg ik, zoals er bij mij thuis over alles wat met seksualiteit te maken had, gezwegen werd. In het laatste gesprek dat ik ooit met broer Evert kon voeren, voordat hij ziek werd, bleek hij nog steeds heel boos over deze zwwijgcultuur die ons opzadelde met heel verwrongen beelden. Op mijn 19e was het besef doorgedrongen dat de pruisisch-Gereformeerde moraal nergens op sloeg. De overlast van mijn inwoner werd zo groot dat ik besloot mijn moeder om raad te vragen. Die zei heel nuchter : o, dat is een lintworm,. Die krijg je van al die rauwe gehaktballetjes die je altijd pikt. Meteen werd de dokter gebeld. Mijn ouders woonden destijds in Katwijk. Dokter Slagmolen schreef een giftig drankje voor. Eerst een dag niet eten, dan de volgende ochtend een haringsalade (is dat typisch voor Katwijk ?) en dan dat drankje. Diezelfde middag baarde ik een worm van ruim 9 meter, schoongespoeld en uitgestald in de badkuip. Naar later bleek : geen kop. Na drie maanden meldde hij zich weer. Toen moest ik hogerop, naar een ziekenhuis in Leiden. Het gif werd toen via een slangetje rechtstreeks in de gal gespoten en opnieuw kwam er 9 meter. Geen kop gevonden maar dood was hij wel. Ze vonden het zo’n pracht exemplaar dat ze vroegen of ik hem wilde achterlaten. Ze zouden hem op sterk water zetten en bewaren voor studiedoeleinden. Laat ik nou zo’n halve eeuw later op de tv een uitzending zien waarin een Leids ziekenhuis ver-schillende soorten lintworm toonde. U gelooft het of niet : ik herkende de mijne. Verbaast me niks want we waren toch lang samen en deelden het brood. En eerlijk gezegd : hij stond aan de wieg van mijn seksueel ontwaken. Pruisen voorbij. Donderdag 31 maart Al vele jaren is donderdag de dag die ik samen met Marijke doorbreng. Vandaag was dat anders. Voor het eerst in de 40 jaar dat ik haar ken zag ik haar in een ziekenhuisbed liggen.Geopereerd aan een beginnende borstkanker. Hopelijk was zij er op tijd bij en blijven grote nabehandelingen haar bespaard. Op deze zelfde dag kreeg buurvrouw Reina 2 kleinzoons erbij. Hun eerste nacht brengt de tweeling door in het ziekenhuis hier vlakbij. De geest laat mij dit keer in de steek. Geen inspiratie. Gewoon moe en lekker naar bed. Vrijdag 1 april In bed las ik 1 Kronieken. Geen boeiend boek. Herhaling van zetten ook rond David en Saul. Daarna het geheime dagboek van Hendrik Groen. 87 is hij en dagelijks presteert hij het een kostelijk miniatuur af te leveren van de gang van zaken in het verzorgingshuis. (Bert Keizer looft hem in Trouw van deze morgen).Ik ben me daarna in de stilte van de nacht gaan herinneren hoe het met mijn inspiratie liep in de loop van de jaren. Toen ik in Elst begon, zonder enige ervaring, moest ik de eerste periode tweemaal per zondag een preek afleveren, een heidens karwei. Waar moest het in godsnaam over gaan, was mijn eerste vraag op maandagochtend. Het heeft één keer tot vrijdagnacht geduurd voordat ik een beginpunt had. Ik zat op een feestje en we hebben met dobbelstenen een psalm uitgekozen. het werd 139 en ook het vers werd door het lot bepaald, vers 14a : ik loof U omdat ik gans wonderbaar ben toebereid. Toen kwam de zaterdag, eerst de kater maar gaandeweg de herdershond, het pastorale equivalent bij uitstek. En het lukte. Gelukkig was dit een uitzondering. Doorgaans had ik begin van de week een tekst(verhaal), bestudeerde die keurig in het Hebreeuws of Grieks, las er wat omheen en liet hem dan liggen, als deeg in de koelkast. Zaterdags ging ik met de boxer de natuur in en zette, zoals Toon Hermans dat zo mooi noemde, het klepje op m’n hoofd open. In een mensenloos bos beeldde ik me toehoorders in en bracht me hun verhalen te binnen. Thuis gekomen deed ik dan het liefst eerst nog de cryptogram uit de NRC en als die succes had sloot ik me op in mijn kamer, haalde het deeg uit de koelkast en bakte mijn brood. Bij het ouder worden had ik die lef niet meer om het op het laatste moment aan te laten komen en gebeurde alles op de vrijdag. Hoe ik in de eerste jaren er twee per week kon maken is mij nu een raadsel.Want daarnaast waren er vergaderingen, catechese en bezoeken. Vooral dat pastoraat was mij dierbaar. En dan nog kreeg je van die leuke opmerkingen dat je als predikant toch maar een makkelijk beroep had, één dag per week werken. Dat deed mij veel meer zeer dan ik liet merken. De grote opgave was om het plezier in het werk ,de verwondering, soms het geloof ( al liep ik daar het minste mee te koop) uit een voortdurend dreigende negatieve spiraal te redden. Anonieme brievenacties ( ik maakte het mee in Elst en Soesterberg) konden alle inspiratie doden. Het is me een enkele keer overkomen dat het klepje niet openging en ik ben teruggevallen op een oude preek. En niemand die het gemerkt had ! Eén keer is het een heel boze preek geworden. Paste wel bij de lezingen van Samuël en Koningen. maar het hoort niet. Al moet ik erbij zeggen dat er toen wel werd geluisterd. Ik vond het een dieptepunt omdat juist de mensen voor wie het niet bedoeld was het zich aantrokken. Dus dat zal ik nooit meer doen. Voor de enkele keer dat ik nog een preek zal maken hoop ik op de echte inspiratie, met geest en zo.

Nachtboek 3

Zaterdag 19 maart

Een volle brievenbus : drie zaterdagkranten.Wat een luxe. Trouw bood veel goeie verhalen. Ik kwam er zelfs mijn oud-leraar Nederlands Herman Hissink van het gymnasium in tegen. Hij is vijf jaar geleden overleden, 96 jaar oud. Was dus 35 toen ik voor het eerst les van hem kreeg. Zou een stempel op zijn leerlingen hebben gedrukt. Dat geldt volgens mij alleen voor hen die in de lange zomervakanties kampeertochten met hem maakten door Griekenland of die meespeelden in toneelstukken op school. Dat was voor mij allemaal niet weggelegd. In de vakanties werkte ik bij bakkers en bollenboeren om wat geld te verdienen. En activiteiten naast schoollessen…..ik was blij als de laatste bel klonk en ik het pand kon verlaten. Nu is er een boek uit met dagboeken en brieven van hem. Hij was een religieus denker. Jammer dat mij dat destijds is ontgaan. Of beter gezegd : ik was daar helemaal niet aan toe. Nu lees ik van hem het volgende : de “gemiddelde mens “ kan nog wel zonder religie leven, maar wie diep voelt, valt in een zwart gat. De eeuwigheid is ons nu eenmaal in het hart gelegd. Haar negeren kweekt gefrustreerde zielen. De ramp is dat men vroeg besluit agnost te worden – alsof je daarmee verder komt. Agnost mag je pas worden één dag voor je dood. Tot zolang is het vechten aan de Jabbok. En dan op de grens van tijd en eeuwigheid zeggen : “Ik laat u niet gaan tenzij gij mij zegent “. Elke eerdere capitulatie is gebrek aan moed en volharding “. Ik ben er alsnog trots op zo’n leraar gehad te hebben ( en ga zijn boek zeker lezen) al voel ik me tegelijkertijd betrapt omdat ik me nú al graag agnost noem.Maar als ik dan lees over dat fascinerende verhaal van de worsteling van Jakob aan de Jabbok dan is het niet de agnost maar de gelovige twijfelaar die ik bij mezelf herken. In dezelfde krant stond een prachtig interview met de Tsechische priester Tomas Halik. Twijfel is voor hem geen twijfel aan God, maar aan de capaciteit van de mens om het mysterie van God te bevatten. Geloof en twijfel zijn tweelingzusters. Protestanten zijn helemaal niet opgevoed met mysteries. Hun god was hervormd of gereformeerd en was een zich met alles bemoeiende topmanager die eindafrekeningen hield. Daar moest je ontzag voor hebben maar in wezen was je er bang voor. Dan is het niet verbazingwekkend als je al lezend en denkend op de lange duur van die god afscheid neemt. Zou het mysterie me kunnen raken ? Dat is iets anders dan gevoel, dat heb ik wel. Soms op het sentimentele af. Maar je bewust zijn van een mysterie graaft dieper. Er is nog veel te doen, dat heb ik wel begrepen. Met dank dit keer aan Hissink en Halik.

 

Zondag 20 maart

En ja hoor, vannacht rolde het 3e hoofd in het boek Samuël. Een generaal van David wil een stad innemen om ene Seba te pakken te krijgen. Die was in opstand tegen David gekomen. Om de stad te sparen pakken de inwoners die Seba zelf op, hakken z’n hoofd eraf en gooien dat over de stadsmuur. Na David wordt zijn zoon Salomo koning. Die heeft zo’n goeie naam maar hij begon in een zee van bloed. Iedereen die zich ooit tegen zijn vader had verzet gaat er aan. En allemaal in naam van de Heer. In al deze verhalen lijken de daders zich te rechtvaardigen door een één-tweetje met de god die ze aanbidden (als het ze uitkomt). En volgens de vertellers gaat dat ten koste van duizenden mensen en dieren (want er wordt heel wat af geofferd). Wel verstandig om dit te weten als we ons tegenwoordig beroepen op joods – christelijke waarden. Jan Kuitenbrouwer schreef gisteren in de NRC dat die waarden een sprookje zijn, een farce . Zie de kruistochten, de inquisitie, de slavenhandel, Auschwitz, Sebrenica .Waarden zijn vrijblijvend. En normen dan ? Kijk, dat is een ander verhaal want voor een norm is iemand verantwoordelijk. Die moet je naleven en zonodig handhaven. Wij worden geschokt als iets niet mag en toch gebeurt.Aan het handhaven van normen kun je aflezen wat waarden waard zijn. Zoiets moet het wezen. Wij hadden enkele jaren terug een premier Balkenende. Hij was gek op snelle auto’s en christelijk. Sprak graag over normen en waarden. (Zo vaak zelfs dat ik het wormen en paarden ben gaan noemen, voor de variatie.) Zo was het een waarde dat mensen in publieke functies niet meer zouden verdienen dan de premier. Dat werd de Balkenende-norm genoemd. Nog steeds zijn er ambtenaren, o.a. bij de politie, die veel meer verdienen. Daarmee is die waarde een farce geworden. En Balkenende ? Die is in de financiële sector gaan werken en schijnt driemaal zijn eigen norm te verdienen. Wie lacht nou eigenlijk wie uit ? Mijn woonplaats gaat de Passion omhelzen. Afschuwelijk. Bekende Nederlanders hullen zich in bijbelse figuren en worden daarmee nóg bekender. Eigentijds heet dit. En de EO stort zich erop alsof het uit de hemel is neergedaald. Waarom iets nagespeeld wat zich dagelijks als werkelijkheid aandient en wat een antwoord vraagt ? Net zo heb ik grote vragen bij de consumptie van de Mattheuspassion. Is dat de snelle hap voor het goede gevoel ? Ik zie nu al de beelden voor me van ministers c.s. die zich in Naarden melden voor deze jaarlijkse happening.Vergezeld door opgetutte partners bij wie de echte passie allang lijkt gedoofd maar die dit staaltje van lijden niet willen missen. De hoge omes en tantes zijn nog wat vermoeid van de onderhandelingen over de vluchtelingen die nu verhandeld gaan worden. Verdrinking geeft minder bloed maar voor het overige is er niet zoveel veranderd sinds Salomo. Het enige wat overeind blijft is : Erbarme Dich.

 

Maandag 21 maart

Op de Lagere School was Hoofdrekenen mijn favoriete vak. Vrijdagsmiddags was het altijd raak. Henk Spijkerman (als ik me zijn naam goed herinner) en ik waren de bollebozen. Het ging om snelheid. Wie ‘t eerst zijn vinger omhoog stak. Je mocht pas wat zeggen als je de beurt kreeg. En we gehoorzaamden ook nog. Nog steeds vind ik hoofdrekenen leuk maar vannacht werd het me toch wat te veel. Dat komt door Salomo. In het boek Koningen staan zo allemachtig veel getallen. Ik noem er wat : elke dag was er in het paleis van Salomo voor het eten het volgende nodig : 135 zakken extra fijn meel en 270 zakken gewoon meel. Verder 30 koeien en honderd schapen en geiten. En verschillende soorten herten, en vette ganzen.. In zijn stallen had hij 40.000 paarden en hij had 12.000 mannen in dienst om zijn wagens te besturen. 30.000 mannen werkten aan de tempelbouw. Van een bevriend vorst kreeg hij elk jaar 20.000 kg. goud. Hij had een legermacht zo talrijk als het zand aan de zee en : Salomo vond buitenlandse vrouwen heel aantrekkelijk. Hij had 700 vrouwen en 300 bijvrouwen. Die worden ook zijn ondergang want hij knielt niet alleen voor deze vrouwen maar ook voor hun (af)goden en daar houdt zijn Heere niet van. Voordat hij sterft heeft hij wel 40 jaren in al die luxe doorgebracht. Met het lekkerste brood en een heerlijk satéetje en een bloedmooie juf uit verre landen op schoot. Elke dag. En de Truus van vandaag ziet hij pas over 999 dagen terug. De beschrijving van deze playboy koning eindigt met : alle andere verhalen over Salomo en over zijn wijsheid staan opgeschreven in de boeken over zijn leven. Er is ook nog eigen werk van hem. Drieduizend spreuken en 1005 liederen. Eén van die spreuken luidt : geef niet te veel aandacht aan mooie vrouwen, want zij hebben al aan veel koningen ellende gebracht ! Dat is dus wijsheid achteraf. Zoals ook de verhalen over hem achteraf bedacht zijn. En met die enorme aantallen werd hij groter gemaakt dan een koning in dat kleine landje ooit kon zijn. Niet voor niets heten het mythen. Datzelfde geldt voor het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Ook daar goochelen de schrijvers met enorme aantallen : het zou om 600.000 mannen gaan, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Een simpel rekensommetje leert dat er dus miljoenen mensen door de woestijn naar Kanaän trokken. Veertig jaren lang. Geen spoor van terug te vinden. Net als dat er op een berg Ararat (er zijn er verschillende) geen spoor van een ark te zien is. Paard van Troje, open graf, gouden graal, allemaal verborgen in verhalen, nergens anders.

 

Dinsdag 22 maart

Het is oorlog. Dat is het al heel lang. Ik hoor het onze premier nog zeggen. Vandaag vielen er slachtoffers in Brussel. Rutte noemt dat laffe aanslagen. Alsof bommen gooien op dorpen zo moedig is. De Balkenende van de VOC trok Nederland in de oorlog om Irak. Dat was een speeltje van Bush. Die had daar gevaarlijke wapens gezien. De VS hebben zelf nog veel gevaarlijker wapens maar dat telt niet. Irak mocht ze niet hebben. En dus viel hij binnen. Die wapens waren er helemaal niet maar ook dat telde niet. Bush, Blair, Balkende hadden het recht aan hun zijde. Het land werd verwoest en de haat tegen het Westen verder aangewakkerd. Er was maar weinig voor nodig om er een soort godsdienstoorlog van te maken. Extreem fanatieke Islamieten richtten hun eigen staat op. En de strijders stroomden toe. Het breidde zich uit over Irak en Syrië en maakte in dat laatste land dankbaar gebruik van de burgeroorlog die daar inmiddels was ontstaan. Zij mengden zich daar ook in. Toen de VS en sommige Europese landen zich óók met deze oorlog gingen bemoeien, zij het voornamelijk vanuit de lucht, en als tegenstander Assad en Islamitisch Staat kregen, waren “wij “ dus in oorlog met hen. Sindsdien vallen daar en hier onschuldige slachtoffers. Vreselijk, altijd. Tegelijk een risico dat je loopt als je oorlog voert. Die ellende van vandaag vind ik verschrikkelijk. Maar deze rampen roepen we ook over onszelf af door de IS de oorlog te verklaren. We zijn hier in het Westen niet onschuldig. Ik herinner mij uit het begin van mijn studententijd dat we op ons dispuut Exodus ’47 de heer v.d. Meulen hadden uitgenodigd. Hij was oud-ambassadeur en had in de Arabishe landen gediend. Hij vertelde over de schandalige, decadente rijkdom van de oliesjeiks en bracht daartegenover de schrijnende armoe van het islamitische volk in beeld. Ooit moet dat clashen. En in de jaren ‘70/80 hadden wij op Beukbergen regelmatig een luchtmachtofficier, tevens voorlichter van Defensie te gast die in grove lijnen voorspelde wat er aan fundamentalistische krachten zou loskomen als de Sovjet Uniet uiteen zou vallen. Beiden wezen erop hoe cruciaal de reactie van het Westen zou zijn. Ik vrees dat die weinig verheffend is, veel spierballentaal en bla bla zoals van v.Balen (VVD) en Timmermans(PvdA) c.s , veel militair geweld, maar weinig of geen oplossingen die ook maar iets van vrede in zich dragen. Oorlogstaal lijkt makkelijker in de grote westerse mond te liggen.

 

Woensdag 23 maart

Het is middenin de Stille Week. Vroeger was dat voor mij een van de drukste weken van het jaar. Veel diensten en evenveel aparte liturgieën. Dat ging vaak wel ten koste van je eigen beleving. Er moest zoveel. Het ergste vond ik de Avondmaalsviering op Witte Donderdag. Dat gebeurde in Soesterberg aan één lange tafel. Kennelijk moest daar bij traditie iets nagebootst worden van het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen. Ik voelde me altijd enorm klem zitten aan die tafel en was blij als het voorbij was. Het mooiste moment in de Stille week vond ik de Goede Vrijdag, vooral vanwege de soberheid en de stiltes, met name in de RK kerk. De Paasmorgendienst begon altijd in de geur van eieren. Er was dan eerst Paasontbijt waar ik nooit aan heb deelgenomen. De eventuele betekenis daarvan ontging mij volledig. Bovendien was ik veel te gespannen voor de dienst. De dienst zelf was meestal erg rumoerig. Ik weet dat het feestelijk genoemd werd maar soms kwam het op mij ook over als een overschreeuwen van de twijfel aan wat we nou eigenlijk zaten te vieren. Deze stille week is anders. Er waren die verschrikkelijke aanslagen in Brussel. Lijden genoeg zou je zeggen. Zie de van pijn en mateloos verdriet vertrokken gezichten op de foto’s in de krant, in Brussel, in Aleppo, op de stranden van Griekenland en aan het hek rond Europa. Trouw van zaterdag j.l. had een artikel over de vraag hoe Jezus eruit zou hebben gezien. Terecht reageerde een lezer maandag in de krant heel adrem : als je het gezicht van Jezus wilt zien, kijk dan naar die foto’s in de kranten ! Het lijdensverhaal hoef je echt niet na te spelen, al helemaal niet door mensen die niks met dat verhaal hebben maar vooral veel met zichzelf. Het meest belachelijke hieromtrent las ik vandaag in een streekblaadje en ik citeer letterlijk, anders zou de lezer me niet geloven : Wie liever met anderen naar The Passion kijkt ( die wordt donderdag opgevoerd in de straten van Amersfoort), kan terecht in de Emmaüskerk waar het spektakel live op een groot scherm wordt vertoond. Voor een hapje en een drankje wordt gezorgd. Een hapje en een drankje.En dat in de Emmaüskerk.Die naam zal toch wel ontleend zijn aan het Paasverhaal. Toen Jezus het brood brak voor de twee leerlingen uit Emmaüs herkenden ze hem. Dankzij het hapje dus. Ik zou zeggen : daar moet op gedronken worden . Ik doe echter niet mee. Laat voor mij deze week maar stil blijven. Misschien nog de muziek van Bach maar geen kerk meer met eieren, rumoer,hapjes of drankjes. Donderdag 24 maart Vandaag is Cruijff overleden. Dat hebben we als televisiekijker geweten. Je zal niks met voetbal en voetballers hebben. Had je een slechte avond. Gelukkig was er dan nog The Passion. Anders zou je geen hap(je en drankje) door je keel krijgen. Miljarden mensen kenden hem. In Spanje zelfs als de Salvatore, de Verlosser omdat hij Barcelona bevrijdde van het minderwaardigheidsgevoel t.o.v. Madrid. Zo was dat in 1974 bijna gegaan voor Nederland t.o.v.Duitsland. De kanker vloerde hem. En het is alsof de duvel ermee speelt : ik open net mijn mailbox en daarin een bericht van Bart. Hij moet een zwaar en langdurig traject in voor behandeling van darmkanker. Met hem en zijn vriendin waren Agnes en ik vorig jaar in Chevetogne. Hij introduceerde ons in de Oosters Orthodoxe rite. Indrukwekkende vieringen beleefden we samen. En – het moet gezegd – we genoten bourgondisch in een naburige Auberge, waar we ook logeerden. Half april hoop ik klooster en auberge aan Marijke te laten zien. Zij is dan herstellende van haar operatie en in afwachting van mogelijke bestralingen. In Chevetogne zal Bart er dit keer niet bij zijn maar ik zal er dagelijks een kaars voor hem branden. Of het helpt ? Waarom niet ? En dus helpt het, zoiets zou Cruijff waarschijnlijk zeggen.

 

Vrijdag 25 maart

Goede Vrijdag. Wij zapten tv. De Mattheüspassion uit de Pieterskerk in Leiden. Die hadden haast.Je hebt de ene cantate nog in het oor of er komt alweer een aria aan.Nergens een rustpauze. Het zal wel aan mijn leeftijd liggen , met de haast van deze tijd. Het één volgt direct op het ander. Later op de avond zond Brava de Mattheüs uit vanuit het Concert-gebouw. Adembenemend mooi. Ook door de stiltes.Aan het slot hield de dirigent die stilte één minuut gevangen door roerloos te blijven staan.De zaal bleef muisstil. Ruhe sanfte. Tja, en toen moest er applaus zijn. Gelukkig was er geen malloot die bekakt “bravo “ riep. Je hoort dat wel eens in concert-zalen. De laatste klanken dalen net in je ziel en dan hoor je zo’n gek. Daar zouden zware straffen op moeten staan. Vanmorgen twee dikke kranten Cruijff. Trouw wijdde er 9 pagina’s aan, het AD 33 ! Enkele krantenkoppen : “Onsterfelijk. Icoon voor de eeuwigheid. Groots voetballer en denker. Verlosser, fenomeen, voor ons altijd op ons netvlies”.Vanmiddag al is hij gecremeerd. Maar hij leeft voort, de eeuwige nr.14. Zolang die eeuwigheid duurt dan. In Shownieuws zag ik een interview met enkele artiesten die donderdavond The Passion hadden opgevoerd. In dit gesprek werd vooral veel gelachen maar dat is op tv tegenwoordig vaste prik. Alsof er om alles te lachen valt.Huilen mag ook. Om enkele zinnetjes b.v. die ik opving uit het nagesprek : “Het was een hele lijdensweg op die hoge hakken. Achter de schermen is er lekker gevloekt.Met het verhaal heb ik niks maar het typetje lag me wel”. Hetzelfde AD had een aparte bijlage over deze voorstelling.Het kopte : Vredig spektakel op juiste moment.” Het was leuk dat de mensen het zo waardeerden, zei de zangeres die Maria Magdalena speelde.In het Markusevangelie is zij één van de vrouwen die uit de verte toeschouwen. Ik wil het niet eens zíén, althans niet in spelvorm. De werkelijkheid ervan is dagelijkse kost en niet te behappen. Daar heb ik de troost van de muziek bij nodig. Bach mag.

Nachtboek 2

Zondag 13 maart

De zon schijnt. Nog geen nacht. Maar maandagochtend moet ik zo vroeg op dat ik de nacht wel moet vervroegen. Marijke moet voor borstonderzoek naar het ziekenhuis. De dokter vond vrijdag j.l. iets. Ze kon snel terecht. Die gang mag ze van mij niet alleen maken. Temeer omdat ze meteen uitslag krijgt. Deze dag des Heren ging weer zonder kerkgang voorbij. Net alsof het zondagse uit mijn agenda is gewist. Ik scharrelde net heerlijk op de fiets naar AH, deed wat boodschappen en las De Telegraaf. Het enige wat me vandaag even aan zondag deed denken was het gebeier van de roomse klokken. Een geluid dat ik niet graag zou wilen missen. Wanneer is deze verandering gekomen ? Praktisch gezien pas toen ik in Soesterberg stopte. Maar in gedachten was eral veel langer een proces gaande. Het begon eind vijftiger jaren toen ik in Kampen ging studeren. Daar ontdekte ik de bron van het benepen gereformeerde denken waarmee ik thuis was opgezadeld. Buiten onze gereformeerde wereld denkt men zus en zo maar wij….! Of het nu exegese van bijbelteksten betrof of de omgang met je verloofde (om maar twee voorbeelden te noemen), voor alles waren er richtlijnen. Uiteraard mocht je niet met je meisje naar bed en op masturbatie – als gezonde uitlaatklep voor opgekropte spanning – stond min of meer de doodstraf (want zo mag je ruggemergverweking toch wel noemen). En waren we met exegese van een tekst uit het evangelie bezig dan hoorden we wat Bultman of Harnack ervan dachten en dan hoorde je : maar wij … ! Ik heb het twee jaar volgehouden maar moest er toen weg vanwege verstikkingsgevaar.In de 60er jaren vertoonden zich scheuren in het gereformeerde (en in mindere mate ook hervormde) bolwerk. Er sijpelden andere ideeën binnen. Of beter gezegd : van binnenuit brak een niet te stuiten gedachengolf door de dikke muren. Professoren aan met name de VU in Amsterdam (Lever, Kuitert, Berkouwer, Schippers) lieten andere geluiden horen. Zoals dat binnen de RK het geval was met Küng en Schillebeeckx. In een recent boek : Liberaal christendom lees ik dat dit niet nieuw was omdat er al veel langer een liberale theologie bestond waarin het moderne denken was opgenomen. Een slap argument. Geboorteregeling bestaat in ons land al een halve eeuw. Maar als het eindelijk eens gemeengoed gaat worden in b.v. Afrika is dat een revolutie. Zo waren de nieuwe inzichten revolutionair in de gereformeerde wereld. Ik genoot ervan De God-is-dood-theologie, die uit de VS overwaaide, was voor mij de kers op de appelmoes. Niet omdat ik van god af wilde, maar wel van die huis-, tuin- en keukengod die ik in het orthodoxe kamp had leren kennen. Toen ik predikant was in Elst kwam ik hem dagelijks tegen. Boze mensen verdedigden hem en hadden geen goed woord over voor “die Kuipert” (een kostelijke vermenging van Kuyper en Kuitert). En vraag dan niet : wat is het laatste boek dat u van hem hebt gelezen (geen dus), want dan werd je met de herdershond het erf af gejaagd. Ik ben Kuitert diep dankbaar dat hij mijn gids was bij de uittocht uit mijn Egypte. In een van zijn laatste boeken stelt hij (vrij geciteerd) dat de kerk zichzelf overbodig heeft gemaakt. De mensen weten het nu wel en hebben die traditionele vorm niet meer nodig. Ik zie dat aan mijn kinderen en kleinkinderen. Zijn ze slechter dan hun (nog) orthodoxe leeftijdsgenoten ? Ik weet zeker van niet. Maar zij hebben geen enkele boodschap aan de kerk, ze zullen er ook geen boodschap halen. En eerlijk gezegd : ik ga op ze lijken.

 

Maandag 14 maart

Marijke had haar “slecht nieuws gesprek”. Begin van kanker in haar rechter borst.Ik zag het op de echo. Leek op een pindarotsje. Was ook net zo groot. Zag ook de naald die erin gestoken werd om wat weefsel weg te nemen. Maar zag vooral Marijke : alsof ze haar lijf had geleend van een ander en het niet haarzelf betrof.Misschien is dat een ingebouwd overlevingsmechanisme waarmee ze ook het Jappenkamp heeft overleefd.Meteen kwamen ook de beren op de weg : kan ik in mijn huis blijven, kan ik huis en tuin nog onderhouden, hoe gaat het met mijn rechterarm, en vooral : hoe zal ik eruit zien. Ik huilde van binnen. Begreep ineens wat anderen rondom mij voelden toen ik vier jaar geleden zo’n plekje in de mond had en heel fors werd geopereerd. Wat mij wel opviel was de vriendelijkheid van iedereen met wie ze te maken kreeg. In het UMC was ik destijds toch veel meer een nummer. Ede won op alle punten. Nu Marijke nog. Haar kinderen,buren,vrienden,ik, we zullen waar mogelijk haar weg plaveien. Doordat ik voor mijn doen heidens vroeg (6.30 uur) moest opstaan had ik geen tijd mijn derde droom van afgelopen nacht rustig op me in te laten werken.Hij was nogal essentiëel. Een hard gesprek met mijn vader. Hard, dit keer van mijn kant. Over de achterbakse afspraak met de rector van mijn gymnasium dat ik zou overgaan naar de examenklas om het aantal leerlingen op peil te houden voor een gescheiden alpha- en bèta klas. Eén leerling minder en die klassen hadden samen gemoeten. ik was de pineut maar wist van niks. Was nog lang niet toe aan de eindronde. Ik zou dus zakken. Dat deed ik ook, ondanks keihard werken. En toen kreeg ik op mijn duvel. Pas jaren na de dood van vader hoorde ik dit verhaal. Vannacht heb ik hem erop aangesproken. Ik probeerde hem recht aan te kijken maar hij had onbetekenende witgrijze, dode ogen. En dat klopt wel want hij is al 44 jaar dood. Maar hoe dit gevoel van onrecht nog in mij leeft ! Ik ga kijken wat deze nacht gaat brengen. Hoop u morgen weer te zien. Dinsdag 15 maart In de krant las ik dat ISIS de vrouwen, die ze gevangen houden, van vooorbehoedmiddelen voorziet, zodat ze hun gang kunnen blijven gaan met die stumpers. Want zwangere vrouwen mogen ze niet verkrachten van hun geloof. Ik word heel stil als ik zoiets lees. Wat een wrede domheid. En koren op de molen van hen die alle geloof willen afschaffen. Maar die zijn net zo dom. Want geloof hoort thuis in het rijtje verwondering, verbeelding , kunst, creativiteit. Dat is iets heel anders dan het mannetje uithangen en daar vrome smoesjes bij verzinnen. In de Heilige Schrift (ik noem hem ook maar eens zó) kwam ik bij mijn doorgaande lezing het moordverhaal tegen over Isboseth, de zoon van koning Saul. Na de dood van zijn vader leefde deze zoon in angst. De nieuwe koning David zou de hele familie wel willen uitroeien. Dat was niet zo maar twee van zijn knechten wisten dat niet. Zij wilden een wit voetje halen bij David en vermoorden Isboseth door een mes in zijn buik te steken. Daarna sneden ze zijn hoofd af en brachten dat naar koning David. Ze zeiden er nog bij dat ze dat uit naam van hun geloof in god hadden gedaan. Ook al. David was hier niet van gediend en liet de twee (hun namen zijn bekend, dus ze hoeven niet in Opsporing Verzocht) doden, hun handen en voeten werden afgehakt en hun lichamen werden opgehangen bij de grote waterput. Kon iedereen ze zien. En ook David riep hierbij de naam van de Heer aan. Wat je uit geloof niet allemaal kan doen ! Bij de rouwberichten las ik dat Rinze Houtsma op zijn fiets is aangereden en overleden.Hij was 87 jaar. Rinze was mijn supervisor gedurende de driemaanden durende Klinisch Pastorale Training op Zon en Schild in 1985. Een lieve man. Eén anekdote : ik moest voor hem elke week een gespreksverslag schrijven van een ontmoeting met één van de patiënten. Mij was een vrouwenpaviljoen toegewezen. Mijn eerste bezoek stelde ik zo lang mogelijk uit. Ik durfde niet. Die vrouwen zaten niet op mij te wachten. En had ik wel echt belangstelling voor hun verhalen. Maar mijn collega’s dwongen me. Ik belde aan bij het paviljoen en stelde me voor. Ik werd meteen doorverwezen naar de gesloten afdeling. Na ruim twee uur kwam ik terug bij de collega’s, allemaal razend nieuwgierig naar mijn ervaring. Ik vroeg één van hen om mijn verbatim (dat is dat gespreksverslag, zo woordelijk mogelijk) op te schrijven. Hij keek wat verbaasd maar pakte een papiertje. Ik dicteerde : Vrouw : u glijdt niet lekker ! Ik : O Dat was het hele gesprek van deze avond. Iedereen keek verbijsterd en dacht uiteraard meteen aan een enorme seksuele uitglijder van deze pastor. Gelukkig klaarde de lucht (zeg maar gerust : de hemel) op toen ik vertelde dat ik had gesjoeld. Maar wat deed ik met dit gespreksverslag ? Dat had ik moeten inleveren bij Rinze maar deed het niet. Weer bang. Ik verdoezelde dat met een gespreksverslag van vroeger dat klonk als een klok, dacht ik. Heel fijnzinnig sneed Rinze hier doorheen en bracht me bij mijn eigenlijke verlegenheid. Toen heb ik maar gebiecht. En er mocht gelachen worden !

 

Woensdag 16 maart.

Zakdoekendag. Ik heb er veertig gestreken. Heerlijk werk. Kun je fijn bij denken. In gedachten zag ik mijn vader op de preekstoel in de vijftiger jaren. Die maakte er altijd een soort show van als hij tijdens het preken zijn schone witte zakdoek ontvouwde en het zweet van zijn voorhoofd wiste. Zelf ben ik van jongsaf een zakdoekenfreak. Op het gymnasium kon ik tijdens moeilijke lessen verzaligd aan mijn zakdoek snuffelen, dat gaf een vertrouwd gevoel. En nóg : ik zal nooit gaan slapen zonder zo’n snuffie. Kinderachtig ? Kan wezen maar mag het kind in mij óók wat ! De kinderen van Elisa stuurden me een rouwbericht. Er stond een wonderlijk gedichtje boven : “Ik heb niet om het leven gevraagd. Het is mooi geweest. Maar nu te zwaar geworden. Vergeef me dat ik het teruggeef. “ Vrijdag wordt ze gecremeerd. Maar goed dat ik niks hoef want zowel donderdag als vrijdag heeft Marijke me nodig om mee te gaan naar het ziekenhuis. Een mens heeft toch maar één lijf. En mijn geest zou er ook niet bij zijn, net zo min als mijn ziel. Tussen de bedrijven door vandaag het Boekenweekgeschenk gelezen. Broer, zo heet het. Maar het gaat vooral om de zus, in de ontmoeting met haar broer. Wel aardig geschreven maar die zus vind ik wel erg kil.Geen leuke vrouw , erg met zichzelf bezig.Ik vond haar zó gemaakt dat ik me er eigenlijk geen voorstelling bij kon maken.Ik had haar en het boekje gauw uit ! Vanavond een zeer vaak voorkomende ervaring gehad. Ik zag hem even later terug in het tv-programma Utopia en ga hem aan de hand daarvan beschrijven.Twee meiden hebben daarin een groot conflict. De senior in die tv-productie, Kees, zoekt één van de twee meiden op en vraagt wat er aan de hand is. Zij vertelt kort en wat antwoordt Kees ? Ik heb dat ook met Bronno (een andere inwoner) en vertelt vervolgens zijn eigen verhaal. Hoe vaak dit voorkomt !! Mensen durven vaak niet echt te luisteren laat staan dat ze willen proberen te begrijpen. Eigenlijk vind je het verhaal van die ander niet van belang en laat je je eigen verhaal domineren. Ik wou dit maar niet meer pikken. Als het weer gebeurt zeg ik voortaan gewoon : ho ! Ben benieuwd wat er dan gaat gebeuren. En nu naar bed want straks weer vroeg op om met Marijke naar het ziekenhuis te gaan. Ze gaan een jodiumzaadje plaatsen in de woekering, zodat ze straks bij de operatie op de goede plek zitten. Donderdag 17 maart Die krankzinnige beelden raak ik maar niet kwijt : dronken PSV-supporters op een terras in Madrid die muntjes gooien naar bedelaars. Hen kunstjes laten doen en zelfs een geldbriefje voor hun ogen verbranden .Dit lijkt me het absolute niets. Net als die duizenden in de modderpoel van Macedonië. Maar dat is beleid ! Van God los ? Dat wordt gezegd, ook in rapporten. Dan zou het vroeger beter geweest zijn. Nou vergeet het maar. In de tijd dat de kerken nog machtig waren , er veel god was zal ik maar zeggen, waren er in het christelijke Europa twee gigantische mensenslachtingen. En nog een genocide ook, tegen de Joden. Je kunt dus hooguit zeggen : de wereld is niks veranderd. De mensen ook niet. Ondanks alle veranderingen. Zo gaat nu de zondag op de schop. Althans : ook in de wetgeving. Want in werkelijkheid ziet die dag er al héél anders uit dan vroeger. Ik leerde nog dat de zondag in de plaats van de Joodse sabbath gekomen was. Waar dat vandaan komt is mij een raadsel. Laat de Joden het niet horen ! Zondag was gewoon de 1e dag van de week waarop volgelingen van Jezus zijn leven vierden. Door de Romeinse keizers werd hier pas in de 4e eeuw een rustdag van gemaakt voor jan en alleman om “de zon te vereren “. Pas in de 17e eeuw maakten met name de Protestanten er een dag van met rigide zondagsrust. Ik werd daar als kind ook mee opgevoed. Vlak na de oorlog in Kampen deed ik mijn herinneringen op. We liepen twee keer per zondag naar de kerk (fietsen mocht niet). In gedachten zie ik zelfs nog de lantaarnopsteker aan het werk als wij op de winterzondagen naar de middagdienst van 5 uur gingen. Buiten spelen, brei- of haakwerk was verboden. Voetbal op de radio mocht niet aan. Wel deden we veel spelletjes en daar ben ik nog steeds blij om. Want dat spelelement is gebleven. Ik vind het nog steeds boeiend om met kinderen of vrienden rond de tafel te zitten en welk spel dan ook te spelen. Het kaartspel werd thuis niet gespeeld (dat was “ het duivels prentenboek”) , maar dat hebben we inmiddels ruimschoots ingehaald. Broer Bert begon thuis al met Mahjong , dat dezelfde elementen bevat als de meeste kaartspelen maar omdat het met steentjes en niet met kaarten gespeeld werd mócht het. Die zondag van vroeger is weg, althans voor ons. Misschien dat nog vijf tot tien procent van de bevolking die zware zondag houdt. Maar de samenleving wil in grote meerderheid méér ruimte om die rustdag zelf in te vullen zonder daarbij door een zondagswet gehinderd te worden. En zo hoort het. En als we dan toch op dat terrein aan het veranderen zijn, schrap dan meteen de dubbele feestdagen met Kerst, Pasen en Pinksteren en Hemelvaartsdag af. Biezundagen werden die in Kampen genoemd, bij- zondagen. Dan was er maar één keer kerk en je mocht fietsen en buiten spelen. Laten we er een dag van de Democratie voor in de plaats stellen, een dag van Verdraagzaamheid. En – teruggrijpend op het begin – een dag van Beschaving misschien ?

 

Vrijdag 18 maart

Met Marijke liep ik de laatste voorbereidende afspraken. Eerst bij de medisch fotograaf die vastlegt hoe je er nú uitziet. Dat viel Marijke tegen. Komt omdat je in de wachtkamer alleen maar “stukken” ziet in al die glossybladen. Die meiden mogen willen dat ze er over een halve eeuw en meer nog zó uitzien als zij. Daarna een gesprek met de plastisch chirurg, weer zo’n sympathieke vrouw. Daar barst het van in dat ziekenhuis. Hoe praat je een verminking goed ? Dat deed ze dan ook niet. Wél zal ze proberen de verminking te beperken. En toen ineens zag ik de vragende Marijke het hoofd in de schoot leggen : dan zij het maar zo ! Zó knap. ‘t Was heel bijzonder om deze week die reis langs artsen en verpleegkundigen met haar te maken. In wezen was ik zo bezig met haar gevoelens en vragen dat ik mijn eigen gevoel even geparkeerd heb. Moet ik dus ooit ophalen, anders loopt het tarief te hoog op. Op mijn bureau ligt het nieuwe blad van de Raad van Kerken. Op glanzend papier gedrukt. Over Beleving rond Avondmaal en Eucharistie. Helemaal niet mijn wereld. Ik heb er niets mee.Als ik mijn herinneringen doorblader zie ik aan het begin – ik was zo’n jaar of zes – de kerk in Apeldoorn. Het was oorlog. Voorin de kerk stonden lange witte tafels. Daarop brokjes brood op zilveren schalen en glimmende bekers. Ineens kwam er een zwerver de kerk binnen. Had honger natuurlijk en zag dat brood. Ik zie hem nog tussen de banken door naar voren lopen. Daar werd hij tegengehouden door een man in zwart pak. Het was niet voor hem. De tweede herinnering is aan Kampen. Eindeloos durende kerkdiensten waarin avondmaal “gevierd “werd, in doodse stilte. Telkens een groep mensen uit de kerk naar voren. Die moesten daar goed over nagedacht hebben anders “aten en dronken zij zichzelf een oordeel “. Toen ik zelf belijdenis gedaan had en “daarmee toegang tot de maaltijd des Heren had verkregen “ heb ik daar zo min mogelijk gebruik van gemaakt. Die enge stilte lag me niet maar meer nog de woorden die de stilte verbraken. Ik beleefde totaal niets of het moest wrevel zijn. Maar toen werd ik predikant in Elst en toen moest het. Ik moest ook zelf de woorden zeggen. Ik vond nieuwe en bracht ook andere vormen in, b.v. allemaal staan in de kring en muziek tijdens de rondgang van brood en wijn. Maar het bleef voor mij niet meer dan een verplichting. En het werd een straf toen de pleuris uitbrak over kinderen aan het avondmaal. Veel ouders met kinderen vroegen daarom, de kerk (synode en zo) bood er zelfs ruimte voor maar niet iedereen was het daarmee eens. En als in de kerk mensen het niet met elkaar eens zijn kan het er erger toe gaan dan bij menige voetbalclub. Ook toen ik in Soesterberg begon, in 1989, bestond er een conflict rondom het open avondmaal. Er haakten meteen mensen af. Die gingen elders kerken (waar trouwens ook kinderen aan het avondmaal deelnamen, maar dat waren andere kinderen of zo). Het is dat ik vrij snel de meeste kerkgangers leerde kennen dat ik aan avondmaalsdiensten iets beleefde. Je keek bij de uitreiking van brood en wijn elkaar in de ogen. Bij voorkeur had ik het dan over de liefde of de vrede van God. Geen bloed voor ons vergoten. Daar geloof ik niet in. Via de plaatselijke Raad van Kerken hielden we oecumenische diensten met de RK parochie. Weer allerlei toestanden. Als ik de schaal met brood ophief was dat toch geen consecratie ? Want dat vond de kardinaal niet goed. Slot van het liedje (zeg maar gerust : treurzang) : we zijn ermee opgehouden. Een preek, bidden en zingen, dat is oecumenisch genoeg. En dan nu zo’n glanzende glossy over beleving van avondmaal en eucharistie. Morgen in de papierbak.Als ik Leo Feijen op de zondagmorgen (elke zondagmorgen) op de tv verheerlijkt de eucharistie hoor aankondigen krijg ik jeuk. En die gaat niet over als ik vervolgens een viering zie die net zo is als vorige week. En volgende week zal het weer zo zijn. Ik ben trouwens niet de enige. Want net als in Soesterberg zijn de kerken een stuk leger wanneer er avondmaal of eucharistie gevierd wordt. Omdat de RK dat elke zondag doet krijgt ook die kerk steeds meer ligplaatsen. De kerkleiding beleeft er kennelijk meer aan dan de leden. Nog twee ervaringen in dit verband : ik moest een keer in Lunteren preken. Belde er vrijdags een ouderling op met de mededeling dat ik zondags geacht werd de helft van het avondmaalsformulier te lezen. Als voorbereiding op de “viering “ van volgende week zondag. Ik weigerde dat. Vind dat liturgisch een draak. En dat formulier vind ik een ramp. Ik hoefde nooit meer naar Lunteren. En tot slot een vrolijke noot : toen broer Jan in Varsseveld ziek was vroeg hij mij hem te vervangen .Het was in 1973. Ik kwam in een prachtig oud dorpskerkje. Voorin stond een kleine avondmaalstafel. Brood en wijn werd naar de kerkgangers toe gebracht. Onder doodse stilte. Komt ineens een diaken naar me toe die me paniekerig in het oor fluistert : de wijn is op ! En pardoes antwoordde ik haar dat ik die truc wel kende maar niet kon. Zij riep op mijn advies de hulp van de koster in. Die aarzelde geen moment, dook in de voorraadkast achterin de kerk en kwam trots met een Zoete Spaanse tevoorschijn. Hij pakte een kurkentrekker en ging de kurk te lijf. Nooit zal ik het geluid vergeten dat toen de doodse stilte verbrak.

Nachtboek 1

Maandag 7 maart 2016

Hoewel ik verdiend had uit te slapen riep de plicht. Mariëtte komt helpen het huis bewoonbaar te houden en dus moeten we er op tijd uit zijn. Bij de thee en koffie heerlijk twee kranten. Trouw omdat ik dat ben. AD omdat de buurvrouw die cadeau krijgt maar niet zelf wil. Best wel een aardige krant maar Trouw blijft beter. Al is het misschien ook maar wat je gewend bent. Er staat nog wel eens een dode in die ik gekend heb. Ook mijn vijf broers en zus sierden die pagina.Wel duur die advertenties. Vooral als de achterblijvers geringer in aantal worden. Het is net als met het gebit van Prediker (zie hoofdstuk 12) : bij grote uitval krijgen de achterblijvers het voor hun kiezen. Omdat het zonnetje scheen ben ik op de fiets naar de grootgrutter gegaan en omdat ik toch bezig was meteen maar even doorgefietst de polder in. Frisse neus heet dat,maar het liep er wel met stralen uit, minder fris. Thuis zat mijn belastingadviseur er al, mijn lieve dochter Karin.Zij zal de belastingen digitaal behandelen. Ik kan best wat met die moderne apparatuur maar geniet als ik zie hoe handig zij ermee omgaat. Haar vingers vliegen over de toetsen als bijen over een honingraat.Dat is pas echt digitaal. Wonderlijk trouwens dat de belastingdienst ons niet wilde ontvangen. Ze verplichten je om de computer te gebruiken maar wezen tien pogingen tot contact af. Net alsof je bij iemand aanbelt van wie je weet dat ie thuis is maar opendoen , ho maar. Ik krijg zeker wat terug ( want zij weten alles al, hebben het merendeel al ingevuld) dat ze ons voor een gesloten digitale deur lieten staan. Ik ken dat soort. Ik zal daar nog wel eens over schrijven. De avond sloot met dokter Deen. Vergenoegd zag ik de schitterende plaatjes van het eiland, Hollandser kan het niet. Als je dat vergelijkt met die plaatjes van Mallorca, die aan deze uitzending vooraf gingen in het programma : Ik vertrek, dan vraag ik me af : wie is er nou gek ? Ga je daar in zo’n hok wonen, met uitzicht op zee (als je op je tenen gaat staan) en op zeven (!) zwembaden (denk aan de gore herrie die dat geeft), airco aan omdat je anders stikt, terwijl we hier het mooiste van het mooiste hebben. Plus je sociale leven – ook zo leuk in dokter Deen -. En wat gaan jullie nu doen op Mallorca? is dan de vraag. Zwemmen en vissen. Ik zou zeggen : vertrek, en wel onmiddelijk. Hebben wij weer wat ruimte voor mensen die hier graag willen wonen. Uit Syrië b.v.

 

Dinsdag 8 maart 2016

  Eindelijk bij de Aldi sloffen gevonden voor overdag. We hebben ooit een kurkenvloer genomen i.v.m. de honden maar de honden zijn weg en het kurk is gebleven. En koud is dat aan je voeten. ik loop al eeuwen graag op mijn sokken maar dat is in de winter eigenlijk niet te doen. Sloffen dus. Past best bij m’n leeftijd. Zo glij je er langzaamaan in. Er was nóg een koopje deze dag. In de kringloopwinkel ontdekte ik twee sjieke stoelen voor bij onze tafel. Niet dat we er zelf ooit op gaan zitten maar bridgers en eters moeten toch ook een zitplaats hebben. We halen er morgen twee kussentjes bij. Merk Hema, dan hebben we weer design genoeg in huis. Op tv zag ik weer de bekende koppen van misdaadverslaggever, advocaat en popmuziekkenner. Dat ze zichzelf nog niet vervelen. Wel was er een indrukwekkende uitzending van Utopia. Twee jonge mannen vertelden over hun verleden. Ik mopper(de) wel eens op de gereformeerde opvoeding maar dat is een paradijs vergeleken met deze jongens. Dat je b.v. in de couveuse al moet afkicken, je ouders naar de verdommenis ziet gaan, je kinderjaren verpest worden. Ik ben heel benieuwd hoe deze gedeelde pijn uitpakt in de groep. Het zou toch op z’n minst wat verdieping mogen geven. Ik realiseer me trouwens dat ik nog geen uitzending gemist heb in die ruim twee jaar nu. Het proces in de groep blijft me boeien. Doet me vaak terugdenken aan mijn jaren op Beukbergen waar ik geestelijk verzorger was.Honderden bijeenkomsten had ik daar met elk zo’n 15 à 20 militairen .Daar konden in drie dagen tijd geweldig ingrijpende dingen gebeuren . Soms trokken die jonge kerels al maanden met elkaar op zonder dat ze eigenlijk iets wezenlijks van elkaar wisten. Ja, of de ander veel zoop, of zweetvoeten had of gore moppen, dat wel. Maar dat hij zichzelf overschreeuwde, diep heimwee had of groot verdriet, een pijnlijk verleden of grote angsten, nee, dat was nooit gedeeld.

 

Woensdag 9 maart

Ik ben vorige maand begonnen de hele bijbel te herlezen. In de laatste vertaling. Gewone omgangstaal heet dat. Jip en Janneke die over de grote dingen vertellen. Ik ben al in het boek Samuel.Het duurde trouwens tot blz 276 voordat ik iets las over een god als liefde. Tot dan toe was het vooral een boze, sikkeneurige god. Erg gauw op z’n teentjes getrapt.En medogenloos voor wie hem niet aanbidden.Als je niet in zijn straatje loopt kun je het wel schudden. Mannen, vrouwen, zelfs kinderen , ze worden bij duizenden afgemaakt. Omdat hij dat wil. De ISIS is er niks bij Hij eist ook gigantisch veel offers. Er gaan wat dieren voor de bijl ! En dan nog al die wetten en regeltjes. Seksuele vrijheden bestaan absoluut niet, zeker niet voor vrouwen. Als er op dat punt iets misgaat zijn de straffen voor vrouwen zelfs rigoreuzer dan voor mannen. Dat heet bescherming. Pas gisteren las ik, ver in 1 Samuël, dat god de offers maar niks vindt als er niet tegelijk rechtvaardig gehandeld wordt. Dat vind ik toch al een beetje vooruitgang. Ik herinner me dat prof.Dingemans eens schreef dat er in de bijbel ook een zekere ontwikkeling van het godsbeeld zit.Dat zou best kunnen. Misschien heb ik het strengste deel wel gehad. Na de bijbel lees ik tegenwoordig Hendrik Groen. Hij houdt een dagboek bij in het verzorgingshuis waar hij zijn dagen slijt. Wat een geweldige man. Niemand weet trouwens wie hij is. Ik heb zelf het vermoeden dat een man als Bert Keizer of Hugo Borst wel eens zijn ghostwriter zou kunnen zijn. Zo geestig. Haarscherpe tekeningen van de sfeer tussen al die gebrekkige senioren. Een klein groepje heeft zich georganiseerd in de Omanido club : oud maar nog niet dood ! Ze organiseren uitjes en gaan ook regelmatig samen uit eten (en drinken !). Heel eerlijk gezegd spoel ik vlak voor het slapen gaan de zware bijbelkost met veel plezier weg met deze kostelijke auteur. Het laatste wat ik afgelopen nacht las was dat hij de predikant van het huis had ontmoet. Hij heeft zelf niks met godsdienst. Maar dat bleek geen bezwaar. De dominee biechtte hem op dat hij zelf ook niets meer gelooft. Dat hij het optrekken met mensen het mooie van dominee-zijn vond . Daar kon Hendrik Groen zich wel in vinden. En ik ook.Ik zal me opnieuw moeten oriënteren op geloven. Levenshouding, openstaan voor het onbekende, verwondering, telkens weer, blij met elke dag zolang er reden is voor blijdschap,aandacht voor anderen. Dat lijkt er voor mij allemaal meer op dan wat er in de kerkelijke kookboeken, dogmatieken, elitaire liedboeken, encyclieken en wat niet al wordt voorgeschoteld.

 

Donderdag 10 maart

Gisteren stond er in Amsterdam een hoofd op de stoep voor een waterpijpzaak. Iets van een afrekening in Marokkaanse criminele sfeer. Grote opwinding in het land. Laat ik nou ‘s nachts in de bijbel lezen dat de profeet Samuël het hoofd afhakt van koning Agag. En laat de naam van die koning nu vandaag voorkomen in het dagelijks puzzeltje van Trouw. Wel erg veel toevalligheden. Maar hoofd afhakken heeft oude papieren. Queen Mary ,Marie Antoinette en Johan van Oldebarnevelt b.v. Voor mijn tentamen Nederlandse kerkgeschiedenis las ik destijds (bij een niet – gereformeerde historicus) dat de Dordtse synode in 1619 vervroegd werd besloten zodat dominees en ouderlingen op tijd waren om de onthoofding van Oldebarnevelt bij te wonen. Bijbel, kerk, ISIS (want die heeft er tegenwoordig patent op) en onthoofding, wat een rare mengelmoes. Wat me ook verbaast (niet voor ‘t eerst overigens) is dat de bijbelvaste generaties meestal zo enorm oranjegezind waren en later ook erg vóór het koningshuis. God, Nederland en Oranje. Ik herinner me uit mijn jongensjaren hoe er in het “lange gebed” uitvoerig gebeden werd voor het vorstenhuis. Onze koningin leek haast door god gezonden. Nou zal ik de laatste zijn die niet zou vinden dat je voor de koning moet bidden maar dat is een woordenspelletje. In die bijbel lees ik in 1 Samuël 8 een waarschuwing tégen een koning : hij gebruikt jullie zonen om te vechten. Jullie dochters moeten voor hem werken. Hij pakt jullie inkomen af voor zijn dienaren. Jullie worden zijn slaven. Met een koning ben je nog niet jarig. Dat werpt toch een wonderlijk licht op koningsdag ! Nog even iets over het “lange gebed “. De Reformatorische kerken hebben bij het verlaten van de Katholieke Moederkerk de liturgie achtergelaten. Het ging hen om het Woord en daarmee werd vooral de preek bedoeld. Kerkdiensten draaiden dan ook vooral om de vraag wie er preekte. Bij een “goeie “ stonden de kerkgangers al een half uur van tevoren in de rij en hingen ze tijdens de dienst “in de lampen “ , zoals wij dat noemden. Geen plekje meer vrij, ze zaten tot op de trappen van de preekstoel. Bij een “saaie” kon je de gebruikelijke kogel door de kerk schieten zonder iemand te raken. De orde van dienst was simpel : opening, 10 geboden (om je te ontdekken aan je zonden), genadeverkondiging (als je mazzel had werden je zonden wit als sneeuw), Schriftlezingen en dan, vóór de preek, kwam het lange gebed. Een eindeloze riedel van voorbeden. Alle zieken kwamen langs, vaak met hun kwalen, soms zelfs met ziekenhuis en kamernummer (altijd handig als god op bezoek wilde). En dus ook het vorstenhuis. Na dat gebed een lied en dan de preek. Tot in de jaren ’60 ingedeeld in drieën. Na punt 2 was er een tussenzang en punt 3 was de toepassing : hoe je alles wat tot dan toe gezegd was in praktijk kon brengen. De liturgie is inmiddels weer teruggehaald bij de RK kerk maar tegelijk zijn de meeste kerkgangers allang weg. Niet omdat ze die liturgie misten. Veeleer omdat de kerk eigenlijk geen boodschap aan haar mensen had. Deze opmerking vraagt om toelichting. Doe ik een andere keer. Ik hoop op nog vele nachten. Vrijdag 11 maart Wat een plezier om vanmorgen mijn krant open te slaan en daarin Bert Keizer te zien mijmeren over zijn kerkverlating (en die van Godfried Bomans). Hij had een prachtig beeld (en ik schrijf het op zoals ik het me herinner) : dat je nog op de drempel van de kerk staat, achter je het Credo hoort, het zelfs uit volle borst meezingt , maar onderhand de uitgang hebt gevonden. Ik ken dat ook zo goed van mezelf. Als ik mijn zakdoeken strijk luister ik via Youtube altijd naar Psalmen, liefst niet-ritmisch gezongen, want daarmee ben ik grootgebracht. Ik ken ze ook nog allemaal en zing ze nogal eens mee. Boven aan mijn rappoort van Lagere School met den Bijbel stond : Psalmvers. Het cijfer daarvoor mocht voor dit domineeszoontje niet beneden de 10 zijn.( Ik heb het rapportboekje nog en kan dit dus bewijzen.) Voor nieuwe liederen is op de harde schijf in mijn hoofd geen plaats meer en die oude kan ik niet deleten. Dat is een kernachtig verschil tussen brein en computer. Als ik naar mijn studeerkamer ga, meestal na middernacht, beantwoord ik eerst de mails, dan schrijf ik iets in dit Nachtboek en tot slot vermaak ik me met de meest wilde politieachtervolgingen in de VS. Youtube biedt er vele. De boeven worden uiteindelijk gepakt en dat bevredigt zeer. Daarna ga ik naar bed en lees eerst enkele hoofdstukken uit de bijbel. Die wil ik dit jaar helemaal doorwerken. Weliswaar in die vreselijke omgangstaal maar voor de leessnelheid is dat wel nodig. Het leesmoment sluit ik momenteel af met het dagboek van Hendrik Groen in het verzorgingshuis. En dan, rond drie uur in de nacht , valt het duister en neemt Morpheus me mee. Naar dromenland. Daar kom ik elke nacht, zolang ik leef.Verbluffend wie ik daar allemaal ontmoet. Levenden en doden. Soms mensen in één ruimte die elkaar helemaal niet kennen. Zo werd ik vanmorgen met tranen in de ogen wakker door een droom in mijn 3e slaap (tussen half 10 en 10 uur vanmorgen). Ik nam afscheid van Willy van Leerdam (een vriendin van me die vorig jaar op 85 jarige leeftijd is gestorven), die samen met mijn moeder (overleden in 1982) en oudste zus (die leeft nog) op een balkon zaten. Dat intrieste gezicht van de normaal zo vrolijke Willy brak mijn hart. Ze wilde helemaal niet sterven. Mij zit nog steeds dwars dat ik vorig jaar twee uur te vroeg bij haar sterfbed ben weggegaan en dat ze in haar eentje is gestorven. Ook al was ze dan niet meer bij de tijd, ze wás er nog en ik had moeten blijven. Goed dat ze me daar in dromen aan herinnert. Ik heb geen flauw benul over “na de dood “ en heb het in afscheidsdiensten altijd graag aan de verbeelding van de nabestaanden overgelaten. En zo heb ik er ook zelf niet meer dan fantasieën over. Meer is er ook niet volgens mij maar het lijkt me genoeg.

 

Zaterdag 12 maart

De brievenbus puilde uit deze ochtend : drie kranten. Wat een plezier.Trouw zoals elke dag, NRC als zaterdagabonnee en AD als cadeautje via de buurvrouw. Dat wordt lezen, puzzelen en knippen (voor Karin de artikelen waarvan ik denk dat ze die interessant zal vinden). Marijke kwam om de stoelen van het design Blokri te bewonderen en toen zij er net was kreeg ik een telefoontje dat Elisa was gestorven.Zij woonde in de buurt en ik deed bij slecht weer wel eens een boodschap voor haar. Vanzelf groeide daar een contact uit dat we zo eens in de 6 weken onderhielden. 84 is ze geworden. Of ik nog een woordje wilde zeggen bij haar afscheid. En nu kon ik voor ‘t eerst nee zeggen, nog wel verhuld maar toch.Ik houd daar mee op , ook met het verhullen trouwens. Het kost me altijd veel werk en ik houd er meestal een nare smaak aan over. Voel me min of meer gebruikt. Niet in familie- of vriendenkring. Daarvoor vind ik het normaal. Ik weet dat ik het kan, zo’n afscheid verwoorden en dat doe je dan. Maar bij “kennissen” ligt dat anders.Een recente ervaring bracht mij tot het besluit daarmee te stoppen. Ik heb daar nog dagelijks last van. Op zich was het altijd boeiend om op de drempel van de kerk of er net buiten te wikken en wegen met woorden. Zó, dat mensen die gingen trouwen of begraven niet afhaakten maar geraakt werden door oude verhalen of verbeeldingen. Bij de voorgesprekken was ik altijd in m’n element, vooral als er bij de gesprekspartners deurtjes opengingen. Zelden dat dat niet gebeurde. Maar dan. De waardering. In woorden ging dat altijd goed. Veel, heel veel dank. En verder ? Ik ben absoluut geen materialist maar vind het nog steeds vreemd dat een uurloon van een garagebedrijf of loodgieter, laat staan van een begrafenisondernemer normaal gevonden wordt en dat ik vaak niet eens reiskosten vergoed kreeg. Soms een bos bloemen of een boekenbon, een fooi of zelfs een keer kistje met wat groenten uit eigen volkstuin. En nog iets bijzonders : hoe welvarender de mensen, hoe kleiner de geste.Of is dat niet bijzonder meer ? Zijn sommige mensen juist daarom zo rijk ? Tegenwoordig hangt er voor uitvaarten gewoon een prijskaartje aan : 400 euro voor de predikant plus reiskosten. Maar als je zo’n rekening indient (een tiende van wat de begrafenisondernemer claimt) dan valt er stilte. Pijnlijk is dat, alsof wat ik doe geen werk is. Elisa (of beter : haar familie) moet het zonder me doen. Het is me nooit gelukt tot haar door te dringen. Ze klaagde over iedereen, ook over haar kinderen. Ze was welvarend maar had nooit genoeg. De hele wereld leek tegen haar, ze had met de meeste buren ruzie, vond de dokter niks, het ziekenhuis beroerd, “ze bleven maar wachten met opereren” en na de operatie : “had ik het maar nooit laten doen.” Ik heb haar niet meer opgezocht, merkte bij mezelf dat mijn irritatie sterker was dan mijn belangstelling voor haar.Gisteren heeft ze nog wat mensen gebeld om afscheid te nemen en daarna is ze rustig ingeslapen. En ik heb en hoef niks meer te zeggen. Dat geeft ook rust.